De ene dorpsfilm is de andere niet

Ik was even in Toronto. Nauwelijks een opmerkelijke gebeurtenis sinds de wereld een dorp is. Je stapt in op de ene overvolle luchthaven en stapt uit op een andere overvolle luchthaven die verdacht veel lijkt op de plaats waar je bent ingestapt. Toronto is de thuishaven van een imposant filmfestival dat misschien wel juist vanwege zijn allure een dorp binnen het dorp is. Een wereld die genoeg heeft aan zichzelf. Een tijdelijke wereld met tijdelijke bewoners die uit alle hoeken en gaten van het grote dorp zijn komen aanvliegen.

Zo ook de films. Die komen overal vandaan en zou je dus overal kunnen zien. Een vast onderdeel van het wereldfilmmenu in de festivaldorpen is een Iraanse film. Dat is meer dan begrijpelijk. Het zijn eenvoudige, toegankelijke en vaak hartverwarmende films die zich in bijna alles onderscheiden van de standaardproduktie. Het zijn films die ogen als kinderfilms, maar een volwassene kan er een boodschap aan hebben. Bij de standaardfilms ligt dat net andersom. Die zien er groots, opgeblazen en ouwelijk uit, maar spreken uiteindelijk een kindertaal. Zoals wel vaker gebeurt bij een menu dat al wat langer op de kaart staat, zijn er ook geluiden van verveling te horen. Die Iraanse films beginnen wel allemaal op elkaar te lijken. Een aandoenlijk kind in de hoofdrol moet een reeks van tegenslagen overwinnen in een door onwelwillende volwassenen gedomineerde wereld.
Bij de Iraanse film van Toronto is dat niet anders. In Traveller from the South van Parviz Shahbazi moet het goudeerlijke, plichtsbewuste jongetje Reza het opnemen tegen treinconducteurs, taxichauffeurs, geldwisselaars, boekhouders en doktoren. Met andere woorden: een dwarsdoorsnede van de samenleving. Dat maakt zo'n film aardig, maar ook kwetsbaar voor kritiek. Als je er niet meer in wilt zien dan een moraliserend educatief schema voor de jeugd van Iran, is alle moeite van de kleine Reza vergeefs. Kijk je naar de ontwapenende eenvoud waarmee het verhaal wordt verteld, dan krijgt zijn geploeter al meer zin. Dan blijkt zijn hardnekkigheid naadloos verbonden met de hardnekkigheid van een cineast die blijft geloven in de kracht van eenvoud en helderheid. Een klassieke onverzettelijkheid die in het dorp thuis moet blijven horen.
Uit een heel andere wijk kwam Junk Food van de Japanse filmmaker Masashi Yamamoto. Een beweeglijke, luidruchtige, gefragmenteerde en zo nu en dan gewelddadige film. Zoals je de film van Parviz Shahbazi een typische hedendaagse Iraanse film zou kunnen noemen, zo is de film van Masashi Yamamoto typisch Japans. De film wordt bevolkt door hysterische drugsverslaafden, verknipte gangsters en aan lager wal geraakte immigranten. Een hedendaags stadsgezicht. Voordat de waanzin losbarst, opent de film heel mooi met documentaireachtige beelden van een oude, blinde vrouw die opstaat en moeizaam de stad in gaat om haar ontbijt te kopen. Het zet een reflectieve toon die de rest van de film, zelfs op zijn meest spectaculaire momenten, blijft beïnvloeden.
Dat er typisch Iraanse en typisch Japanse films bestaan, maakt het dorp op zich niet wereldser. Het exotische is dagelijkse kost geworden. Toch is de ene film dorpser dan de andere. Een echte dorpsfilm was Pitch van Spencer Rice en Kenny Hotz. Rice en Hotz filmden zichzelf in een sterk gemanipuleerde documentaire waarin ze de filmwereld te lijf gaan in de hoop hun eerste speelfilm te slijten. Op het voorgaande festival van Toronto vielen ze iedereen die maar een beetje belangrijk was lastig met hun scenario en zo kon eenieder zich dit jaar terugzien in een film als een dia-avondje. Dat is altijd het leukst voor de direct betrokkenen. Rice en Hotz onthulden ook wel iets van het doen en laten achter de schermen en als ze iets scherper en leuker waren geweest zou de film niet eens slecht zijn geworden. Nu is het vooral een melige poging. Een van de zeldzame films die je niet overal kunt zien. Bijna een aanzet tot het weer vergroten van de wereld.