QUOTA’S IN BRAZILIË 

De ene mesties is de andere niet

Officieel heeft Brazilië nooit apartheid gekend. Nu staat de invoering van een quotasysteem voor zwar-ten er ter discussie. Bestaat racisme nu wel of niet in Brazilië?

HET BRAZILIAANSE CONGRES buigt zich, 120 jaar na de afschaffing van de slavernij, over een sta-tuut ‘rassengelijkheid’ en een wetsvoorstel voor quota’s voor Afro-Brazilianen op openbare universiteiten en in openbare ambten. De discussie erover verloopt sinds jaar en dag moeizaam.
In Brazilië betitel je zelf je kleur – en je vindt er alle mogelijke kleurschakeringen: mensen noemen zich ‘koffie met melk’ of ‘koperbruin’. Zo bezien is de helft van de Brazilianen, in verschillende tinten, ge-kleurd en de andere helft, ook in verschillende gradaties, blank. Sinds de Portugese kolonisatie in 1500, de kennismaking met de indianen en de invoer van slaven uit Afrika hebben de inwoners van Brazilië zich met elkaar vermengd. Officieel heeft apartheid er nooit bestaan. De mulato, de mesties, is bijna sy-noniem voor de Braziliaan.
Tegelijkertijd is er altijd sprake geweest van een klassenmaatschappij. De blanke meesters sliepen veelal met de zwarte slaven. Dat beeld is blijven bestaan: de vorige president en socioloog, Fernando Henrique Cardoso, blank, zei ‘ook een voet in de keuken te hebben’, waarmee hij wilde zeggen ook Afri-kaans bloed te hebben, net als 86 procent van de bevolking, zo blijkt uit DNA-onderzoek.
Die ‘rassenvermenging’ heeft geleid tot een hybride cultuur. Enerzijds kloppen de Brazilianen zich op de borst vanwege deze zogenoemde ‘rassendemocratie’: ‘wij kennen geen racisme’. Anderzijds bestaat er een hardnekkige koppeling tussen sociale status en kleur: hoe witter, des te hoger op de sociale ladder, hoe zwarter, des te miserabeler.
Niet dat Brazilië geen arme blanken kent; 35 procent van de armen van Brazilië is blank. Maar 63 pro-cent van de armste laag (veertig procent van de bevolking) is donker – negro, of pardo. Bovendien ver-dient iemand met duidelijk Afrikaanse trekken tot zestig procent minder in dezelfde functie als een blan-ke. De politiek is blank, de universiteiten zijn blank. Van gewilde studies als medicijnen en rechten is vaak slechts drie procent van de studenten donker.
Er is dus weliswaar nooit sprake geweest van formeel racisme, maar wel van een concreet racisme, ge-koppeld aan historische ongelijkheid. Uit bevolkingsonderzoeken blijkt bovendien dat vrijwel niemand zichzelf als racistisch bestempelt, al beaamt vrijwel iedereen dat racisme in Brazilië volop bestaat. Het gaat volgens socioloog Muniz Sodré, werkzaam aan de Federale Universiteit van Rio de Janeiro (UFRJ), dan ook om een verhulde vorm van racisme: ‘Je ziet hier bijvoorbeeld niet snel een blanke vrouw met een zwarte man in een bedscène in een televisiesoap. Maar er zijn ook genoeg expliciete voorbeelden, zoals een vriendin van me, een zwarte vrouw, gelukkig getrouwd met een blanke Ameri-kaan, die op een dag in de lift door een medebewoner in het gezicht geslagen werd. De man veront-schuldigde zich, maar zei dat hij het eenvoudigweg niet meer aankon om haar in die positie te zien.’

De vraag is hoe hiermee om te gaan. ‘Brazilië heeft een historische schuld te vereffenen met zijn zwarte bevolking’, vinden verscheidene zwarte bewegingen. Die maken zich hard voor de bekrachtiging van een wetsvoorstel uit 1999, waarin een quotasysteem voor zwarten op openbare universiteiten en in openbare ambten centraal staat – dertig jaar na de afschaffing van de quota’s in de Verenigde Staten en recente pogingen in verscheidene Noord-Amerikaanse staten om een einde aan iedere vorm van posi-tieve discriminatie te maken.
Die historische vertraging in het debat ten opzichte van de VS heeft, behalve met de ‘raciale democratie van Brazilië’, ook te maken met de onderdrukking van zwarte emancipatiebewegingen door de militaire dictatuur (1964-1985). Iedere vorm van racismebestrijding of zwart bewustzijn werd in die jaren afge-schilderd als antinationaal, geïnspireerd door de VS. Pas vanaf de nieuwe grondwet van 1988 is racis-me onderwerp van gesprek geworden in de samenleving. Maar (de mythe van) de raciale democratie én het idee dat de VS de zwarte emancipatiebewegingen polarisatie zouden influisteren, zijn onder bepaal-de intellectuele en politieke stromingen blijven bestaan. Ook onder links. De arbeiderspartij van presi-dent Luiz Inácio Lula da Silva erkende het onderwerp racisme pas in 1995.
Daarvóór, en tot op zekere hoogte tot op de dag van vandaag, ging men uit van puur sociaal-economische oorzaken voor de ongelijkheid. Zwarte leerlingen zouden de goede, gratis openbare uni-versiteiten niet in komen vanwege het slechte, gratis openbaar voorbereidend onderwijs, waar arme kin-deren nu eenmaal naartoe gaan. De oplossing zou daarom liggen in algemene sociale investeringen en niet in het officieel onderscheid maken naar ras.
Tegenstanders van de quota’s oefenen flinke druk uit op het Braziliaanse Congres om de wet niet te bekrachtigen. Meer dan de helft van de Braziliaanse openbare universiteiten is ondertussen echter zelf begonnen met de invoering van quota’s of andere vormen van positieve discriminatie, zoals extra pun-tentoekenning aan zwarte studenten. Bovendien subsidieert de overheid sinds 2005 beurzen voor zwar-te studenten op particuliere universiteiten. Er is zelfs een eerste ‘zwarte universiteit’ opgericht, Universi-dade Zumbi das Palmares, vernoemd naar de zeventiende-eeuwse slavenleider Zumbi en diens vrijstaat van gevluchte slaven, Palmares.
Socioloog Sodré ziet dat als positief. Naast zijn docentschap aan de Federale Universiteit van Rio de Janeiro is Sodré voor één ambtstermijn aangesteld als directeur van de Nationale Bibliotheek. In het prestigieuze gebouw aan de Avenida Rio Branco in het centrum van Rio heeft hij de vierde en hoogste verdieping tot zijn beschikking. Dat is bijzonder voor een man die als arme, donkere jongen opgroeide in de provincie Bahia, de provincie met de zwartste bevolking (tachtig procent), maar waar tot voor een paar jaar slechts vier procent van de studenten zwart was. Muniz Sodré: ‘Maar het belangrijkste vind ik dat ik universitair docent ben.’
Volgens Sodré was het rond de afschaffing van de slavernij in 1888 nog volkomen normaal om zwarten in hoogopgeleide functies te zien: ‘We hadden schrijvers als Machado de Assis, onderzoekers als Theo-doro Sampaio en zelfs al een zwarte president in 1909, Nilo Peçanha. Hij kwam dan wel uit een blanke familie, maar was duidelijk een bastaard, hij was zwart. Dat is later ontkend. Al heb ik het zelf niet nodig gehad, ik ben, in ieder geval tijdelijk, vóór de quota’s. Niet omdat ze de oplossing voor alles zijn, maar wel omdat ze de zwarte bevolking een grotere zichtbaarheid zullen geven op sleutelposities in de sa-menleving. Dat is, ondanks de problemen die het met zich mee heeft gebracht, ook in de VS gebeurd. Want men zegt wel dat uiterlijk niet alles is, maar ik geloof dat de politiek dat wel degelijk voor een groot deel wel is.’

Antropologe Yvonne Maggie, blank, net als Sodré werkzaam aan de Federale Universiteit van Rio de Janeiro, stelde daar een bundel artikelen tegenover, Gevaarlijke scheidingen, waarin antropologen en sociologen waarschuwen voor het ontstaan van rassenhaat door de invoering van de quota’s. Yvonne Maggie: ‘Ik geloof dat het werkelijke doel van deze zwarte bewegingen is om het land tussen zwarten en witten te verdelen, onder sterke invloed van de Verenigde Staten, die nu eenmaal graag de wereld wil-len domineren. Want waarom zou je proberen vuur met benzine te blussen? Ons probleem is geen ras-senprobleem, maar een economisch-sociaal probleem.’
Mariane Oliveira, 21 jaar, zwart, derdejaars rechten aan de Provinciale Universiteit van Rio de Janeiro (UERJ), gelooft echter niet dat de benadering van de tegenstanders erg reëel is: ‘Natuurlijk moet het onderwijs verbeteren, maar zolang dat niet gebeurt, en ik zie dat niet snel gebeuren, zijn de quota’s noodzakelijk.’ Zelf is ze aan de universiteit terechtgekomen dankzij het quotasysteem van de UERJ, die er al in 2003 mee begon. Een vijfde van de studieplaatsen gaat er naar zwarte studenten van openbare scholen. Oliveira wil strafrechtadvocate worden, om arme, veelal zwarte criminelen te verdedigen. Maar ze moet er keihard voor vechten. Mariane Oliveira: ‘Rond mijn vijftiende heb ik door stakingen van mijn leraren tien maanden geen school gehad. Mijn twee broers en ik hebben nooit hoeven werken, maar mijn ouders zijn arm. De eerste tweeënhalf jaar kon ik vaak maar twee keer per week naar les, omdat ik de bus niet kon betalen. Alleen het eerste jaar kregen we een beurs (van zeventig euro). Docenten zei-den voor mijn neus tegen de quota’s te zijn. Ze zeiden me incapabel te vinden. Maar onze groep groeit. Ze moeten inzien dat we er zijn en waar we toe in staat zijn.’