De ene stommiteit na de andere

De Atjeh-oorlog was niet afgelopen toen hij formeel werd beëindigd. De gevolgen zijn tot vandaag voelbaar. Dankzij de Nederlanders, die kwamen en gingen en chaos achterlieten.

De feiten zijn op het eerste gezicht duidelijk en voldoende bekend. Na eeuwenlang actief te zijn geweest in de Indische Archipel bedreef Nederland vanaf de negentiende eeuw conform de toenmalige gewoonte een agressievere politiek. Op de meeste plekken slaagde deze. Zo niet in het noordelijk deel van Sumatra, Atjeh, ’s werelds peperschuur. Atjeh werd vrij gelaten en bleef formeel zelfs een Turks protectoraat. Dit werd pas een probleem toen in 1869 het Suezkanaal openging en de scheepsroutes richting Oost-Azië noordelijker kwamen te liggen, langs Atjeh. Vandaar dat Nederland in 1871 met Engeland een deal sloot: in ruil voor bezittingen op de Afrikaanse Goudkust kreeg Nederland in Atjeh de vrije hand. Bij deze afspraak werd echter onvoldoende rekening gehouden met de wensen van de plaatselijke bevolking. Die was niet gediend van Nederlands bestuur. De uitkomst hiervan was een oorlog – een groot woord voor een lange serie schermutselingen met vele vijanden, maar dat terzijde. Volgens de boekjes duurde deze oorlog maar liefst dertig jaar, van 1873 tot 1904. Politiek-militair gezien begingen de Nederlanders hierbij de ene stommiteit na de andere. Pas dankzij de, als dat het juiste woord is, inzichten van islamgeleerde Christiaan Snouck Hurgronje en de harde hand van luitenant-generaal Johannes van Heutsz werd Atjeh gepacificeerd en de oorlog beëindigd.

Medium 14. 20van 20heutsz

Niet alleen de feiten, ook het beeld van de Atjeh-oorlog is eenvoudig en bekend. Aanvankelijk werd deze geheel in traditionele mannetjesputterstermen beschreven: opstandig tuig dat de noodzaak van de Nederlandse hand niet inzag en een lesje geleerd moest worden. Met name onder Van Heutsz en de zijnen gebeurde dit ook, doeltreffend volgens toenmalige inzichten, misdadig volgens de huidige. Het is dit laatste wat in het collectief geheugen bezonken is. Zo krijgen de verschillende Van Heutszmonumenten die Nederland rijk is regelmatig een lik uit de kritische verfpot. En vorige week nog, toen Ad van Liempt in Kampen een lezing hield in de tot voor kort geheten Van Heutszkazerne, liep mijn mailbox behoorlijk vol met geruzie over de vraag of Van Heutsz junior (die Obersturmbannführer bij de SS was) wellicht uit hetzelfde hout gesneden was als zijn vader. Een onzindiscussie maar dat doet er niet toe, het toont hoe diep de frustratie zit.

Zowel de feiten als de beeldvorming van de Atjeh-oorlog worden in dit meer dan prachtige boek van Anton Stolwijk ruimschoots uitgewerkt. Toch is dat niet wat beoogd wordt. Over de Atjeh-oorlog hebben we sinds lang het goede boek van Paul van ’t Veer, en ook door anderen is er meer dan genoeg over geschreven – nee, Stolwijk wilde iets anders want meende, terecht denk ik, dat het verhaal van de Atjeh-oorlog met de bekende feiten en dito beelden nog lang niet verteld is. Atjeh, zo stelt hij impliciet, is een palet van duizend kleuren. Waar je ook kijkt, hoe je het ook bekijkt, het panorama verandert. Vandaar ook dat zijn verhaal alle, vaak zeer verrassende kanten op gaat en de meest onwaarschijnlijke details betreft, van vechtende vrouwen tot spoken en van Ghanese soldaten tot kerkhoven, bruggen en spoorlijnen. In ieder geval doet Stolwijk iets volstrekt anders dan in historische boeken gebruikelijk is: chronologisch het verhaal vertellen, van voorspel via gebeurtenissen naar beeldvorming.

Stolwijk woonde geruime tijd in Atjeh – en dat is te merken. Zoals ook voor de huidige inwoners van dit deel van Sumatra is de Atjeh-oorlog voor hem geen dood verleden. Hij leeft, die oorlog, niet alleen in verhalen maar ook in ervaringen – vergelijk de rol die bij ons de Tweede Wereldoorlog speelt en vroeger de Tachtigjarige Oorlog speelde. Een van de talloze voorbeelden die Stolwijk hiervan geeft is zijn verslag van een argeloos bezoek aan een discussiegroepje van geschiedenisstudenten in de hoofdstad Banda Atjeh. Het wordt geen gezellige boel. Stolwijk wordt beschouwd als een representant van Nederland en moet zich verantwoorden, excuses maken, uitleggen. Als hij in zijn onschuld zegt dat de Atjeh-oorlog in Nederland zo goed als vergeten is, krijgt hij de wind van voren. ‘Vergéten?’ roept een meisje met een knalrode hoofddoek en bijpassende lippenstift. ‘Dat noem ik nou eens imperialistische arrogantie. Eerst een land zonder reden binnenvallen en het vervolgens zogenaamd vergeten!’

De methode die Stolwijk hanteert om aan te tonen dat de Atjeh-oorlog een levend verleden c.q. permanent heden is, is niet uniek, maar uitzonderlijk zijn wel de consequentie en vasthoudendheid waarmee hij deze methode toepast: ruimte en tijd, heden en verleden lopen in dit boek voortdurend door elkaar – en dat stoort nooit, integendeel.

Als Stolwijk in Banda Atjeh zegt dat de Atjeh-oorlog in Nederland zo goed als vergeten is, krijgt hij de wind van voren

Een fraai voorbeeld hiervan is zijn impliciete versmelting van het verhaal van de tsunami van 2004 met dat van de toenmalige gebeurtenissen. Atjeh lag het dichtst bij het epicentrum van de beving en werd van alle streken het zwaarst getroffen. Zo werd de hoofdstad voor ongeveer tachtig procent verwoest en verloren zo’n 140.000 mensen het leven. Door de wijze waarop Stolwijk hierover vertelt kun je bijna niet anders dan deze recente ramp associëren met de vreselijke, intussen genoegzaam bekende en hier opnieuw herhaalde verhalen over het optreden van de Nederlanders. Zo staat op pagina 212 van het boek een fotootje dat genomen werd na de verovering van Kuta Reh, een dorp in de Gayo-hooglanden, het binnenland van Atjeh. Op de voorgrond chaos en lijken. Op de achtergrond staat een halve cirkel toeschouwers – militairen. Het lijken wel toeristen die nieuwsgierig de gevolgen van een tsunami gadeslaan. Het belangrijkste verschil: ‘de toeristen’ hadden de tsunami zelf veroorzaakt.

In 1909, zo schrijft Stolwijk tegen het eind van zijn boek, werd de balans van de laatste fase van de Atjeh-oorlog opgemaakt. Meer dan twintigduizend doden aan Indonesische kant, ongeveer vijfhonderd doden aan de Nederlandse. Maar deze massale vernietiging is niet de enige reden dat de oorlog tegenwoordig nog zo leeft. Er komt bij dat hierdoor zo goed als heel de politiek-maatschappelijke infrastructuur verwoest werd. De gevolgen hiervan zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar en merkbaar. Dat verklaart ook waarom de Atjeh-oorlog niet afgelopen was toen hij formeel beëindigd was.

Vorige week stond op deze plek een voorpublicatie uit het boek. De tekst kwam uit een van de laatste hoofdstukken en gaat over de moorden die vanaf ongeveer 1920 op onschuldige burgers of militairen gepleegd werden. De Nederlanders begrepen er niets van. Atjeh was toch gepacificeerd? Alles was toch goed? Waarom waren er dan idioten die onder het aanroepen van Allah willekeurige mensen aanvielen? Om deze en andere gekken af te zonderen bouwden de Nederlanders in 1926 een groot gesticht op Pulau Weh, een eiland ten noorden van Sumatra. Geheel in overeenstemming met zijn methode brengt Stolwijk er een bezoek en citeert een tekst uit 1939 waarin gesproken wordt van palmbomen die gebruikt worden voor bouw-, timmer- en handwerk. ‘De palmen staan nog altijd keurig in het gelid’, schrijft hij in de laatste woorden van het hoofdstuk, ‘in onafzienbare rijen, als een soort monument voor alles wat de Nederlanders niet begrepen tijdens hun laatste jaren in Atjeh.’

Literaire nonfictie heet dat. In dit geval is ze niet alleen in haar constructie maar ook taalkundig van de beste soort.

Binnenkort verschijnt een zoveelste boek over het naoorlogse optreden van Nederlanders in Nederlands-Indië, van Remy Limpach. De centrale stelling ervan is dat er na 1945 door de Nederlanders geen incidenteel maar structureel geweld werd gebruikt. Stolwijk zegt op zijn manier niet anders, met als gevolg dat het patroon langzamerhand niet meer te ontkennen valt: er loopt een even rechte als treurige lijn van de Atjeh-oorlog naar de zogenaamde politionele acties.


Beeld: Generaal van Heutsz op expeditie in 1901 (Collectie KITLV, Leiden)