Interview met Blake Morrison

‘De Engelsen tonen makkelijker hun emoties’

Het nieuwe boek van Blake Morrison, South of the River, is een typische ‘state of the nation’-roman. Vijf personages proberen vast te stellen of het leven in Engeland onder Blair beter is geworden. ‘Mijn houding tegenover New Labour ligt ergens tussen naïviteit en cynisme.’

OP DE EERSTE DAG dat hij in Londen woonde, halverwege de jaren zeventig, zag Blake Morrison iets dat hem nog lang zou bijblijven: een vos. ‘Tijdens mijn jeugd in de Yorkshire Dales heb ik heel wat vossenjagers voorbij zien komen, maar het dier zelf had ik nog nooit gezien. En toen opeens in een van de grootste steden, tussen de rook en het beton…’ Ruim dertig jaar later is de vos alom tegenwoordig in South of the River (deze week in vertaling verschenen), een Zeitgeist_roman over de eerste helft van het Blair-tijdperk. ‘Deze periode begon met hoge verwachtingen die niet waar werden gemaakt, terwijl het wel had gekund’, zegt de 57-jarige schrijver met spijt in zijn stem.
We zitten in het atrium van Goldsmiths College, een universiteit aan de zuidoever van de Theems in de levendige achterbuurt New Cross. Om vier uur sluit de koffiejuffrouw haar toko, ongevoelig voor Morrisons verzoek om nog een kopje koffie voor hem en zijn buitenlandse gast. Morrison vertelt dat hij hier creatief schrijven doceert, een postdoctorale studie waar steeds meer belangstelling voor bestaat: ‘Vroeger bood alleen de Universiteit van East Anglia deze studie aan, maar nu kunnen mensen die dromen over het schrijverschap bij iedere universiteit terecht, een mode die uit Amerika is komen overwaaien. Ik heb soms het idee dat er tegenwoordig meer mensen schrijven dan lezen.’
Voor Morrison, vader van drie kinderen, is het docentschap, naast zo nu en dan een artikel voor _The Guardian
, een manier waarmee hij zijn schrijverschap kan financieren. Voorheen combineerde hij het met journalistiek werk. Tussen 1978 en 1995 zat hij als literatuurjournalist op de redacties van achtereenvolgens Times Literary Supplement, The Observer en The Independent on Sunday. In die tijd schreef hij prijswinnende gedichten (waarvan The Ballad of the Yorkshire Ripper de bekendste is), toneelstukken, de gefictionaliseerde studie As If over de moord op de peuter James Bulger en enkele memoires, waaronder And When Did You Last See Your Father? <br/>Uit het laatstgenoemde boek – dat verfilmd is met Colin Firth als Blake – blijkt dat Morrison opgroeide in een artsengezin waar de boekenkast een nevenfunctie bekleedde. Het enige boek dat zijn vader, voor de helft, had gelezen was Jaws. ‘Ik heb wat dat betreft mijn eigen weg moeten zoeken en daarbij veel te danken gehad aan een inspirerende docent Engels, een Ier nota bene, die me inwijdde in de wereld van de literatuur, van James Joyce, D.H. Lawrence, T.S. Eliot en W.H. Auden.’ Na zijn studie Engels in Nottingham en een jaartje Canada trok Morrison in de jaren zeventig naar Londen. Daar werkte hij aan zijn proefschrift over moderne poëzie en vond hij een baantje als docent Engels op een school in Lewisham, niet ver van zijn huidige werkplek.
Hij vestigde zich in Blackheath, een van de betere buurten aan de zuidoever die, anders dan de Rive Gauche, sinds mensenheugenis bekendstaat als grimmig, wetteloos en chaotisch. Als de ‘things’ na 1 mei 1997, de dag waarop Tony Blairs New Labour een monsteroverwinning behaalde bij de parlementsverkiezingen, ergens beter konden worden, dan was het wel in Zuid-Londen. Morrison geeft toe dat ook hij op die zonnige voorjaarsdag elf jaar geleden in een roes verkeerde: ‘Iedereen snakte naar verandering, naar jongere politici, vrouwelijke vooral, naar het onbekende, naar een schone lei. Over Blair zelf had ik al m’n twijfels. Toen ik hem voor het eerst zag spreken, tijdens de verkiezingscampagne van 1992, vroeg ik me af of hij wel bij de juiste partij zat. Hij leek een beetje op een verdwaalde Conservatief met een populistisch tintje. Waar hij precies voor stond, is me nooit helemaal duidelijk geworden.’
Hoewel South of the River, waar hij negen jaar aan werkte, een typische ‘state of the nation’-roman is, heeft Morrison ervoor gezorgd dat het geen politieke analyse is geworden. De vraag of het leven onder Blair beter is geworden, wordt beantwoord aan de hand van vijf personages, vier in Zuid-Londen en eentje op het platteland van Suffolk: ‘Ik heb dat idee uit Jonathan Franzens The Corrections, een serieuze, vermakelijke soapopera over vijf familieleden tegen een politieke achtergrond.’
Het meest autobiografische personage is de wat tragische Nat, die creatief schrijven doceert in de Mandelatoren (voorheen Galileitoren) van een Zuid-Londense hogeschool. Liever wil hij zelf schrijver worden, maar het schiet niet op, te meer daar hij, wegens luiheid en een gebrek aan fantasie, alleen op vrijdag schrijft. Hij is dolgelukkig met Blairs opkomst, maar ook een van de eersten die teleurgesteld afhaakt wanneer blijkt dat Blair goed overweg kan met Bush. Hoewel hij politiek gezien overkomt als een typische naïeve liberal is Nat tegelijkertijd ook ouderwets, zo beaamt Morrison: ‘Hij wil niets met mobiele telefoons te maken hebben, gaat tekeer tegen hedendaags proza en besluit op het einde toch maar pijp te gaan roken.’
Waar de miskende intellectueel Nat mopperend voortmoddert, breken er voor zijn apolitieke vrouw Libby zakelijk gezien goede tijden aan, vooral omdat ze werkzaam is in public relations en marketing. Terwijl Libby het geld binnenbrengt, krijgt Nat een relatie met een van zijn studenten, Anthea. Een idealiste die steeds meer baalt van haar betrekking als boomambtenaar bij de gemeente Greenwich en gedesillusioneerd raakt over het fenomeen ‘creatief schrijven’. Nats zweverigheid staat in schril contrast met de nuchterheid van zijn vriend Harry, een zwarte journalist die niets gelooft van alle beloften van New Labour. In de roman schrijft hij het verhaal van zijn leven over de moord op een driejarig jongetje, een zaak waar zelfs de spindoctors van New Labour bij betrokken blijken te zijn.
De vreemde eend in de bijt is het vijfde personage: Nats oom Jack. Deze ouderwetse eigenaar van een verliesgevend grasmaaierbedrijf tolereert Blair juist vanwege diens nauwe band met de Amerikanen en bijbehorende strijd tegen terrorisme. Echter, het belangrijkste onderwerp voor Jack is het verbod op een bezigheid welke de ziel en zaligheid van zijn leven vormt: de vossenjacht: ‘Van alle personages heeft Jack, voor wie het “land” hetzelfde is als het “platteland”, het meest te lijden tijdens de Blair-jaren. Niet alleen wat betreft het verbod op de vossenjacht, alhoewel dat wel symbolisch is, maar ook door de teloorgang van zijn bedrijfje. Ten eerste is de vraag naar grasmaaiers verbonden met het lot van het platteland en ten tweede wordt er in dit land steeds minder geproduceerd. Wat wordt er nog gemaakt in het hedendaagse Engeland? Er wordt hier alleen maar gekocht, verkocht en geadverteerd.’
Waar Jack op vossen jaagt, daar hebben de andere vier een andere relatie met de vos. Anthea schrijft verhalen over sprookjesvossen. Als Anthea is verdwenen, verdiept Nat zich in mythen waar vossen in voorkomen. Harry is gefascineerd door een verhaal, een stadslegende wellicht, dat een vos een baby aangevallen heeft. Libby haat vossen, omdat ze ze ziet als ongenode, stinkende bezoekers in een door haar gecontroleerde wereld, maar ziet wel een rol voor ze weggelegd in reclamefilmpjes die in de creativiteitsruimte zijn bedacht. Terwijl de plattelandsvos als vijand wordt gezien, is de stadsvos immers een soort openbaar huisdier van de Londenaren geworden, eentje met een hoog aaibaarheidsgehalte.
Deze touchy-feely-houding lijkt te passen bij de tijdgeest. Ergens in het boek schrijft Morrison dat de brandende vraag van deze tijd is: How do you feel? ‘De Engelsen tonen gemakkelijker hun emoties. Dat werd een paar maanden na Blairs verkiezing al duidelijk bij de begrafenis van Diana. Of het iets nieuws is, betwijfel ik trouwens. Ik las een tijdje geleden een boek over de verdrinking van twee kinderen uit de arbeidersklasse, een eeuw geleden in Zuid-Londen. Er werden bergen bloemen achtergelaten. Binnen de arbeidersklasse was dit vertoon van rouw dus niet ongebruikelijk. Het verschil is dat het nu wijdverspreid is, tot en met het nieuwe politieke establishment aan toe.’
Sterker, de winnaars van de Blair-jaren vertonen karaktertrekken van de vos. ‘Om te overleven in de harde wereld moeten ze foxy zijn, gezegend met een machiavellistische geslepenheid’, beweert Morrison. Deze geniepigheid komt naar voren bij een Kamerlid van New Labour, een oude studiegenoot van Nat, die met Jack meegaat op vossenjacht, zogenaamd om zijn standpunt te bepalen, maar in werkelijkheid om munitie te verzamelen voor een toespraak zodat hij zijn weerzin tegen de jacht kracht bij kan zetten. Foxy heeft echter nog een andere betekenis, vervolgt Morrison. ‘Waar het bij mannen pejoratief is, daar is foxy in vrouwelijke zin juist complimenteus, staat het gelijk aan sexy, onweerstaanbaar en katachtig.’
Deze combinatie van betekenissen lijkt Morrisons gemengde gevoelens tegenover New Labour te symboliseren: ‘Er is vooruitgang geboekt waar het gaat om de houding ten opzichte van minderheden, de vrede in Noord-Ierland en de welvaart, al is het gat tussen rijk en arm groter geworden dan je had mogen verwachten onder een sociaal-democratische regering. Echter, de Irakoorlog, de miljoenen veiligheidscamera’s en de corruptie werpen een lange schaduw. Mijn houding tegenover New Labour ligt ergens tussen de naïviteit van Nat en het cynisme van Harry. Maar ik moet erkennen dat ik, hoewel ik van alle personages het minst met hem gemeen heb, tijdens het schrijven steeds meer sympathie kreeg voor Jack…’

Blake Morrison, Ten zuiden van de rivier. Vertaald door Ronald Cohen. Nieuw-Amsterdam, 613 blz., € 22,50. Het eerdere werk van Morrison verscheen in vertaling bij Nijgh & Van Ditmar