Profiel: Carlos Kleiber

De Enige

Veel grote dirigenten zijn treurig. Ze kleineren collega’s en orkestleden, maken reclame voor Rolex en verdraaien met routine gaven Beethoven en Bruckner. Van Carlos Kleiber hield ik veel omdat hij beter was dan zijn vakbroeders, hun wereld verafschuwde, en als de dood was voor de eisen die zijn ethos van hem eiste. Grote kunst is griezelig volmaakt, je bent als doorgeefluik nooit goed genoeg. Dat zal het zijn waarom collega’s hem bewonderden: hij droeg hun zwakte zichtbaar op zijn sterke schouders als een boze martelaar, een Christus.

En dat terwijl een doelwit voor die eerbied al zo lang was weggevallen. Sinds een jaar of vijf trad Kleiber niet meer op. Hij gaf ook geen interviews, wat ik erg sympathiek van hem vond. Hij hield zich schuil. Liefst thuis, ergens in de buurt van München. Na een lang ziekbed ging hij helemaal in stijl in stilte dood, op 13 juli. Het kwam pas dagen later uit. Misschien is het zijn laatste grap, dat doodgaan. En blijkt hij net als Friedrich Gulda, die jaren voor hij echt bezweek zijn dood verzon, gewoon te leven. Maar ik denk het niet. En als hij leeft, bedoelt hij met zijn grap dat hij als dirigent gestorven is.

Zijn loopbaan intrigeert me al een leven lang. Carlos Kleiber (1930) is een boek. Zoon van een vader, Erich Kleiber, die als dirigent ook al een grootheid was, of daarvoor doorging. Al gaat ook het verhaal dat Carlos’ echte vader Alban Berg was, de componist wiens Wozzeck in première werd gebracht door Erich. Het zou geen mens verbazen: Carlos en Alban lijken op elkaar. Sensibele, karaktervolle koppen met een zweem van zwakke décadence, die mooi is.

Erich vlucht voor de nazi’s naar Argenti nië, waar Carlos opgroeit. Eind jaren veertig studeert de zoon kortstondig scheikunde, waarna hij toch voor de muziek kiest. Hij werkt als operadirigent in Zürich, Stuttgart, München, maar vaste posten heeft hij na zijn 38ste niet meer. Hij wordt steeds groter, steeds geconcentreerder, legendarischer. Zijn grilligheid en perfectionisme ontwikkelen de voor mythevorming vereiste graad van buitensporigheid. Even berucht als zijn afzeggingen op het allerlaatste moment zijn Kleibers eindeloze repetitiesessies.

Hij wordt een superspecialist. Als een terriër bijt hij zich vast in het handvol topstukken dat de oude Kleiber ook al dirigeerde. Beethovens Vijfde, de Rosenkavalier van Strauss en Wozzeck. Al zag ik hem nooit live, ik heb een vaag idee van hoe dat is geweest. Op een video van de Rosenkavalier staat een bezeten Kleiber met een roesachtige drukte achtbanen te zwaaien, zo intens dat je een ogenblik denkt in te zien waarom hij paal en perk begon te stellen aan zijn repertoire en agenda: meer was dodelijk.

Ter ere van de gouden dode draai ik nu, met dank aan Deutsche Grammophon, het voorspel van La Traviata. Zachte strijkers zingen Kleiber lief het graf in op zijn eigen ritme. Er is een overeenkomst tussen deze Verdi en het andere in het geslepen mini repertoire dat de grote schraalhans voor Orfeo en DG dan toch maar opnam: de Vierde Brahms, drie Beethovens, Wagners Tristan, Webers Freischütz, de Onvoltooide en de Derde symfonie van Schubert. Hier klinkt, namens de dirigent, een macht die tragisch wordt omdat hij nergens opschept. De algemene indruk, naast de treffende perfectie van het spel: een beeld van wendbaarheid en van verblindende veelvuldigheid, naar timbre en frasering. De kleurenfragmentatie met behoud van eenheid. Sinds Carlos Kleiber heeft het woord «caleidoscopisch» weer betekenis.

Het strijkerskorps schiet door de ziel als infrarood maar zonder het gemene van gebundeld licht. Onder de huid verstrooit dat licht tot beeld, tot een boeket van duizend bloemen, alle met hun eigen geur en kleur. Toch zingt het homofoon, want uit één wil geboren. Het is zo groot en toch zo klein — van weemoed en vergaan — als het in Verdi’s Traviata moet, waar al het mooie van de liefde sterft aan geborneerdheid en aan misverstanden en de tering.

Zo zingt het leven naar de dood, te klein voor al dat grote. Dat Kleiber het zo hoorbaar zo gehoord heeft, stemt tot nadenken. Misschien verklaart het, meer nog dan zijn afkeer van de sterrenindustrie, wat hem ertoe gedreven heeft de podia te mijden. Heeft hij gevoeld dat al het schone door de dood vergeefs wordt, omdat het op een kwade dag niet meer kan worden doorgegeven of ontvangen. Heeft hij gezien dat hij voor niets de strijd aanbond tegen het Filistijnse van de vlakte rond zijn Tafelberg. En heeft dat defaitisme hem verzoend met de immense angst voor het gevecht die bergbeklimmers onderdrukken met hun domme gretigheid. Wie ziet hoe goed hij wel moet zijn, en weet dat het niet helpt, wordt radeloos. En houdt zich vast aan wat hem nog aan tastbaars rest, de mensen en de dingen. Volgens de over levering heeft Kleiber tegen Bernstein ooit gezegd dat hij graag wilde leven als een plant: «In de tuin groeien, in de zon zitten, eten, drinken, slapen, de liefde bedrijven, niets anders.»

Orkestmusici die met hem werkten zeiden verbaasd dat Kleiber tijdens repetities zo onzeker leek, verlegen en onhandig. Zijn deemoed kan onmogelijk theater zijn geweest. De echte dirigent, een man die mens is met de mensen, schaamt zich voor het vuile van zijn werk. Zijn zending dwingt tot despotisme. Dat is omdat de hoogheid van een staanplaats op de bok ertoe verleidt maar ook omdat orkesten het zo willen. Orkesten willen helderheid en helderheid is macht die zich niet indekt maar de aanval kiest. Dat maestro’s zeggen hoe het moet, en als het kan meer met gebaren dan met woorden. Het woord stinkt al naar zelfverdediging: laat mij u zeggen hoe ik Beethoven bedoel. Het gebaar intussen staat voor zekerheid, vanzelfsprekendheid. Dat spreekt de muzikanten aan zoals een God zijn kudde. Heer, beveel. Wij volgen.

Ik heb me voorgesteld hoe hij leefde. Ik heb me voorgesteld hoe ik hem ergens in een grote stad ontmoette. En bedacht wat hij dan zeggen zou. Eén maal heeft het beeld van een fictieve confrontatie me uitvoerig in een droom bezocht.

Ik moet voor hem naar Hamburg. Na jaren brieven schrijven heeft hij toegestemd in een gesprek. We hebben twee uur ’s middags afgesproken in hotel de Vier Jahreszeiten. Twee uur. Zijn secretaris, die ik van foto’s ken, zal me in de lobby aan hem voorstellen. Aan de telefoon geef ik voor alle zekerheid ook mijn signalement.

De wereld van de Jahreszeiten is volmaakt, net als het muzikale universum van mijn held. Ik ben de enige die faalt. Wat is het groot en dreigend, dat hotel. Het fatalisme slaat me als een zweetdamp van de leden: niets heb ik hem, De Enige, te zeggen. Met mijn mobiele telefoon, een kladblok en mijn laptop strijk ik in de lobby neer, waar ik, nog half onttakeld van de schrik over de ambiance, mijn thee bestel met Apfelstrudel.

Dan zie ik Kleiber in de hal staan, in gezelschap van een onbekende. Niet de secretaris die me was beloofd. Ik zie ze praten met elkaar. De onbekende, man in pak, stapt na het afscheid in de lift. Bizar is dat ik Kleiber niet zag binnenkomen, terwijl ik al die tijd mijn blik gericht hield op de lift, de ingang en het trappenhuis.

Kleiber lijkt niet op de Kleiber die ik ken. Deze is anders. Zijn kop is zwakker dan op foto’s. Hij geeft een hand en zegt zozo en neemt aan tafel plaats, zijn handen op het tafelblad. Hij kijkt als iemand zonder tijd; hij komt onmiddellijk ter zake. Mijn hoofd is heet; spontane hoofdpijn.

Buiten schiet de Binnenalster, binnenwater als een buitenvijver, vonken als een glitterjurk.

U wilde mij ontmoeten, zegt hij. Wel, hier ben ik dan.

Das freut mich sehr, zeg ik.

Het laat hem zichtbaar koud, hoe de ontmoeting mij verheugt.

Hoe maakt u het? vraagt hij. Het is onthutsend duidelijk dat hij dat niet wil weten.

Uitstekend, zeg ik laf.

U schrijft mij brieven, zegt De Enige. Dat moet u niet doen.

– Maar ik vind u zeer interessant.

– Dat zegt meer over u dan over mij. Een musicus is een machine. Bouten en moeren. Niks aan te verklaren. Niets psychologisch. Ik betreur het zeer dat u uw tijd aan mij verspilt.

De spanning die ik voel zie ik weerspiegeld in zijn flauwe ogen, die me nauwelijks aankijken. Het is alsof ik niet voor hem besta. Veracht hij me? Er is een onrust tussen ons die niet meer weggaat.

Ik zwijg.

Waar denkt u aan? vraagt Kleiber plotseling.

Aan niets in het bijzonder, zeg ik dapper.

Waarom heb ik Kleiber niet zien binnenkomen? Dat is wat ik hem na een seconde van onmeetbare vertwijfeling ten slotte vraag.

De man die zonder twijfel Kleiber is zegt me: ik heb hier al die tijd gezeten, bij het raam. En de secretaris is ziek. Hij laat de groeten doen. Der hat die Grippe.

Maar ik heb overal gekeken en u niet gezien, zeg ik.

Bent u nu journalist? vraagt hij. De lach die bij die woorden hoort blijft binnenboord.

Het lijkt me niet verstandig op de vraag te reageren.

Ik zou zo graag een keer uitvoerig met u praten, zeg ik. Dat is alles. Wacht u nou eerst eens af wat ik wil vragen.

– Ik ben niet interessant.

Ik wil een boek over u schrijven, zeg ik dan.

Ik wens u veel succes, zegt Kleiber. Laat u zich niet weerhouden. Wanneer komt het?

Het kan niet zonder u, zeg ik.

U doet het al uw hele leven zonder mij, zegt Kleiber. En is dat ooit een echt probleem geweest?

Dat is de vraag, zeg ik. Ik kan niet zeggen wat ik zeggen moet. Dat ik zijn slechtheid, alle machtigen zijn slecht, voor eens en altijd wil begrijpen — is het überhaupt een argument?

U moet een boek maken over een waardeloze dirigent, zegt Kleiber. Daar zijn er genoeg van. Een slechte musicus is interessanter dan een goede. De prutser draagt een last, die wil de biecht, die wil zijn pijn uitschreeuwen. En daar bent u dan voor. U bent de psycholoog, dat is u aan te zien; de ander zoekt u. Het is een ideale situatie.

Een slechte dirigent heeft geen geheimen, zeg ik.

Ik ben de vlakste man ter wereld, zegt De Enige. Ik sla de maat voor honderd musici die ondertussen noten lezen, zodat ze kunnen spelen wat er staat. Ze doen het graag voor me. Dat is het voordeel van een mooie reputatie. Corrupter kan het niet. Voor Karajan sprongen ze ook zo in de houding. Een waardeloos mens, een geslepen misdadiger.

Dirigeren is magie, zeg ik.

Fraude is het, zegt De Enige. Walgelijke fraude. Ik voel me als een God die om zijn schepping wordt geloofd en niet kan zeggen dat het vuile werk door anderen is opgeknapt. Ik ben een waardeloos mens. Nog waardelozer dan vriend Karajan, die op miljoenenjachten voer, zijn vliegbrevetten haalde, kapitalen binnensleepte. Moet u niets opschrijven?

Zijn slechtheid is volmaakt. Hij maakt gebruik van een talent dat hem niets kost, zijn macht over de mensen. Volmaakt, volmaakt, volmaakt.

Volmaakt, zeg ik. Kleiber gaat er niet op in, alsof hij inziet dat het woord, als lucht uit een niet afgedicht ventiel, per ongeluk ontsnapt aan mijn gedachten.

Bent u de zoon van Alban Berg? vraag ik. Ik heb het toch verpest, de schande van de vraag kan niet meer schaden.

En Kleiber zegt: ik ben de zoon van God. Hij lacht. En hij staat op. En hij verdwijnt. Het is de laatste keer dat ik hem heb gezien.

De droom is uit.