Booker Prize voor David Mitchell

De entropie in onze natuur

Graa Boomsma voorspelt dat de Booker Prize 2004 deze week is gewonnen door David Mitchell.

Op de shortlist van de ManBooker Prize 2004 stond een bont gezelschap schrijvers dat dit jaar de kosmopolitische kwaliteiten van de Engelstalige literatuur buiten Amerika uitstekend weerspiegelt: I’ll Go to Bed at Noon van Gerard Woodward, The Elektric Michelangelo van Sarah Hall, Bitter Fruit van Achmat Dangor, The Line of Beauty van Alan Hollinghurst, The Master van Colm Tóibín en Cloud Atlas van David Mitchell.

In I’ll Go to Bed at Noon componeert dichter en schrijver Gerard Woodward (1961) – die eerder twee familieromans publiceerde – alcoholisme, arbeideris tisch marxisme en zelfdestructiedrift tot een spannend verhaal waarin zijn heldin Colette Jones het alcoholische tij wenst te keren en daarbij zichzelf tegenkomt. Verslaving is Woodwards hoofdthema en hij gaat er hyperbolisch en karikaturaal mee om. De lezer glimlacht af en toe, denkt met weemoed aan Malcolm Lowry’s alcoholroman Under the Volcano en blijft na de lectuur van I’ll Go to Bed at Noon onberoerd en met een kater achter. Dan komt The Electric Michelangelo van Sarah Hall (1974) harder aan. De roman is het levensverhaal van de in 1907 geboren tatoeagekunstenaar Cy(ril) Parks. Zijn jeugd brengt hij aan zee door in de nabijheid van een herstellingsoord voor tbc-patiënten. De kunst van het tatoeëren leert Cy van een vuilbekkende zuipschuit die zijn naaldengereedschap een freudiaanse betekenis toedicht: «Schoonheid en destructie, dacht Cy, ziedaar een kunstgreep.» Liefde en dood drijven Cy naar Amerika, waar hij op Coney Island uitgroeit tot een «elektrische Michelangelo» die in de ban raakt van de Oost-Europese emigrante Grace, circusartieste met paardenact. Zij wil dat hij haar hele lijf tatoeëert met ogen. «Tegen de zomer van 1940 prijkten er honderdnegen tatoeages op Graces lijf, van haar voet zolen tot aan haar hals, zodat ze eruitzag als een uitzonderlijke boom van ogen.» Maar «the lady with many eyes», Cy’s eigen Sixtijnse Kapel, ziet niet dat ze met haar nieuwe lijf anderen de ogen uitsteekt. De huid als grootste orgaan is ook zeer kwetsbaar. Paardenliefhebster Grace weet al in 1940 dat er plekken op aarde bestaan waar joden worden getatoeëerd. «Tatoeëer ze. Als het brand merken van vee. Als het stempelen van eieren.» Schoonheid leidt andermaal tot destructie in The Electric Michelangelo, tot onherstelbare schade. Er volgt wel wraak maar ook een vlucht terug. En dan lijkt alles opnieuw te beginnen. Halls roman is een bewust trage en al te traditioneel-poëtische vertelling, schatplichtig aan D.H. Lawrence, dat wil zeggen een lang voorspel gevolgd door een gewelddadig seksuele daad.

De meest politieke roman – van het subtielere soort – komt van de uit Johannesburg afkomstige Achmat Dangor (1948). Hij werkte voor Nelson Man dela’s regering en is nu werkzaam voor het Unaids-programma van de Verenigde Naties. Zijn roman Bitter Fruit is een genuanceerde vertelling over de «naweeën» in het Zuid-Afrika van Mandela van een verkrachting in het apartheidstijdperk. Het «nieuwe» Zuid-Afrika is nog geen hemel op aarde en het racisme verdween niet bij de vrijlating van Mandela: «De wereld werd genaaid, en dat allemaal voor een vaag principe. Wet en orde, dat is de grap die de blanken ons verkochten. Deden ons de regering cadeau maar hielden het geld. Nu houden we onszelf eronder.» In Bitter Fruit wordt een gezin twintig jaar na dato geconfronteerd met de verkrachting die meer sporen blijkt te hebben nagelaten dan gedacht. Is de zoon de zoon wel of is hij een bastaard? De bittere pil wordt door iedereen op een andere manier geslikt. Seksualiteit, geweld en incestneigingen gaan onverwacht door elkaar heen lopen, en Dangor beschrijft die verknopingen zonder (indirect) moralistisch commentaar, waardoor de roman des te verontrustender wordt. Verkrachting is iets wat mensen niet vergeten of vergeven. «In oude tijden braken de veroveraars de wil van de veroverden door de vrouwen zwanger te maken. Het is een klassieke vorm van genocide. (…) Je verovert een natie door van de kinderen bastaards te maken.» In Bitter Fruit kunnen seksualiteit, verraad, haat en zelfhaat niet los van elkaar gezien worden. De roman presenteert een genuanceerd beeld van een ogenschijnlijk «bevrijd» Zuid-Afrika dat lijkt af te stevenen op een moderne managersmaatschappij, maar altijd nog de littekens draagt van de apartheid.

Henry James’ geest zweeft boven twee romans van de ManBooker Prize-shortlist 2004: The Line of Beauty van Alan Hollinghurst (1954) en The Master van Colm Tóibín (1955). Hollinghurst, ex-literatuurdocent in Oxford en ex-Times Literary Supplement-redacteur, heeft de meest Britse roman van het zestal genomineerden geschreven: een verhaal dat zich afspeelt in het Thatcher-tijdperk van de jaren tachtig waarin (stiekeme) homoseksualiteit, Conservatieve politiek, machtsmisbruik, vriendjespolitiek, understatementhumor en aids (op de achtergrond) een typisch Engels huwelijk aangaan. Duizendmaal déjà-lu en ook nog in het tempo van een slak die luiert. Hoofdfiguur Nick Guest, inwonend bij een Conservatief Lagerhuislid, heeft een lievelingsauteur: Henry James, «de meester» met een stijl die zowel dingen verhult als onthult. Inderdaad, wie James leest, weet dat er altijd iets onverwachts tussen de regels door op de loer ligt. Maar wie Hollinghurst doorworstelt, ziet alles van verre aankomen. De overpeinzingen van Hollinghurst over James in The Line of Beauty (niet alleen de titel is een flauwe woordspeling – «in the line of duty») zijn stuk voor stuk obligaat. De mooiste zin uit Hollinghursts belegen zedenschets is deze over de dood van Edgar Allan Poe: «The extremity of personal abscence had just overtaken him.» Maar dat is een zin van Henry James die probeert de dood, het raadsel van de plotselinge afwezigheid, te definiëren. Afwezigheid in The Line of Beauty, in welke vorm dan ook, is een farce of wordt bedekt onder vals pathos. Taboe doorbrekend Brits proza? Niets van gemerkt. Een nieuw licht op Henry James’ monumentale proza? Nergens. Blijft over een vederlichte vertelling die koketteert met de mentaliteit van de Britse sensatiepers. Als Hollinghurst deze week de Booker Prize 2004 heeft gewonnen, heeft dat niets met literaire kwaliteit te maken.

Dan gaat de Ier Colm Tóibín veel oorspronkelijker, inventiever en esthetischer te werk in zijn vie romancée The Master. Natuurlijk is de James-kenner die deze Tóibín leest in het voordeel, hij herkent sneller verhalen en romans van James die Tóibín nauwgezet reconstrueert. Uit het overvloedig biografisch materiaal dat over James bestaat – waaronder de vijfdelige biografie van Leon Edel, de dagboeken en de brieven van Henry James en zijn broer William – kiest Tóibín de fragmenten die gaan over James’ eeuwige dilemma: meedoen met het bestaan of terugtrekken; leven of schrijven; seksueel partij kiezen of scherp blijven waarnemen? Zijn leven lang werd James achtervolgd door «spoken» en doden, door gemiste kansen, door zijn verlangen te participeren én door zijn schrijflust die alles en iedereen overheerst. Henry James’ leven is een verhaal vol «amputaties» en tekort komingen van een waarnemer die wel kan verwoorden wat schoonheid is maar die nooit van die schoonheid heeft willen of kunnen proeven. Tóibíns portret van de «man of letters» James heeft een hoog esthetisch gehalte. Zijn proza is beeldend en jamesiaans suggestief. Nergens wordt James’ (wel of niet geconsumeerde) homoseksualiteit op ranzig Hollinghurst-niveau aangeboden. Tóibíns literaire reconstructie van Henry James’ leven vol retirades en vluchten (geen moment bezat hij het provocerende gedrag en het lef van Oscar Wilde) heeft wel een nadeel, een tekortkoming die in James’ Aspern Papers een hoofdthema is: kan en mag een schrijver en zijn werk worden teruggebracht, verkleind tot een gevonden bundel brieven, tot een schrijvers dagboek, tot een biografie? Nee, is het hartstochtelijke antwoord van James zelf, die veel van zijn eigen leven vast legde in brieven en dagboeken maar die meer dan één geheim meenam in zijn graf. Colm Tóibín lijkt een ander antwoord te hebben wanneer hij James’ spookverhaal The Turn of the Screw of de novelle Daisy Miller en de schitterende roman The Portrait of a Lady reduceert tot een relaas ontstaan uit de wroeging rond de dood van James’ zus Alice. Maar toch, The Master is prachtig geschreven en kent een paar onvergetelijke beelden.

David Mitchell (1969), die jaren in Japan heeft gewoond en nu in Ierland leeft, heeft van de zes genomineerden verreweg de literair meest gedurfde en thematisch scherpste roman geschreven. Roman? Het zijn eigenlijk zes ingenieus met elkaar verbonden romans die elk apart ook voor een Booker Prize in aanmerking zouden kunnen komen. Cloud Atlas is het beste te omschrijven als een palindroomroman die knipoogt naar William T. Vollmanns palindroomroman The Atlas (1996): «negen» is van links naar rechts en andersom hetzelfde, het openingsverhaal van Cloud Atlas krijgt een vervolg als slot, het tweede verhaal wordt hernomen als op één na laatste en zo verder. De tijd in Cloud Atlas is geen pijl van vroeger naar later maar een boemerang, Nietzsches eeuwige terugkeer van hetzelfde: van genesis naar Apocalyps naar genesis enzovoort. Het hart van Mitchells megaroman – laten we zeggen de «g» van de negen – is een schitterende mythisch-bijbelse genesisvertelling na de zoveelste zondeval over de geitenherder Zachry en andere «Valleimensen» als geheugen loze slaven die hun godin Sonmi vereren en dromen over de terugkeer van de verdwenen menselijke beschaving. Die verdwenen beschaving wordt belichaamd door Meronym, een donkerhuidige Vooruitziende die als een ware antropologe de Valleimensen observeert. Ze heeft een soort zilveren ei bij zich (een orison, een soort gebedsmolen vol beelden) die geitenherder Zachry stiekem bekijkt. Hij ziet een spookmeisje (Sonmi!) dat vragen beantwoordt van een man buiten beeld.

Op dat punt in het verhaal aangekomen heeft de lezer al een paar betekenisvolle verbanden kunnen leggen met het verhaal dat de kernvertelling van Cloud Atlas insluit: An Orison of Sonmi-451. Is de Zachry-taal nog «primitief», bijgelovig en Cockney-achtig, het joyceaanse vraag- en antwoordspel rond de aanvankelijk gevoelloze slaaf («fabricant») Sonmi roept een wereld op die doet denken aan Huxleys Brave New World en Orwells 1984, visionaire romans die gaan over machtshonger, denk- en gevoelsdwang en escapisme. Ook in het Sonmi-verhaal, zich afspelend in een soort radioactief «wasteland», botsen de «purebloods» op de onderdrukte «fabricants» en spelen ogenschijnlijk nietige details een grote rol binnen het ingenieuze raamwerk Cloud Atlas: bijvoorbeeld Sonmi’s moedervlek, tussen schouderblad en sleutelbeen, in de vorm van een komeet. En die komeet schiet op onverwachte momenten door Mitchells meesterwerk heen, misschien ook door The Gastly Ordeal of Timothy Cavendish, een bijzonder geestig verhaal over een uitgever die in een onbewaakt ogenblik vast komt te zitten in een verzorgingstehuis met een dictatoriale directie. Cavendish wil de politiethriller The First Luisa Rey Mystery uitgeven, over een journaliste die jaagt op een geheim rapport over de gevaren van een «lekkende» kerncentrale. Of dat lukt? Laat ik maar ophouden, anders geef ik te veel weg. Want ook die Amerikaanse jaren-zeventigthriller, die weer doet denken aan de Hollywoodfilm The China Syndrome met Meryl Streep, staat in Cloud Atlas.

David Mitchells Cloud Atlas is een magistrale roman die begint en eindigt met een negentiende-eeuws scheepsverhaal à la Melville en Conrad waarin een bont gezelschap schepelingen uit alle windstreken de ziekte die kolonialisme heet op het dek uitvecht. Ook deze vertelling balanceert op de rand van hoop en wanhoop, verloedering en beschaving, zondeval en civilisatie. Mitchells roman concentreert zich op de onzichtbare krachten die de mens van het kastje naar de muur sturen: macht, tijd, zwaartekracht en liefde. Alles is hopeloos, nee, er is nog hoop als er ergens een doos van Pandora is. Aan het slot gaat de Amerikaanse zeeman Adam Ewing na 1850 terug naar San Francisco om mee te kunnen doen aan de strijd van de Abolitionisten (tegen de slavenhandel), hoewel hij zich met Joseph Conrad afvraagt of de menselijke ziel niet wordt verpest door eigenbelang en egoïsme: «Is this the entropy written within our nature?»

Een van de verklaringen voor de titel en de vorm van Cloud Atlas staat in het verhaal over een briljante jonge Engelse componist die in het Vlaanderen van de jaren dertig ongelukkig in de liefde en gelukkig in de muziek is. De lezer van Cloud Atlas komt in een brief aan de latere kernenergiegeleerde Sixsmith (Mitchell smeedt in Cloud Atlas zes verhalen aan elkaar) een overpeinzing tegen over de compositie in aanbouw. De componist en toekomstige zelfmoordenaar is bezig de fragmenten om te werken tot een «sextet voor overlappende solo isten: piano, klarinet, cello, fluit, hobo en viool, elk in een eigen taalstijl, toon en kleur. In de eerste set wordt elke solo onderbroken door de daaropvolgende; in de tweede wordt elke interruptie weer voortgezet, chronologisch. Revolutionair of gimmick-achtig?».

Revolutionair, zou ik zeggen. David Mitchells Cloud Atlas Sextet klinkt als een klok die het einde der tijden én het begin van een nieuwe tijd tegelijkertijd wil aankondigen. Zes romans in één band, zes prachtige solo’s die elkaar onderbreken, aanvullen en becommentariëren, zes vertellingen uit verleden en heden en toekomst die een zee aan mogelijkheden opleveren. Om de slotverzuchting in Cloud Atlas van de Amerikaanse zeeman Adam Ewing te citeren: «Yet what is any ocean but a multitude of drops?»

Op dinsdag 19 oktober heeft de ManBooker Prize-jury gesproken, David Mitchell uitverkoren en zijn palindroom roman luid geprezen.

Als ik de uitslag niet juist heb voorspeld zegt dat iets over de moed van de Britse Booker Prize-jury.

David Mitchell

Cloud Atlas

Sceptre, 531 blz., € 13,60 (de vertaling Wolkenatlas: deze maand bij Querido)

Sarah Hall

The Electric Michelangelo

Faber and Faber, 340 blz., € 20,50

Achmat Dangor

Bitter Fruit

Atlantic Books, 281 blz., € 15,95

Alan Hollinghurst

The Line of Beauty

Picador, 501 blz., € 19,95

Colm Tóibín

The Master

Picador, 360 blz., € 24,-
Gerard Wood

I’ll Go to Bed at Noon

Chatto & Windus, 298 blz., € 19,90