De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Corona: Denkers over het virus #7 Marco d’Eramo

De epidemie van de filosoof

De komende weken zal Menno Grootveld stukken selecteren en vertalen van denkers over corona in de internationale pers. In aflevering 7: Marco dʼEramo.

De constructie van de Koepelgevangenis in Haarlem.

‘Er zal geen herstel zijn. Er zal sociale onrust zijn. Er zal geweld zijn. Er zullen sociaal-economische gevolgen zijn: dramatische werkloosheid. Burgers zullen vreselijk lijden: sommigen zullen sterven, anderen zullen zich afschuwelijk voelen.’ Hier is geen eschatoloog aan het woord, maar Jacob Wallenberg, afstammeling van een van de machtigste dynastieën van het mondiale kapitalisme, die een inkrimping van de wereldeconomie met dertig procent voorziet en een torenhoge werkloosheid, als gevolg van de lockdowns om het coronavirus in te dammen.

Terwijl filosofen bang zijn dat onze heersers de epidemie uitbuiten om biopolitieke discipline af te dwingen, lijkt de heersende klasse zelf tegenovergestelde zorgen te hebben: ‘Ik ben doodsbenauwd voor de gevolgen voor de samenleving … we moeten de risicoʼs incalculeren dat het medicijn de patiënt hard zal treffen.’ Hier herhaalt de Zweedse tycoon de prognose van Trump dat de therapie de patiënt zal doden. Terwijl de filosofen de anti-besmettingsmaatregelen – uitgaansverboden, gesloten grenzen, beperkingen van publieke bijeenkomsten – als een sinister controlemechanisme zien, zijn de heersers bang dat de lockdowns hun controle juist zullen doen verslappen.

Bij het beoordelen van de impact van Covid-19 halen de filosofen in kwestie de passages over de pest aan uit Surveiller et punir, waarin Foucault de nieuwe vormen van toezicht en regulering beschrijft die het gevolg waren van de pestuitbraak eind zeventiende eeuw. De denker die tot nu toe het helderste standpunt over de pandemie heeft ingenomen is Giorgio Agamben, in een reeks strijdlustige artikelen, beginnend met ‘De uitvinding van een pandemie,’ verschenen in Il Manifesto op 26 februari 2020. In dit stuk beschrijft Agamben de noodmaatregelen die in Italië ten uitvoer zijn gelegd om de verspreiding van het virus tegen te gaan als ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond.’ ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek,’ schrijft hij, ‘en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’

Volgens Agamben toont de reactie op het coronavirus ‘een tendens om de uitzonderingstoestand te gebruiken als een normaal bestuursparadigma’ – ‘Het is bijna of, nu het terrorisme is uitgeput als legitimatie voor uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een epidemie het ideale excuus is om dergelijke maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen.’ Agamben heeft deze ideeën in twee andere teksten verder uitgewerkt die halverwege maart zijn verschenen op de website van de Italiaanse uitgever Quodlibet.

Agamben heeft wél en niet gelijk; of beter gezegd: hij zit er over het algemeen stevig naast, maar niet helemaal. Hij heeft ongelijk omdat de feiten hem weerspreken. Zelfs grote denkers kunnen aan besmettingen bezwijken – Hegel overleed in 1831 aan de cholera – en filosofen hebben de plicht om hun mening te herzien als de omstandigheden daarom vragen: als het in februari misschien nog enigszins mogelijk was om de coronapandemie te ontkennen, was dat in maart niet langer vol te houden.

Maar Agamben heeft gelijk dat onze heersers iedere mogelijkheid zullen aangrijpen om hun macht te consolideren, vooral in tijden van crisis. Dat het coronavirus wordt misbruikt om de massale surveillance te versterken is geen geheim. De Zuid-Koreaanse regering heeft de verspreiding van de besmetting geanalyseerd door de locatie van haar burgers in kaart te brengen via hun mobiele telefoons – een beleid dat tot beroering heeft geleid toen er ook een aantal buitenechtelijke affaires werd blootgelegd. In Israël zal de Mossad binnenkort zijn eigen versie van deze technologie implementeren, terwijl de Chinese overheid nog krachtiger heeft ingezet op video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën (de mondiale inlichtingendiensten hebben op het excuus van een epidemie gewacht om ons digitaal te kunnen gaan schaduwen).

Veel Europese regeringen zijn momenteel aan het beslissen of ze een voorbeeld willen nemen aan de Zuid-Koreaanse en Chinese programmaʼs, terwijl het Britse Information Commissioner’s Office deze technologie al eind maart heeft goedgekeurd. Agamben was niet de eerste die betoogde dat een van de doelen van de sociale overheersing de ʻatomiseringʼ van de overheersten is; Guy Debord schreef in De Spektakelmaatschappij dat de ontwikkeling van kapitalistische handelswarenutopiaʼs ons allemaal zou doen belanden in ‘perfecte afzondering’.

Aan het einde van deze crisis zullen de surveillancebevoegdheden van de regeringen vertienvoudigd zijn. Maar desondanks – ook al beweert Agamben iets anders – blijft de besmetting reëel, dodelijk en verwoestend. Dat veiligheidsdiensten waarschijnlijk van de pandemie zullen gaan profiteren rechtvaardigt nog geen sprong naar het paranoïde samenzweringsdenken: de regering-Bush hoefde de Twin Towers niet zelf te verwoesten om de Patriot Act te kunnen invoeren; Cheney en Rumsfeld konden ontvoering en marteling eenvoudigweg legitimeren door gebruik te maken van de kansen die 9/11 hen bood.

Ik noem de aanval op het World Trade Center omdat dit een tweede zwakte in Agambens werk blootlegt, waarin immers alle technieken van maatschappelijke controle worden uitgelegd met behulp van het model van de onderdrukking door de staat van een gewapende opstand. Ook eind jaren zeventig en begin jaren tachtig legden diverse Europese landen al eens een uitzonderingstoestand op, zogenaamd om het terrorisme te bestrijden – een trend die de generatie van Agamben en haar nakomelingen rechtstreeks heeft beïnvloed.

Maar niet alle uitzonderingstoestanden zijn hetzelfde. Zoals Aristoteles al zei: als alle katten zoogdieren zijn, betekent dit nog niet dat alle zoogdieren katten zijn. De uitzonderingstoestand, opgelegd uit naam van het terrorisme, lijkt op het beleid dat is ontworpen om lepra in te dammen: dat wil zeggen het verdelen van de samenleving in twee afzonderlijke groepen, waarbij de leprozen/terroristen werden buitengesloten van de grotere gemeenschap van gezonde/wetsgetrouwe burgers.

Daarentegen reproduceert de huidige uitzonderingstoestand in beginsel het fenomeen waarover Foucault het heeft als het om de pest gaat, gebaseerd op de controle, immobilisatie en isolatie van de gehele bevolking. Anders dan het lepramodel maakt dit regime geen onderscheid tussen goede en slechte burgers. Iedereen is potentieel slecht; wij moeten allemaal worden gemonitord en onder toezicht worden gesteld. Het panopticon omvat de hele samenleving, niet slechts de gevangenis of de kliniek.

Het is waar dat we getuige zijn van een gigantisch en ongekend experiment in sociale discipline, met drie miljard mensen die momenteel thuis moeten blijven; de meesten van hen hebben deze beperkingen van hun vrijheid geaccepteerd, zonder veel actieve weerstand. Veertig jaar geleden zou dit ondenkbaar zijn geweest. In veel gevallen vindt dit experiment blind en op de tast plaats, zoals in India, waar premier Modi het hele land heeft opgedragen thuis te blijven, ondanks de aanwezigheid van 120 miljoen zwervende migrantenarbeiders die dikwijls gedwongen zijn op straat te leven.

In een groot deel van de wereld is de opsluiting in het eigen huis louter denkbaar voor de rijkste laag van de bevolking, terwijl het voor de meesten rechtstreeks tot werkloosheid en honger leidt. India is een extreem geval, maar een op klassenverschil gebaseerd antwoord op de epidemie is zichtbaar in ieder land. Dit is een ‘witte-boorden-quarantaine’, zoals de New York Times hem omschreef. De geprivilegieerden sluiten zichzelf op in huizen met snel internet en volle koelkasten, terwijl de rest van ons blijft reizen in overvolle metrotreinen en schouder aan schouder blijft werken in besmette omgevingen. De voedselindustrie, de energiesector, de transportdiensten en de telecommunicatiehubs moeten blijven draaien, naast de productie van cruciale medicijnen en ziekenhuisapparatuur. Fysieke afzondering is een luxe die velen zich niet kunnen veroorloven, en de regels voor ‘social distancing’ dienen om de kloof tussen de klassen te verbreden.

Hetgeen ons bij het voornaamste punt brengt dat Agamben over het hoofd ziet: de overheersing is niet ééndimensionaal. Het gaat niet alleen maar om controle en toezicht, maar ook om uitbuiting en extractie. (Een beetje Marx, bovenop Schmitt, zou zijn analyse geen kwaad doen.) De serieuze schade die deze epidemie dreigt toe te brengen aan het kapitaal verklaart de aarzeling bij politici om isolatie en quarantaine af te dwingen. Boris Johnson (aanvankelijk) en Trump zijn de opvallendste voorbeelden: zij hebben zich zo lang mogelijk tegen het aankondigen van een quarantaine verzet en willen die ook weer zo snel mogelijk opheffen, zelfs als dat ten koste gaat van een paar honderdduizend doden. In dit geval moet het trage tempo van het volksgezondheidsbeleid worden gecontrasteerd met de snelheid van het financiële antwoord.

Natuurlijk weerspiegelen de ‘genereuze’ budgettaire maatregelen deels de zorgen van Wallenberg: ze zijn bedoeld om grote maatschappelijke onrust te vermijden door de werkers voor het moment genoeg inkomsten te geven om van te leven. Geen kapitalist wilde in deze Keynesiaanse positie gedwongen worden. Maar zoals Obama’s stafchef Rahm Emanuel opmerkte: ‘Je mag een ernstige crisis nooit verloren laten gaan.’ Dus terwijl er sprake is van spaarzame uitbreidingen van de wettelijke ziektekostenvergoeding, hebben de staten ook buitengewone maatregelen getroffen om hun financiële sectoren te steunen, of ‘om de startbaan voor de banken in gereedheid te brengen’, zoals de vroegere Amerikaanse minister van Financiën Timothy Geithner het heeft verwoord. Tot nu toe hebben de regeringen van de OESO-landen ruim vijf miljard dollar toegezegd, maar dit bedrag zal nog verder stijgen.

Heersers maken ook gebruik van de pandemie om er beleid doorheen te drukken dat in normale tijden tot verontwaardiging zou hebben geleid. Trump heeft de Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te overtreden tijdens de noodtoestand, terwijl Macron een van de voornaamste verworvenheden van de arbeidersbeweging heeft ontmanteld door de maximale werkweek uit te breiden naar zestig uur.

Toch heeft op een bepaalde manier de kleingeestigheid van deze wetgevende trucs – te lokaal en te beperkt om een noodlijdende neoliberale orde te kunnen helpen – aangetoond dat de pandemie de heersende klassen heeft verrast: zij hebben de recessie die ons wacht nog niet doorzien, evenmin als het vermogen daarvan om de economische orthodoxie overhoop te gooien. Net zoals Agamben alle noodtoestanden beschouwt als antiterroristisch, zien onze heersers deze systeemcrisis louter als een financiële: zij reageren op de pandemie alsof het om een nieuw 2008 gaat, door Bernanke te imiteren en een Friedman-achtige monetaire expansie voor te schrijven. Als gevangenen van de monetaire orthodoxie begrijpen ze niet dat deze keer de schok aan de vraagzijde meer zal inhouden dan een simpele liquiditeitscrisis.

Al heel snel zullen hele fortuinen verloren gaan terwijl de kapitalisten hun bedrijfsactiviteiten (luchtvaartmaatschappijen, bouwbedrijven, autofabrieken, toeristencircuits, filmproducties) ten onder zien gaan. Maar in deze context zal Friedmans ‘helikoptergeld’ – de injectie van astronomische hoeveelheden liquiditeit in de economie – een grootschalige vernietiging van kapitaal teweegbrengen, omdat dit nieuw uitgegeven geld geen enkele reële waarde vertegenwoordigt.

In oorlogstijd wordt zowel financieel als materieel kapitaal verwoest: infrastructuur, fabrieken, bruggen, havens, stations, luchthavens, gebouwen. Maar zodra de oorlog voorbij is begint een periode van wederopbouw, en deze wederopbouw brengt een economische opleving teweeg. De huidige epidemie heeft echter meer weg van een neutronenbom, die mensen doodt, maar gebouwen, wegen en fabrieken intact laat (zij het leeg). Dus als de epidemie voorbij is, zal er niets meer te herbouwen zijn – en bijgevolg ook geen sprake zijn van herstel.

Nadat de quarantaine is opgeheven zullen mensen niet eenvoudigweg op dezelfde schaal auto’s en vliegtuigtickets gaan kopen als vóór de crisis. Velen zullen hun baan kwijtraken, terwijl degenen die hun baan zullen behouden moeite zullen hebben om klanten te vinden in een economie waarin weinig geld omgaat. Intussen zal iemand de rekening moeten betalen voor de enorme uitgaven die zijn gedaan om het virus in te dammen, vooral als de daaruit voortvloeiende schuldenberg het vertrouwen bij beleggers wegneemt, op welk punt Wallenbergs angst voor sociale onrust gerechtvaardigd zou kunnen blijken: de shocktherapie die zal worden toegepast na de crisis – als, uit naam van een economische noodzaak, het publiek moet gaan betalen voor deze ‘generositeit’ – kan er inderdaad toe leiden dat mensen in verzet komen.

De epidemie zal de controle en het toezicht van bovenaf versterken; zij zal van de maatschappij weer een laboratorium voor disciplinaire technieken maken. Maar in deze situatie zullen onze heersers wel een tijger moeten leren berijden: degenen die ons willen controleren zouden dat liever met minder kostbare middelen doen. Uiteindelijk zal het makkelijk zijn om de quarantaine op te heffen. Maar het zal problematischer blijken om de economie weer op te starten.

Rome, 4 april 2020


Marco d’Eramo is een Italiaanse journalist en een van de oprichters van de krant Il Manifesto. Dit artikel verscheen eerder in New Left Review.