De era van de verzekeraars

Eerst is er de bevalling. Gesteun, aanmoedigingen. Vervolgens de geboorte, de baby, het geluk, de opluchting. Dan wordt het beeld zwart en stellen witte letters de vraag: ‘Krijgt ze nog wel een studiebeurs?’ Na de vertedering beginnen tegenwoordig onmiddellijk de zorgen. Vijf seconden na het eerste diapositief valt de tweede schaduw over dit prille mensenleven; ‘Krijgt ze nog wel AOW?’ Om te eindigen met de vaststelling: ‘Niets is meer zeker in een mensenleven.’

Kernachtiger dan in dit tv-spotje van verzekeraar Aegon kun je de veranderingen in de verzorgingsstaat nauwelijks uitdrukken. Natuurlijk, in de politieke discussie over de prestatiebeurs of in de voorstellen van de paarse coalitie over de WAO en de Ziektewet overheerst het moderne jargon met termen als marktwerking, efficientie, kostenbeheersing en prikkels. Maar dat vertegenwoordigt slechts een kant van het verhaal. De verzekeringsmaatschappijen, die gouden tijden op zich af zien komen, weten dat er ook nog een ander verhaal is - het verhaal van de bestaansonzekerheid. En aangezien politici daar niet graag over spreken, brengen zij het uit welbegrepen eigenbelang in pakkende one- liners en gepeperde polisvoorwaarden onder onze aandacht: Niets is meer zeker in een mensenleven.
Waar een mens niet zo lang geleden nog redelijk kon leunen op wat toen collectieve voorzieningen werden genoemd, zal in de toekomst elk individu zelf een inschatting moeten maken van de risico’s die hij of zij wenst te lopen. De collectieve verzorgingsstaat wordt een geindividualiseerde verzekeringsmaatschappij. Studeren is niet langer een maatschappelijke investering in talent, maar een individueel risico; zorgverzekeringen en pensioenen zijn niet langer een collectief recht, maar een individuele keuze. Dat lijkt in deze tijd van individualisering een verbetering, maar - en dat blijft in het technocratische jargon van de modernisering van de verzorgingsstaat te vaak onbesproken - het heeft een onvermijdelijke prijs. Het minimaliseren van zoiets als bestaansonzekerheid is namelijk niet een kwestie van vertrouwen in eigen kunnen of in een gezond lichaam, maar uiteindelijk een kwestie van geld. Dat is een vorm van ongelijkheid die de oude verzorgingsstaat bewust binnen de perken hield, maar die in de huidige omvangrijke moderniseringsoperatie - zonder dat daar veel debat over is - wordt prijsgegeven.
Vorige week maakte het CBS bekend dat Nederland in het begin van de jaren negentig tachtigduizend huishoudens telde met een vermogen van meer dan een miljoen gulden; tegelijkertijd telde Nederland een zelfde aantal huishoudens met een negatief vermogen dat groter was dan het jaarinkomen. In percentages komt dat neer op 1,3 procent van de huishouden die of als zeer rijk of als zeer arm te boek staan. In vergelijking met andere ontwikkelde landen zijn de extremen in dit land te verwaarlozen. De bandbreedte van de welvaart in Nederland is enorm, de ongelijkheid zeer fatsoenlijk. Dat is eigenlijk een ongekende prestatie die we nu in naam van de modernisering, de vooruitgang of de individualisering, zonder veel discussie in handen van verzekeraars leggen.
In de waagschaal dus.