War on Terror

De erfenis van 11 september: oorlog als franchise

Het Marriott Hotel in Jakarta brandde nog toen Susilo Bambang Yudhoyono, de coördinerende minister voor politieke en veiligheidszaken van Indonesië, de implicaties van de aanslag uitlegde.

«Wie de kritiek uit dat mensenrechten worden beperkt, moet begrijpen dat alle slachtoffers van de bomaanslag belangrijker zijn dan enige mensenrechtenkwestie.»

In één zin is dit de beste samenvatting tot nu toe van de filosofie achter Bush’ zogenaamde «war on terror». Terrorisme blaast niet slechts gebouwen op; het vaagt elke andere kwestie van de politieke kaart. Het bestrijden van terrorisme, reëel en aangedikt, is een schild van legitimatie geworden, dat regeringen over de hele wereld vrijwaart van onderzoek naar hun mensenrechtenschendingen.

Er is vaak beweerd dat de War on Terror het nauwelijks verhulde excuus van de Amerikaanse regering is om een klassiek Empire op te bouwen, naar het voorbeeld van Rome of Engeland. Na twee jaar kruistocht blijkt dat een vergissing: de Bush-bende heeft niet de vasthoudendheid om succesvol een land te bezetten, laat staan tien.

Maar Bush and the Gang hebben wél de gehaaidheid van goede marketeers, en ze weten hoe ze iets moeten verkopen. Wat Bush heeft gecreëerd in de WoT™ is niet een «doctrine» voor wereldoverheersing maar een simpel in elkaar te zetten pakket voor elk mini-imperium dat graag van zijn oppositie af wil en zijn macht wil uitbreiden.

De oorlog tegen het terrorisme was nooit een oorlog in de traditionele zin: geen duidelijk doel, geen vaste locatie. Het is eerder een soort merk, een idee dat in fran chise kan worden genomen door elke regering die een multifunctionele oppositie-zuiveraar zoekt.

We weten dat de WoT™ werkt tegen binnenlandse groeperingen die terroristische tactieken gebruiken, zoals Hamas of de Colom biaanse Farc. Maar dat is slechts de meest basale toepassing. WoT™ kan worden gebruikt tegen elke bevrijdings- of oppositiebeweging en naar believen worden toegepast tegen ongewenste immigranten, lastige mensenrechtenactivisten en zelfs onderzoeksjournalisten.

De Israëlische premier Sharon was de eerste die Bush’ franchise omhelsde. Hij papegaaide de beloften van het Witte Huis na om «dat onkruid bij de wortel uit te trekken, en zijn infrastructuur te verwoes ten» en stuurde bulldozers en tanks naar de bezette gebieden. In korte tijd omvatte Sharons «infrastructuur van terreur» ook mensenrechten-waarnemers die getuige waren van de aanslagen, alsmede hulp verleners en journalisten.

Een volgende franchise ging open in Spanje, toen premier Aznar zijn WoT™ uitbreidde van de Baskische afscheidingsbeweging ETA naar de Baskische onafhankelijkheidsbeweging als geheel, waarvan een groot deel geweldloos is. Aznar gaf geen gehoor aan oproepen om te onderhandelen met de Baskische Autonome Regering en verbood de politieke partij Batasuna. Hij elimineerde ook Baskische mensen rechtengroepen, tijdschriften, en een van de Baskischtalige kranten.

Dit lijkt de werkelijke boodschap van Bush’ oorlogsfranchise te zijn: waarom onderhandelen met je politieke tegenstanders als je ze ook kunt uitroeien? In de tijd van WoT™ dringen kleine problemen als oorlogsmisdaden en mensenrechten gewoon niet door.

De president van Georgië, Shevardnadze, zei in oktober 2002, terwijl hij vijf Tsjetsjenen het land uitzette: «Internationale mensenrechtenafspraken zouden kunnen verbleken bij het belang van de campagne tegen het terrorisme.»

De Indonesische president Megawati Soekarnoputri kwam aan de macht met de belofte het corrupte en wrede Indonesische leger te zuiveren en vrede te brengen in het verscheurde land. Maar ze heeft gesprekken met de Beweging voor een Vrij Atjeh afgelast, en viel in mei de olierijke provincie binnen — het grootste militaire offensief van het land sinds de invasie in 1975 van Oost-Timor. De Indonesische mensenrechtenorganisatie Tapol beschrijft de situatie in Atjeh als «een regelrechte hel, een dagelijkse stortvloed van trauma’s en extreme angst, het wegvagen van dorpen, het willekeurig op pakken van mensen van wie, uren later, de lichamen langs de kant van de weg worden gevonden».

Waarom dacht de Indonesische regering dat ze kon wegkomen met de invasie na de wereldwijde woede die haar dwong Oost-Timor te verlaten? Simpel: na 11 september bestempelde de regering Atjeh’s beweging voor nationale bevrijding als «terroristisch», wat inhoudt dat mensenrechtenkwesties niet langer van toepassing zijn. Rizal Mallarangeng, een adviseur van Megawati, noemde het de «zegen van 11 september».

De president van de Filippijnen, Gloria Arroyo, lijkt zich net zo gezegend te voelen. Arroyo noemde zo snel ze kon haar strijd tegen islamitische separatisten in de zuidelijke Moro-regio een deel van WoT™, brak, net als Sharon, Aznar en Megawati, vredesonderhandelingen af en voerde in plaats daarvan een wrede burgeroorlog.

In Colombia is de oorlog van de regering tegen linkse guerrillagroeperingen lang gebruikt als dekmantel om iedereen te vermoorden die linkse banden had. Maar zelfs in Colombia is de toestand verslechterd sinds president Uribe in augustus 2002 aan de macht kwam met een WoT™- programma. Vorig jaar werden 150 vakbondsactivisten vermoord. Net als Sharon zorgde Uribe ervoor dat de getuigen verdwenen door buitenlandse waarnemers uit te zetten en het belang van mensenrechten te bagatelliseren. Pas als «terroristische netwerken ontmanteld zijn, zullen we de mensenrechten volledig respecteren», zei Uribe.

Dit is het tijdperk waar 11 september ons heeft binnengeleid: oorlog en repressie ontketend niet door één enkel Empire, maar door een mondiale franchise van imperiums. In Indonesië, Israël, Spanje, Colombia, de Filippijnen en China hebben regeringen zich aangesloten bij Bush’ dodelijke WoT™ en gebruiken die om hun tegenstanders uit te schakelen en hun greep op de macht te verstevigen.

Vorige week was er een andere oorlog in het nieuws. In Argentinië stemde de senaat voor het terugdraaien van twee wetten die immuniteit schonken aan de sadistische misdadigers van de dictatuur van 1976 tot 1983. In die tijd noemden de generaals hun vernietigingscampagne een «war on terror» en gebruikten een reeks ontvoeringen en gewelddadige aanslagen door linkse groeperingen als een excuus om de macht te grijpen.

Maar de grote meerderheid van de dertigduizend mensen die «verdwenen» tijdens de dictatuur waren geen terroristen; het waren vakbondsleiders, kunstenaars, leraren, psychiaters. Zoals bij alle oorlogen tegen het terrorisme was terrorisme niet het doelwit, maar het excuus om de werkelijke oorlog te voeren: tegen mensen die zich durfden verzetten.

Vertaling: Rob van Erkelens