De erfenis van alexandre kojève

Luuk van Middelaar schreef met ‘Politicide’ een knap en prikkelend boek waarin hij genadeloos afrekent met de Franse politieke filosofie

EEN PAAR JAAR NA de Tweede Wereldoorlog ontmoette Isaiah Berlin in Parijs de evenals hij in Rusland geboren Alexandre Kojève. De beide filosofen spraken over hun geboorteland, en over de aard van het sovjetregime. Volgens Berlin was het Rusland van Stalin de meest ultieme vorm van de hobbesiaanse staat, waar de burger zijn individuele vrijheid heeft opgegeven in ruil voor bescherming. Kojève wees dit idee resoluut van de hand. Stalin had begrepen dat als je in Rusland iets wilde bereiken, je de bevolking op uiterst hardhandige wijze moest omvormen. Het straffen van mensen die een bepaalde wet overtraden was niet genoeg. Pas als je mensen volstrekt willekeurig liet arresteren en hen draconische straffen oplegde, als je mensen vervolgde voor daden die ze niet hadden gepleegd en die ze zelfs niet hadden kunnen bedenken, dan pas had je hen reduceerd tot pulp, tot een amorfe massa die je in de gewenste vorm kon kneden.
Kojève had duidelijk begrepen wat de essentie van communisme was. Wie hier echter een veroordeling in leest heeft het bij het verkeerde eind. Kojève was het hartgrondig met Stalin eens. Hij zag in hem een Napoleon, een man die de geschiedenis ten einde zou voeren. En volgens Berlin zag hij zichzelf als Hegel, de filosoof die de grootheid van Napoleon had ontdekt, de man die had begrepen hoe de geschiedenis werkte.
Pas de laatste jaren wordt er meer aandacht besteed aan deze merkwaardige filosoof, die als overtuigd communist in 1920 de Sovjet-Unie had verlaten, vervolgens in Duitsland had gestudeerd en in de jaren dertig in Frankrijk Hegel introduceerde. In 1989 doken zijn denkbeelden ineens op in een artikel waarmee een Amerikaanse ambtenaar op slag wereldberoemd werd. Francis Fukuyama’s essay ‘The End of History’ was immers heel sterk geënt op het werk van Kojève.
Onlangs verscheen een Nederlands boek over de betekenis van Kojève voor de politieke stellingname van Franse filosofen in de jaren 1930-1975. Dit politieke denken was uiterst gewelddadig, verheerlijkte moord en doodslag, was door en door onverantwoordelijk, en had een funeste invloed op de Franse politiek. Politicide: De moord op de politiek in de Franse filosofie is een zeer knap werk van de jonge filosoof en historicus Luuk van Middelaar. Het boek, oorspronkelijk een doctoraalscriptie, is zeer fel en meeslepend geschreven en getuigt van groot analytisch vermogen en een nu reeds aanzienlijke eruditie.
LANGE TIJD WERD de Franse filosofie gedomineerd door de neokantianen, met hun rationalistische geloof in een tijdloze en universele moraal, die langzaam maar zeker terrein won. De geschiedenis was het verhaal van de overwinningstocht van deze moraal, die vrijheid en gerechtigheid predikte. Blind voor de irrationele en gewelddadige driften van de mens stonden de neokantianen machteloos toen massa’s mensen zich in de jaren dertig aansloten bij bewegingen als het communisme en het fascisme. Van Middelaar citeert de neokantiaan Victor Basch, die na een pessimistische lezing van Raymond Aron uitriep dat het licht van de vrijheid nooit zou doven. Dat was drie maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, de oorlog waarin Basch samen met zes miljoen andere joden zou worden vermoord.
Het naïeve vooruitgangsgeloof der neokantianen was na die oorlog volstrekt onhoudbaar geworden. Na Kant was het nu de beurt aan andere Duitse denkkolossen om de Franse filosofen te inspireren. De weg hiervoor was reeds in de jaren dertig geplaveid, en wel door de colleges van Kojève. Van 1933 tot 1939 had hij wekelijks aan de Parijse ecole Pratique des Hautes etudes colleges gegeven over Hegel, die in Frankrijk tot dan toe vrijwel onbekend was. De Hegel die Kojève bij zijn studenten introduceerde was er een van geheel eigen snit, gemengd met forse scheuten Marx en Heidegger. Bovendien beperkte Kojève zich ook nog tot de Phänomenologie des Geistes en schonk hij aan het andere werk van Hegel, bijvoorbeeld de rechtsfilosofie, nauwelijks aandacht.
Volgens Kojève wordt de mens pas mens als hij zijn leven op het spel zet voor iets dat niet van levensbelang is. Het dier streeft alleen naar zelfbehoud, de mens gaat een stap verder. De mens wil door de ander erkend worden, zijn hele leven is een strijd om die erkenning. Strijd is zodoende de essentie het bestaan. Het doel van die strijd is onbelangrijk, het gaat alleen om de erkenning door de vijand.
Uit de strijd om erkenning komen twee menstypen te voorschijn: meesters en knechten. Geschiedenis is volgens Kojève de interactie tussen die twee. De wereldgeschiedenis en Hegels Phänomenologie werden door Kojève in elkaar geschoven, de een werd verklaard met behulp van de ander. Het einde van de geschiedenis zou zijn bereikt als de synthese tussen meester en knecht een feit was, als de knecht zijn doodsangst had overwonnen en de meester ten val had gebracht. Hegel dacht dat dit moment was aangebroken op 13 oktober 1806, toen hij Napoleon na diens overwinning door Jena zag rijden. Kojève meende het echter beter te weten dan zijn grote voorbeeld, en was van mening dat dit moment nog moest aanbreken. Pas het communisme zou de volledige synthese van meester en knecht brengen. In plaats van Napoleon zou Stalin de geschiedenis ten einde brengen, in plaats van Hegel zou Kojève de wijze zijn die deze blijde boodschap verkondigde. Later kwam Kojève hier weer op terug. Na een bezoek aan de VS verklaarde hij in 1948 dat de geschiedenis ten einde was; later was het Japan waar het gelukzalige eindstadium bereikt was.Politiek was bij Kojève niets anders dan terreur, filosofie was propaganda. Toen kort voor zijn dood de Parijse mei-opstand van 1968 uitbrak, was dat volgens hem helemaal geen revolutie: 'Er vallen niet eens doden.’ Met deze onmenselijke visie heeft Kojève veel invloed gehad. Zijn colleges werden niet massaal bezocht, maar onder de ongeveer twintig vaste toehoorders bevonden zich vele toekomstige intellectuele sterren: Raymond Aron, Georges Bataille, Jacques Lacan, Maurice Merlau-Ponty, Raymond Queneau en André Breton.
VAN MIDDELAAR LAAT op overtuigende wijze zien hoe de noodlottige erfenis van Kojève doorwerkte in de naoorlogse Franse filosofie. Niet alleen de marxistische en existentialistische 'generatie van 1945’ van Merlau-Ponty en Sartre - die weliswaar geen colleges bij Kojève volgde maar wel sterk door hem werd beïnvloed - maar ook de nietzscheaanse 'generatie van 1960’ van Foucault en Deleuze namen Kojève’s oorlogszuchtige retoriek, zijn verheerlijking van strijd en geweld en zijn compromisloze hang naar het absolute over. Hierdoor plaatsten zij zich lijnrecht tegenover zoiets burgerlijks en saais als de parlementaire democratie. De enige gunstige uitzondering die Kojèves filosofische halsafsnijderij verwierp, was Aron. Sartre sprak namens de overgrote meerderheid van de overige filosofen en intellectuelen toen hij in 1973 zijn 'stemadvies’ uitbracht: 'Verkiezingen, een jan lul die erin stinkt.
De intellectuele superster Sartre wordt door Van Middelaar op genadeloze wijze gefileerd. Zijn existentialisme was volstrekt onverenigbaar met het marxisme, omdat het iedere vorm van politiek uitsloot. Sartres veelgeroemde engagement was dan ook niets meer dan een schaamlap die deze politieke impotentie aan het oog moest onttrekken. Vandaar dat Sartre ook steeds op zoek was naar nieuwe revolutionaire vuren, waaraan hij zijn 'vuile handen’ kon warmen. Na de Sovjet-Unie kwamen China, de Derde Wereld, 'mei '68’ en de stadsguerrilla. Ook van Sartres grote rivaal Camus heeft Van Middelaar geen hoge pet op, aangezien deze zich volledig van de politiek afkeerde.
Kojèves gedachtegoed beïnvloedde ook de volgende generatie Franse filosofen, die hardhandig afrekende met de Hegel-Heidegger-Husserl-cultus. Voor Foucault, Deleuze en hun generatiegenoten vormden Nietzsche, Marx en Freud het sloopbedrijf dat het vermolmde bouwwerk van de Franse filosofie moest wegvagen. Maar ook hier speelde de meester-knecht-dialectiek een allesoverheersende rol. Met politiek hielden zij zich niet erg bezig, maar hun denken was wel uiterst gewelddadig. Het filosofisch debat was in hun ogen oorlog. Een tegenstander diende niet overtuigd maar verpletterd te worden. Dit gold ook voor de politiek. Foucault keerde de befaamde uitspraak van Clausewitz om, en stelde: 'Politiek is de oorlog voortgezet met andere middelen.’ Strijd vormde het wezen van de mens. In tegenstelling tot Kojève geloofden deze nietzscheanen echter niet dat die strijd ooit zou ophouden. Het einde van de geschiedenis zou nooit aanbreken.
Een radicale breuk met de kojèveaanse verheerlijking van bloedvergieten begon zich vanaf het midden van de jaren zeventig af te tekenen. Na meer dan een halve eeuw communistische terreur bleken de Franse intellectuelen eindelijk ontvankelijk voor de waarheid omtrent deze ideologie. De vertaling van Solzjenitsyns Goelag archipel sloeg in als een bom en deed de nouveaux philosophes radicaal breken met het marxisme en alle andere vormen van totalitarisme. Men e terug naar Kant en er ontstond een gemakzuchtige, a-politieke cultus van de mensenrechten. Na Kojèves loflied op de strijd wees men nu iedere vorm van strijd af. Aangezien politiek gaat over tegenstrijdige belangen, en dus over strijd, nam men op deze wijze afscheid van de politiek.
Na zijn rücksichtslose afrekening met de Franse politieke filosofie eindigt Van Middelaar zijn boek toch nog vrij positief. Uit het werk van de minder bekende Claude Lefort blijkt immers dat er wel degelijk een zinvolle politieke filosofie mogelijk is. Diepgaande bestudering van het werk van Machiavelli heeft Lefort immers tot het inzicht gebracht dat maatschappelijke conflicten onophefbaar zijn. Deze conflicten gaan niet, zoals marxisten denken, over bezit, maar over macht. Bovendien paren mensen volgens Lefort het verlangen om niet onderdrukt te worden aan de wens om zelf te onderdrukken. Aangezien beide verlangens niet tegelijkertijd door iedereen kunnen worden bevredigd, zullen er altijd conflicten blijven bestaan. De democratie is de enige maatschappijvorm die dit erkent.
Alle andere ideologieën probeerden conflicten eens en voor altijd uit de wereld te helpen, hetgeen onveranderlijk uitliep op het grootschalig uit de wereld helpen van mensen.
VAN MIDDELAARS boek komt voort uit de verbazing over het feit dat juist in Frankrijk, de bakermat van de moderne democratie, hele generaties filosofen een antidemocratische en terroristische visie op de politiek hebben uitgedragen. Volgens de auteur vormde Kojèves hardhandige afrekening met het neokantianisme de bron van deze ellende. Hoewel Van Middelaars betoog zeer dwingend is, vallen er zowel bij de vraagstelling als bij de beantwoording ervan enige kanttekeningen te plaatsen. Wat vooral opvalt, is dat Van Middelaar zich heel sterk met de Fransen heeft geïdentificeerd. Want de Franse Revolutie mag dan inderdaad wel een bijdrage aan de totstandkoming van de moderne democratie hebben geleverd, een puur Frans product is het toch niet. Onze parlementaire democratie heeft minstens evenveel te danken aan de eeuwenlange ontwikkeling van het Engelse staatsrecht. Naast Rousseau en Mirabeau hebben ook Locke en Burke aan de wieg van onze democratie gestaan.
Ook erg Frans is de gedachte dat het kwaad uit het buitenland komt. Een Rus die een Duitse filosoof introduceert, terwijl zijn studenten nog tal van andere Duitsers importeren, dat moet wel tot narigheid leiden. Voor de komst van Kojève speelde het geweld wel degelijk een rol in zowel het Franse denken als de Franse politiek. Het neokantianisme stond al geruime tijd vóór 1933 onder druk, en bovendien waren er tal van authentieke Franse denkers die er uiterst gewelddadige ideeën op nahielden. Wat bijvoorbeeld te denken van Joseph de Maistre, tijdgenoot van Hegel, die in de beul de meest verheven mens zag, bij wie 'alle grootheid, alle macht, alle onderworpenheid’ berustte? En waren ook Georges Sorel, Charles Maurras, Maurice Barrès en Léon Daudet geen uitgesproken gewelddadige en antidemocratische intellectuelen?Maar niet alleen op papier werd er in Frankrijk tussen de revolutie en de komst van Kojève heel wat bloed vergoten. Vergeleken met Engeland en Duitsland was de Franse geschiedenis van de negentiende eeuw bijzonder gewelddadig. De revoluties van 1830 en 1848, de opstand van de zijdewevers van Lyon in 1831, de Parijse Commune van 1871 - het waren conflicten waarbij ongelooflijk veel bloed vloeide.De vraag waarom jonge intellectuelen in de jaren dertig zo onder de indruk waren van de terroristische filosofie van Kojève, wordt door Van Middelaar niet gesteld. Hun verlangen naar strijd, hun hang naar het absolute - waar kwam dat vandaan? De historische context speelde hierbij zeker een rol. Deze jongeren waren opgegroeid met een geschiedenis van anderhalve eeuw geweld, waar de zinloze hecatomben van de Eerste Wereldoorlog nog eens bovenop waren gekomen. Ze leefden in een totaal verziekt politiek klimaat, waarin gewelddadige confrontaties tussen extreem-rechts en extreem-links aan de orde van de dag waren.
Van Middelaars vermogen om ingewikkelde debatten helder uiteen te zetten, om ontwikkelingen messcherp te analyseren, heeft als schaduwzijde dat zijn verhaal af en toe wel erg schematisch wordt. Hoewel hij in beide vakken is afgestudeerd wint de filosofie het meestal van de geschiedenis, zodat hij kan suggereren dat de Franse intellectueel in 1940 alleen kon kiezen tussen Pétain en Stalin, alsof Churchill geen optie zou zijn. En in het vuur van zijn betoog kan hij tevens beweren dat 'het Duitse electoraat op 30 januari 1933 bij vol bewustzijn een racistische volksmenner tot kanselier verkoos’. Soms laat hij zich zo meeslepen door zijn eigen apodictische uitspraken en pakkende metaforen dat hij bijvoorbeeld stelt dat de Franse filosofen na 1975, in tegenstelling tot de halve eeuw ervoor, alleen nog maar buitenlandse denkers napapegaaien. Alsof Hegel, Heidegger, Nietzsche, Marx en Freud typische Franse denkers waren.Dit alles neemt niet weg dat Politicide een bijzonder knap en prikkelend boek is, en dat we van iemand die op zesentwintigjarige leeftijd zo overtuigend kan schrijven over een dergelijk complex onderwerp, nog heel veel mogen verwachten.