Presidentverkiezingen in Amerika

De erfenis van Bill

De winnaar van de Amerikaanse verkiezingen erft een economie die in de rest van de wereld wordt benijd. Maar er ligt een tijdbom onder.

De cijfers zijn indrukwekkend. Onder president Bill Clinton kende de Amerikaanse economie haar langst durende expansie. Er was een modale jaargroei van 4,2 procent sinds 1995 terwijl de inflatie onder de drie procent bleef. Het begrotingstekort dat 340 miljard dollar bedroeg in het jaar voordat Clinton president werd, verdween; er is nu een positief saldo van 81 miljard. De werkloosheid daalde van 7,8 naar 3,9 procent. Er kwamen 22 miljoen nieuwe banen bij en met de groeiende tewerkstelling verminderden de sociale problemen. De misdaad bijvoorbeeld daalde scherp. Het percentage moorden, vorig jaar 5,7 per honderdduizend inwoners, is nog hoog vergeleken met Europa, maar is het laagste sedert 1966.

«De economie heeft meer gedaan voor Clinton/Gore dan omgekeerd», zei George W. Bush tijdens de verkiezingscampagne. Volgens hem werd de expansie niet door de regering maar door «het harde werken van het volk» tot stand gebracht. Waarop Al Gore repliceerde dat dit volk acht jaar geleden ook al hard werkte. «Het verschil met toen», zei Gore, «is de regeringspolitiek.»

Volgens economen zit daar wel iets in. De regering had de verdienste dat ze van de strijd tegen het begrotingstekort haar prioriteit maakte, ook al vereiste dat een impopulaire belastingverhoging. Alle Republikeinen stemden er tegen en voorspelden een diepe recessie. Zoals Clinton graag zei: «Time has not been kind to their predictions.» Doordat de overheid minder een beroep hoefde te doen op de kapitaalmarkt, nam de druk op de rentevoeten af. «Het effect was vooral psychologisch», zegt econoom Jeff Madrick. «De dalende begrotingstekorten gaven het vertrouwen dat de rentevoeten laag zouden blijven zodat bedrijven, investeerders en consumenten niet meer bang waren om geld uit te geven en te lenen, hetgeen de groei stimuleerde.» De regering bleef die fiscale discipline volhouden, ook toen betere tijden haar meer armslag gaven. «Als Dole in 1996 de verkiezingen had gewonnen en zijn belastingverlagingsplan had uitgevoerd, zou er nu nog een begrotingstekort zijn en zou de groei erg vertraagd zijn», meent econoom Paul Krug man.

Tot 1996 kende de economie een normale cyclische heropleving. «Het was toen dat de dingen echt begonnen te veranderen», zegt Krugman. «De productiviteit die twee decennia lang in een slakkentempo was toegenomen, begon te groeien en te groeien. Het was adembenemend.» Dankzij Clinton? «Natuurlijk niet», aldus Krugman. «De beste verklaring is dat een lang proces van technologische vernieuwing een kritische massa had bereikt. Dat opende nieuwe mogelijkheden en de Amerikaanse industrie was klaar om ze te exploiteren.»

Dankzij die productiviteitsgroei bracht de boom geen inflatiespiraal op gang. Dat die spiraal achterwege bleef, kwam ook doordat de VS steeds meer importeerden uit Azië en Latijns-Amerika, voor steeds goedkopere prijzen, vooral sedert de Aziatische crisis de valuta van die landen in waarde had doen dalen. Bovendien ging de groei nu niet gepaard met loonstijgingen. De forse immigratie en het groeiende gemak waarmee de productie kon worden gerelokaliseerd, veranderden de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal. «Er is onder Amerikaanse bedrijven de consensus ontstaan dat ze niet met loonsverhogingen concurreren om werknemers», zegt economisch historicus David Collander, «en die consensus is ingebed in onze sociale structuur.»

Intussen groeide de Europese economie niet half zo snel, stagneerde Japan en was de rest van de wereld in de greep van deflatie. Geen wonder dat Amerika op de hele planeet de beste plaats leek om geld te beleggen. Met honderden miljarden dollars per jaar stroomde het kapitaal het land binnen. Dat hielp de Amerikaanse rentevoeten laag te houden en dreef de beurswaarden omhoog, hetgeen de groei weer stimuleerde.

Volgens Federal Reserve-voorzitter Greenspan is de beursstijging verantwoordelijk voor een kwart van Amerika’s economische groei. De Amerikaanse economie werd steeds sterker en men spendeerde als nooit tevoren: elke dag bijna een miljard dollar meer dan het nationale inkomen groeide. Dat resulteerde in gigantische tekorten op Amerika’s handelsbalans. Elk ander land dat zo boven zijn stand leeft zou daarvoor gestraft worden met een scherpe muntontwaarding. Amerika niet: zolang de rest van de wereld veilig in dollars belegt, blijft de vraag naar dollars hoog en de Amerikaanse munt ijzersterk.

Maar er zijn tekenen dat het feest ten einde loopt. De groei vertraagt, vooral in de sectoren die de boom het meest stimuleerden, zoals de computerbranche. Aandelen van succesbedrijven als Intel en Microsoft krijgen zware klappen. Het aantal bankroeten stijgt alarmerend. Op de beurzen is men nerveus en lijkt men niet goed te weten welke kant men uit moet rennen. Bovendien kan de productiviteitsgroei niet in het huidige tempo worden volgehouden, zegt econoom Stephen Roach. Volgens hem werd die groei niet alleen veroorzaakt door technologische ontwikkelingen, maar ook doordat mensen harder en langer werken. Hij wijst erop dat de werkweek in de dienstensector — goed voor 77 procent van de werkgelegenheid in de privé-sector — officieel slechts 32,9 uren bedraagt. Dat dit cijfer zo belachelijk laag is, komt volgens hem doordat in de informatie-economie veel werk buiten de officiële uren wordt verricht, zodat de productiviteit — de output per uur — hoger lijkt dan ze is. En gelimiteerder, want volgens Roach kunnen mensen niet onbeperkt langer en harder blijven werken. De meest recente cijfers lijken hem gelijk te geven. De productiviteitsgroei vertraagt, de inflatie stijgt.

Dat de expansie niet eeuwig kan duren lijkt evident. Maar wordt het een zachte of een harde landing? Econoom James Paulsen vreest het ergste, juist vanwege de hoge productiviteit. «Als die tijdens een neergang net zo hoog is als tijdens de expansie, versnelt dat de werkloosheid omdat je meer kunt produceren met minder werknemers», zegt hij.

Een andere reden voor ongerustheid is dat de spendeerorgie van consumenten en bedrijven hen met een forse schuldenlast heeft opgezadeld. De consumentenschuld bedraagt 24,5 procent van het inkomen en de hoeveelheid waarmee de uitgaven van de privé-sector haar inkomsten overstijgen is gelijk aan 4,5 procent van het bruto nationaal product, een absoluut record. Dat betekent dat een neergang een scherpe daling van de privé-uitgaven met zich mee zou kunnen brengen. Dit kan uitmonden in een recessie die op de beurs hard zal aankomen. Amerika zou plotseling minder rijk zijn en dollarinvesteringen zouden veel minder aantrekkelijk worden. Het kapitaal zou het land uit vloeien, wat de recessie nog dieper zou maken. Alle verhitte discussies van Bush en Gore over de besteding van de begrotingsoverschotten zouden futiel worden, want Washington zou weer in de rode cijfers terechtkomen.

Maar dit nachtmerriescenario hoeft geen werkelijkheid te worden zolang de beurs niet instort en zolang investeerders elders geen betere alternatieven vinden. Alternatieven blijven schaars zolang de groei in de rest van de wereld gering is. Zo hangt de levensduur van Amerika’s economische mirakel mede af van de ontwikkelingen in Europa.

Tot nu toe is de economie echter zo florissant dat het vreemd lijkt dat Gore niet moeiteloos won. Maar de boom heeft het leven van de modale Amerikaan nauwelijks verbeterd. «Na de oorlog was er geen enkele expansieperiode die de welvaart zo weinig deed toenemen als de huidige», zegt Jeff Madrick. «In de jaren zestig ging de groei gepaard met forse loonstijgingen en dalende armoede. Tegenwoordig is dat niet zo.»

De welgestelde Amerikanen kregen het onder Clinton nog beter. Er zijn nu meer dan een miljoen miljonairs en 268 miljardairs. Bedrijfsleiders zagen hun inkomen met 443 procent stijgen en verdienen nu 419 keer meer dan hun arbeiders, wat de kloof tussen beide groepen vijf keer groter maakt dan tien jaar geleden. Negentig procent van de stijging van het nationaal inkomen ging naar de rijkste één procent. De rijkste tien procent bezit nu 73 procent van Amerika’s privé-bezit. Welgestelde Amerikanen hadden dus reden te over om Clinton en Gore dankbaar te zijn. Toch stemden zij vooral voor Bush, die hen met gigantische belastingcadeaus nog rijker wilde maken.

Toen Gore beloofde te vechten voor de werkende gezinnen en tegen het grote geld, vonden velen in de media dat hij de plank mis sloeg. Amerika baadde immers in voorspoed, de kiezers hadden geen oren naar «klassenstrijd». Maar na die speech steeg Gores populariteit pijlsnel. Bush haalde hem echter weer in door Gores geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Hij wees niet alleen op Gores legendarische overdrijvingen, maar ook op het feit dat hij in de voorbije acht jaar zijn beloften niet had waargemaakt, dus waarom zouden de kiezers hem dan nu geloven?

Vele beloften van Clinton en Gore bleven inderdaad dode letters. Zoals de strijd tegen armoede. Ondanks de boom leeft nog 11,8 procent van de bevolking onder de armoedegrens. Hoe kan dat, met een werkloosheidspercentage van 3,9? Doordat velen werken en toch arm blijven. Een derde deel van de Amerikanen met de laagste inkomens verdient 44 procent minder dan dezelfde categorie in Europa. Bijna een vijfde van Ame rika’s kinderen — 18,7 procent — is arm, en dat is meer dan twintig jaar geleden. Het percentage extreem arme mensen dat lijdt aan voedseltekort bedraagt 4,6. De situatie is, als voorheen, het slechtst voor raciale minderheden: 21 procent van de zwarten lijdt honger, het percentage kinderarmoede bedraagt onder zwarten 39,9 en onder Latino ’s 40,3. De strijd tegen de armoede werd onder Clinton zwakker. Met de bijstandshervorming van 1996 werd het recht op hulp in de vorm van voedselbonnen of gratis ziekenzorg drastisch ingeperkt.

De meeste armen stemden niet voor Gore en evenmin voor Bush. «Waarom zou ik? Het is tijdverlies», zegt de 31-jarige Aundray Dogain, die bij McDonald’s werkt. «Bush en Gore, ik zie geen verschil. Geen enkele verkiezing heeft ooit mijn leven verbeterd.» Ze krimpt ineen als ze de politici over de voorspoed hoort praten. «Er is voorspoed», zegt ze, «maar die is aan mijn deur voorbijgegaan.»

De voorspoed heeft ook de deur van de brede middenmoot nauwelijks op een kier gezet. Het inkomen van een modaal gezin stagneerde tot 1995, steeg daarna met 2,3 procent tot 1999 en in het laatste jaar met 2,7 procent. Daarmee is het modale inkomen terug op het niveau van 1989. Maar die bescheiden stijging wordt niet veroorzaakt door loonsverhoging. Het modale loon hield de inflatie nauwelijks bij en is nog steeds lager dan in de jaren zeventig. Een jonge loontrekker tussen de 25 en 33 jaar verdiende in 1998 dertien procent minder dan in 1973, zijn collega tussen de 34 en 44 verdiende negen procent minder. Alleen de oudsten zijn iets vooruitgegaan. En dit ondanks de productiviteitsstijging: «De productiviteitsstijging is bijna geheel ten goede gekomen aan de winsten, niet aan de lonen», zegt econoom Peter Hooper.

Waardoor is het modale gezinsinkomen dan toch gestegen? Doordat er harder voor wordt gewerkt. Het modale Amerikaanse gezin werkt tegenwoordig jaarlijks 247 uren meer dan tien jaar geleden. Enerzijds omdat meer gezinnen nu twee kostwinners hebben — 73 procent van de moeders met kinderen tussen één en vijftien jaar gaat uit werken, terwijl de meesten van hen vroeger thuisbleven — en anderzijds omdat er meer overuren worden gedraaid. Die worden vaak niet extra betaald en er zijn nauwelijks wettelijke grenzen aan het aantal overuren. Maine was deze lente de eerste staat die het aantal overuren beperkte tot tachtig per twee weken. Stijgen de beurswaarden leverden de middenmoot wat extra op, maar niet zo veel. Ondanks het «volkskapitalisme» waar de Wall Street Journal zo graag over schrijft, bezit de tachtig procent minst bedeelde Amerikanen samen slechts 4,1 procent van de aandelen.

Anderzijds werden vele consumptiewaren goedkoper. Zelfs arme Amerikanen hebben nu videorecorders, cd-spelers en magnetrons. Het aantal computerbezitters steeg razendsnel. Daar staat tegenover dat de kosten van huisvesting, hoger onderwijs, ziekenzorg en kinderopvang veel sneller stegen dan de modale inkomens. Universitair onderwijs kost nu bijna twintigduizend dollar per jaar, en vaak meer. Veel Amerikanen beginnen voor de hogere studies van hun kind te sparen vanaf de dag waarop het geboren wordt.

«Ziekteverzekering voor iedereen», was een van de slogans waarmee Clinton in 1992 de verkiezingen won. Maar op dit moment zijn 42,6 miljoen Amerikanen onverzekerd, drie miljoen meer dan toen Clinton president werd. Miljoenen armen verloren het recht op kosteloze ziekenzorg en 47 procent van de armen die werk hebben, is niet verzekerd. Clintons poging tot hervorming mislukte, wat niet wil zeggen dat er niets veranderde. Er vond een enorme concentratie plaats binnen de gezondheidssector, die tegenwoordig wordt gedomineerd door HMO’s, Health Maintenance Organisations: ziektekosten verzekeringen die netwerken van doktoren en ziekenhuizen controleren. De meeste Ameri kanen zijn vandaag de dag lid van een HMO — tegen een maandpremie van 260 dollar of meer — en moeten de doktoren en zieken huizen van hun HMO gebruiken, of anders bijbetalen. De ambtenaren van die HMO’s, niet de doktoren, beslissen of een patiënt een behandeling krijgt. Tegen hun beslissing is geen beroep mogelijk en de ambtenaren kunnen niet vervolgd worden voor verkeerde beslissingen. Zo hoopte men de medische kosten te beperken, maar dat lukte niet. Onlangs nog stegen de premies met tien tot veertig procent. De balans van de ziekenzorg na acht jaar Clinton: volgens een rapport van de Wereldgezondheids organisatie geven de VS van alle landen per inwoner verreweg het meeste uit aan gezondheid, maar staat het slechts op de 37ste plaats als het gaat om de kwaliteit van de zorg.

Huisvesting is een ander knelpunt. De vastgoedprijzen en dus ook de huurprijzen liepen de aandelenkoersen achterna. Het gevolg, zo erkent een recent rapport van het ministerie van Huisvesting, is dat een record aantal Amerikanen meer dan de helft van hun inkomen aan huisvesting besteedt of woont in een woning die niet voldoet aan de basiseisen. De huren stegen het scherpst waar economisch succes de vraag het meest stimuleerde, zoals in Silicon Valley, het centrum van de computerindustrie. Daar, en in het nabijgelegen San Francisco, steeg het aantal huisuitzettingen sinds 1995 met driehonderd procent. «Van de daklozen in Silicon Valley heeft 34 procent werk», zegt Barry DelBueno, directeur van een opvangcentrum voor daklozen, «maar de huurprijzen zijn zo hoog dat zelfs mensen met een behoorlijk loon in hun auto moeten slapen.»

Het huisvestingsprobleem is ook verergerd doordat er weinig werd geïnvesteerd in sociale woningbouw. «Het grote verschil met eerdere groeiperioden is dat de overheid nu niet investeert in publieke voorzieningen», zegt Harvard-professor Michael Sandel. «De verwaarlozing van de vele publieke scholen bijvoorbeeld is ronduit schandalig.»

Er was een uitzondering op dat passief investeringsbeleid: miljarden werden besteed aan nieuwe gevangenissen. Dat moest wel, want het aantal veroordeelden bleef stijgen, ondanks de dalende misdaad. Vooral door de «oorlog tegen drugs» die Clinton en Gore zo enthousiast voerden. Ruim twee miljoen Amerikanen zitten achter de tralies en 6,2 miljoen Amerikanen staan onder correctioneel toezicht, wat wil zeggen dat ze opgesloten of voorwaardelijk vrij zijn. Dat is drie procent van de volwassen bevolking, een stijging met veertig procent sinds Clinton president werd. Mede doordat de oorlog tegen drugs vooral in zwarte wijken wordt gevoerd — er zijn vijf keer meer blanke dan zwarte druggebruikers, maar 62 procent van degenen die wegens drugs gevangen zijn, is zwart — zit 9,4 procent van de zwarte jongemannen die tussen 25 en 29 jaar oud zijn achter de tralies. Dertien procent van de zwarte mannelijke bevolking heeft wegens veroordelingen geen stemrecht meer.

Volgens socioloog Alan Wolfe zullen de Clinton-jaren herinnerd worden als een periode van «reaganisme zonder Reagan». Michael Sandel ziet ze vooral als een gemiste kans. «De huidige boom had gebruikt moeten worden om de schrijnende sociale problemen aan te pakken», zegt hij. «Nu worden de problemen door de gunstige economie nog verzacht, maar dat zal niet voortduren.» Hij verwacht spannende jaren voor de nieuwe president.