De Moslimbroeders hebben hun hand overspeeld

De erfenis van het Tahrirplein

Dat Moslimbroeder Mohamed Morsi is verkozen tot president van Egypte zegt weinig over de macht van het islamisme. Zonder de militairen was het Morsi niet gelukt, en bovendien woedt er een fundamentele richtingenstrijd binnen zijn partij.

De Egyptische lente lijkt ten einde. Op 14 juni verklaarde het Constitutionele Hof de verkiezingen die een maand eerder plaatsvonden ongeldig en werd het parlement ontbonden. Drie dagen later kozen de Egyptenaren de leider van de partij van de Moslimbroederschap Mohamed Morsi als nieuwe president. Maar nog voordat de uitslag bekend werd, beperkten de militairen de bevoegdheden van de president ten gunste van zichzelf. Ook al zullen de militairen en de Broederschap een coalitie vormen, dan nog zullen de militairen de hoofdrol spelen.

Dat het leger de macht naar zich toe heeft weten te trekken heeft niet zo veel te maken met de taaiheid van de autoritaire staat, zoals politicologen ons willen doen geloven, en ook niet met het fundamentalisme van de Moslimbroederschap, zoals islambashers beweren – beide spelen natuurlijk een rol. Maar veel belangrijker is het hoe de Broederschap het spel heeft gespeeld. Doordat de Broederschap een politieke strategie volgde die de eenheid van het brede verzet van het Tahrirplein volledig ondermijnde, heeft ze het klimaat geschapen waarin het leger de Broederschap en de liberale fracties tegen elkaar kon uitspelen en de macht kon grijpen.

Op het moment dat in Egypte de revolutie uitbrak, eind januari 2011, was de Moslimbroederschap nog volop bezig met interne hervormingen, een proces dat al decennia gaande is. Gold voor de Broederschap sinds haar oprichting eind jaren twintig van de vorige eeuw het adagium ‘islam is een totaal systeem’ en ‘islam is staat en religie’ – vanaf eind jaren zeventig veranderde dat. De totalitaire aanspraken brokkelden af. Er sloop relativisme in het denken van de Moslimbroederschap en realisme begon het te winnen van utopisme. Naarmate de aanspraken op de waarheid afnamen, werd het mogelijk interne debatten te voeren en compromissen met andere stromingen te sluiten. Partijpolitiek, voorheen verworpen als een bedreiging voor de ‘eenheid van de umma’ en een ‘gedegenereerd politiek systeem’, werd nu omarmd als middel om de maatschappij geleidelijk te veranderen. In 1984 nam de Broederschap voor het eerst deel aan algemene verkiezingen. Daarna zouden nog acht verkiezingscampagnes volgen, met als hoogtepunt 2005, toen de Broederschap 88 van de rond vierhonderd zetels won, een record.

Het was vooral de nieuwe generatie van opkomende leiders die in de parlementaire democratie en interne openheid geloofde. Goed opgeleid en wereldwijzer dan de oude garde, die veelal nog de oprichter van de Broederschap Hasan al-Banna zelf had gekend, wilden zij de Broederschap ontwikkelen tot een brede democratische volkspartij. De opmerking van de Franse socioloog Olivier Roy dat de politieke islam draait om deugdzaamheid en piëteit en ‘de rest zonde, samenzwering of illusie is’, gold al niet meer toen hij deze zin in 1992 opschreef. In veel opzichten is de nieuwe generatie Moslimbroeders vergelijkbaar met de linkse intellectuelen van de jaren zestig in Europa die evolueerden van het utopisch marxisme naar de sociaal-democratie.

Deze veranderingen gingen echter niet zonder slag of stoot. De Algemene Leider van de Broederschap kon in de jaren negentig nog verklaren dat de christelijke minderheid, de kopten, in de nieuwe islamitische orde ‘genoegen moesten nemen met de _dhimmi-_status’. Maar de ophef die deze uitspraak binnen de beweging veroorzaakte, liet zien dat de beweging aan het veranderen was. Begin deze eeuw kwam het proces in een stroomversnelling. Het politieke programma dat in 2006 verscheen, werd gezien als het meeste liberale document tot dan toe. Het document onderschreef voor het eerst een aantal liberale vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting en organisatie, onafhankelijkheid van de rechtspraak, scheiding van machten, verdediging van mensenrechten.

Ondertussen bouwde de fractie in het parlement een reputatie op als constructieve oppositiepartij. Zelfs door de Amerikaanse ambassade werd ze als ‘exemplarisch’ gezien. Niet met de invoering van de sharia of het sluieren van vrouwen, maar met concrete politiek, met het aan de kaak stellen van corruptie en de bestrijding van armoede legde de Broederschap het regime van Moebarak het vuur aan de schenen.

Zo vertegenwoordigde ook de Moslimbroederschap wat tijdens de opstand tegen Moebarak in volle hevigheid duidelijk werd: het primaat van de politiek. Egyptenaren waren zich steeds meer bewust geworden van het verband tussen corruptie, de opbouw van een politiestaat, zelfverrijking van de kliek rond Moebarak en zijn zoons, de verslechtering van de staatsvoorzieningen en de verarming van de bevolking. De Moslimbroederschap droeg daaraan bij. De slogan ‘islam is de oplossing’, die nog overheersend was in de jaren tachtig, klonk veel liberale Broeders nu versleten in de oren.

De vraag is alleen in hoeverre deze omarming van het politieke door de beweging als geheel wordt gedragen. Ondanks nieuwe tendensen heeft de beweging veel van haar oude autoritaire structuur, ook wel de tanziem (de organisatie) genoemd, behouden. Op zich is dit niet verwonderlijk, want de Broederschap werd opgericht in de ergste periode van totalitaire politieke ideologieën en hiërarchische organisatievormen. Het van de communisten afgekeken celsysteem vormt nog steeds de ruggengraat van de ­beweging. Een aspirant-lid moet zich bijvoorbeeld eerst zes jaar onderwerpen aan het koranische principe van ‘horen en gehoorzamen’ voordat hij volwaardig lid wordt. Leden leggen ook de eed van trouw, de bay’a, af aan de Algemene Leider.

De tanziem heeft de Broederschap ook gered, want zonder deze structuur zou de Broederschap zestig jaar van dictatuur niet hebben overleefd. Het grote probleem was alleen dat toen het Moebarak-regime viel de tanziem nog volledig intact was. Net als in de communistische partijen zijn het niet de creatieve intellectuelen maar de apparatsjiks die uiteindelijk de dienst uitmaken. De huidige Algemene Leider en de net tot president gekozen Mohamed Morsi zijn daar de belichaming van.

In de nieuwe opener en democratischer politieke context na de val van Moebarak blijkt dat de tanziem naast voordelen ook grote nadelen heeft. Dankzij de strakke discipline van de tanziem kon de Broederschap als geen ander tijdens het verzet op het Tahrirplein in de eerste maanden van 2011 een gedrilde macht op de been brengen. Ook gedurende de rest van het jaar speelde de Broederschap dankzij haar strakke, ordelijke organisatie op cruciale momenten een doorslaggevende rol in de strijd tegen de militairen.

Maar het zijn ook de belangen van de tanziem en de bescherming van haar uitgestrekte economische en sociale infrastructuur die de ambivalentie van de Moslimbroederschap verklaren. Aan de ene kant wilde de Broederschap de Hoge Raad van de Militaire Strijdkrachten (hrms) verzwakken. En toen die in november/december 2011 het vuur opende op betogers had de Broederschap precies wat ze wilde: de militairen verloren de populariteit die ze hadden verkregen door Moebarak af te zetten. Aan de andere kant had ze de hrms nodig om haar belangrijkste doel te bereiken. Meteen na de val van Moebarak werd er namelijk één doel heilig verklaard: het winnen van de algemene verkiezingen van november-januari 2011-2012. Daarvoor moest eerst de Partij voor Vrijheid en Rechtvaardigheid (pvr) worden opgericht; een meerderheidsstrategie zou ervoor zorgen dat de revolutie in haar schoot zou vallen.

Dit betekende niet dat de Broederschap de protesten niet meer steunde, maar ze steunde die alleen wanneer het haar uitkwam. Om gewelddadige confrontaties met het leger en de politie te vermijden nam ze niet langer deel aan permanente sit-ins en riep ze haar leden op ’s avonds braaf naar huis te keren. Samenwerking met seculiere politieke bewegingen en helemaal met de protestgroepen op het Tahrirplein bleef op bevel van het politbureau van de Broederschap uiterst beperkt.

De leiding van de Broederschap wisselde tijdens de algemene verkiezingen van november-januari 2011-2012 haar leuze ‘islam is de oplossing’ in voor de leus ‘voor het belang van Egypte’. Ze streefde officieel een civiele staat na in plaats van een religieuze staat. Maar de clausule dat die civiele staat gebaseerd moet zijn op ‘religieuze bronnen’ riep weer grote twijfels op. Het gevolg was dat de Broederschap een slechte reputatie kreeg onder de Tahrir-protest­beweging en onder linkse en liberale intellectuelen die haar na de val van Moebarak wel een kans wilden geven. Het leek erop dat de Broederschap met de ene hand terugnam wat ze met de andere had gegeven. Haar reputatie opportunistisch en machtsbelust te zijn werd verder gevoed doordat ze telkens terugkwam op eerder gedane beloftes. Met de aankondiging in maart 2012 dat ze een presidentskandidaat naar voren zou schuiven, terwijl ze tot dan toe bij hoog en bij laag had ontkend belangstelling te hebben voor deze functie, verspeelde de Broederschap haar laatste krediet.

Ondanks de groeiende verwijten van machtspolitiek slaagde de Broederschap in haar poging de algemene verkiezingen te winnen. In januari 2012 bleek dat ze 235 zetels had behaald (47 procent van de stemmen). Samen met de salafistische Noer Partij, die veel strenger in de leer is, wonnen de islamisten een spectaculaire driekwart van de zetels. Haar meerderheidsstrategie – ‘de wil van het volk’ vertegenwoordigen – leek op spectaculaire wijze te zijn geslaagd. Met deze volonté générale – en niet de wil van God (ook al zien sommige leiders van de Broederschap zelf geen verschil tussen de twee) – maakt de Broederschap er ook naar buiten toe aanspraak op de erfgenaam van de Revolutie van 25 Januari te zijn.

Maar achteraf lijkt deze meerderheids­strategie een blunder te zijn. Had de Broederschap wel begrepen waar de Revolutie van 25 Januari over ging? Waren niet het fundamentele wantrouwen in de macht, autoriteit en hiërarchie en de terugkeer van de politiek de uitgangspunten van de Revolutie? En was niet het ouderwetse hegemoniale denken vervangen door ideologisch pluralisme en horizontalistisch activisme? Ten slotte: overschatte ze haar eigen aanhang niet? Zegt niet iedereen die het weten kan dat de Moslimbroederschap op een vaste aanhang van hooguit 25 procent van de bevolking kan rekenen? Hoe komt ze er dan bij de algemene wil van het volk te vertegenwoordigen?

De kritiek op de meerderheidsstrategie van de Broederschap, wat de beroemde Amerikaanse commentator Fareed Zakaria ‘illiberal democracy’ noemt, werd nog verhevigd doordat ze ook intern zondigde tegen de nieuwe trend die zich had gemanifesteerd op het Tahrirplein. Al snel na de val van Moebarak waren de meeste liberale figuren binnen de beweging, zoals de latere islamitische presidentskandidaat Abd al-Munim Aboe al-Fatoeh, uit leiding­gevende posities verwijderd en soms zelfs uit de partij gezet.

De kans om een brede, pluriforme, multi­religieuze volkspartij op te richten, analoog aan de christen-democratische partijen in Europa, zoals de nieuwe generatie liberalen zich dat had voorgesteld, liep op niets uit toen het polit­bureau van de Broederschap uit zijn midden het nieuwe leiderschap van de Partij voor Vrijheid en Rechtvaardigheid benoemde. Toen leden van de Broederschap ook nog eens werd verboden (!) op andere partijen te stemmen dan de pvr, laat staan een aparte partij op te richten, was duidelijk dat het democratisch-centralisme van de Broederschap zou prevaleren. Het gevolg was een ‘tweede’ uittocht, deze keer van jongeren die het principe van ‘horen en gehoorzamen’ (de basis van de tanziem) niet langer pikten.

Het interessante van de nieuwe groeperingen, opgericht door moslims die uit de Broederschap verdreven werden, is dat ze verder gaan waar de Broederschap was blijven steken. In hun denken speelt de invoering van de sharia bijna geen rol meer. Politiek moet volgens hen gebaseerd zijn op burgerrechten, gelijkheid en erkenning van ‘pluralisme’ en keuzevrijheden. Politiek is er om de autoritaire staat af te bouwen, niet om religie mee te bedrijven.

Abd al-Munim Aboe al-Fatoeh’s programma is bijvoorbeeld gebaseerd op ‘tolerantie’, ‘openheid’ en ‘dialoog’ met andere politieke groeperingen en andere religies. Van hem mag een vrouw of een kopt president worden. Hetzelfde geldt voor voormalige Broederschap-jongeren die de Egyptische Stroming (Al-Tayyar al-Masri) oprichtten en weigeren haar een islamitische partij te noemen. Zij zijn vooral geïnteresseerd in de islam als ethiek, niet als een godsdienst van regeltjes. Ook in tactisch opzicht begonnen deze groeperingen steeds meer van de originele Moslimbroederschap te verschillen. Hield de Broederschap de linies gesloten, zij waren bereid met andere groepen samen te werken, deel te nemen aan open sit-ins, en weigerden zich aan de kaderdiscipline en dwingelandij van de tanziem te onderwerpen. Voorzover ze deelnamen aan de verkiezingen sloten ze zich aan bij de linkse Socialistische Volksalliantie.

Dit wil niet zeggen dat binnen de Broederschap de liberalen helemaal zijn verdwenen. Enkelen van hen wisten zich aan de partijdiscipline te ontworstelen. Zij waagden zich zelfs nog op het Tahrirplein, ook al werd dat door de leiding afgekeurd. De moedigsten zeggen openlijk dat de sharia volstrekt irrelevant is voor het bedrijven van politiek en het oplossen van de gigantische problemen waarvoor Egypte staat. Maar hun uitlatingen en acties worden meteen gelogenstraft door de algemene lijn van de Broederschap.

De meerderheidsstrategie van de Broederschap keerde zich nog het meest tegen henzelf in de grondwetskwestie. De invoering van een nieuwe grondwet werd terecht meteen na de val van Moebarak aan de orde gesteld. Liberalen, zoals de voormalige directeur van het Atoom­agentschap, Mohamed el-Baradei, pleitten voor een snelle benoeming van de Constitutionele Raad die een grondwet zou opstellen. Dat moest gebeuren vóór de algemene en presidentiële verkiezingen. Dit was voor hen de grote kans om Egypte in één keer een (liberale) grondwet te geven waarin alle burgerrechten, gelijkheid voor de wet en vrijheid van meningsuiting en godsdienst, onafhankelijke rechtspraak en deling van de machten vastgelegd zouden worden vóórdat de tegenkrachten van het vorige regime zich zouden kunnen organiseren. De Moslimbroederschap verzette zich hier echter tegen. Ze sloot een deal met de militairen en ondersteunde een herziening van acht artikelen in de grondwet die noodzakelijk waren om vrije algemene en presidentiële verkiezingen te houden. Over de cruciale bevoegdheden van de president werd met geen woord gerept. In maart werd hierover een referendum gehouden dat ze met 77 procent van de stemmen won.

De Broederschap ondersteunde ook de constitutionele verklaring die de militairen uitgaven, waarin de road map van de transitie werd geregeld. Hierin was onder meer het cruciale artikel 60 opgenomen waarin wordt gesteld dat ‘het parlement de grondwetgevende raad kiest’. Gedurende de hele aanloop naar de algemene verkiezingen zouden de liberalen nog ettelijke pogingen ondernemen om een onafhankelijke commissie in te stellen. In ieder geval probeerden ze het rampzalige artikel 60 te veranderen, zeker toen in de zomer van 2011 duidelijk werd dat de Moslimbroederschap het parlement zou gaan domineren.

Toen de grondwetgevende raad (samengesteld door het parlement) in januari een islamitische meerderheid kreeg, liepen de liberalen dan ook naar de rechter, die deze raad ongrondwettig verklaarde omdat ze ‘niet de verschillende sectoren van het Egyptische volk vertegenwoordigde’. De Broederschap was daardoor begin juni gedwongen een compromis te sluiten met de seculiere krachten, maar omdat dit te lang duurde en een deel van de leden wegliep, was de raad nog niet eens begonnen aan haar taak op de dag dat het parlement werd ontbonden en de militairen de macht naar zich toe trokken.

Door alles te willen winnen staat de Broederschap uiteindelijk met lege handen. Omdat zij vervreemd was geraakt van de liberalen en linkse groeperingen konden de militairen de brede beweging tegen het vorige regime uiteenspelen, konden ze de Broederschap steeds meer in een kwaad daglicht stellen en de geesten rijp maken voor de juridische staatsgreep.

Is de revolutie hiermee afgelopen en kunnen de militairen de macht zomaar overnemen en het oude regime van Moebarak herstellen? De eerste ronde van de presidentsverkiezingen heeft de contouren van een alternatief aangetoond, want ook al wonnen Shafiq en Morsi in deze ronde, ze wonnen met geringe aantallen. Het aantal kiezers dat op Morsi stemde was de helft (24,9 procent) van het aantal stemmen dat de Broederschap tijdens de algemene verkiezingen haalde (47 procent).

Daarentegen verloor de linkse kandidaat Hamdien Sabbahi maar nipt in de eerste ronde, (21,6 procent), maar samen met de liberale moslim Aboe al-Fatoeh (die 18 procent van de stemmen haalde) had de links-liberale coalitie bijna veertig procent van de stemmen. Het lijkt er sterk op dat de spontane opstand van Tahrir zich langzaam verder ontwikkelt en dat de groep een politieke vuist kan gaan maken. Vooral in de beroepsorganisaties en de nieuwe vakbonden zijn de revolutionairen van het eerste uur nu sterk vertegenwoordigd. Veel intellectuelen koesteren hoop door deze ontwikkelingen, sommigen noemen het zelfs al de Derde Weg.

Ook al is deze Derde Weg verdeeld tussen liberale islamisten, trotskisten, anarchisten, rijke ondernemers en bewoners van de arme wijken in Alexandrië en Caïro (Sabbahi won in beide steden), het feit dat zo’n hoog percentage in de eerste ronde niet voor de uiteindelijke twee winnaars koos, geeft aan dat de merkwaardige, ongrijpbare, snel ontvlambare beweging die de Egyptenaren de Revolutie van 25 Januari noemen nog lang niet ten einde is.

Het leger heeft nu misschien de eerste slag gewonnen en Morsi is president, maar ze kunnen hun merkwaardige verbond niet zomaar voortzetten. De laatste ronde van de presidentiële verkiezingen heeft aangetoond dat de steun voor het herstel van het ancien regime beperkt is en dat Morsi vooral heeft gewonnen dankzij de steun van diegenen die eerder op Sabbahi stemden. De Broederschap moet dit onder ogen zien, wil ze niet geheel verliezen. Ondertussen zal de Derde Weg zich versterken voor de volgende verkiezingen. De strijd om de erfenis van het Tahrirplein is nog lang niet ten einde.