Zedenverwildering in Sint-Petersburg

De erotische revolutie

In de ogen van veel Russische intellectuelen betekende de Oktoberrevolutie van 1917 de verkrachting van het heilige Rusland door erotisch ontketende wilden. Wie nu in Sint-Petersburg de plekken bezoekt waar de revolutie haar beslag kreeg, merkt dat de erotische verwildering pas onlangs heeft toegeslagen.

Sint-Petersburg — Het Taurische paleis ziet er inmiddels weer toonbaar uit. Tien jaar geleden was het ernstig in verval. Toen kon je er niet aan afzien dat het neoclassicistische gebouw ooit een erotisch geladen geschenk was. Catharina de Grote liet het paleis bouwen voor haar meest briljante minnaar, generaal Grigori Potjomkin, nadat hij erin was geslaagd de Krim, ook wel Tauris genaamd, bij het Russische Rijk in te lijven. Lang heeft de generaal niet van zijn geschenk kunnen genieten. Een jaar nadat hij het betrok, stierf hij. Hij had nog net de gelegenheid er een van de grootste en meest pompeuze nieuwjaarsfeesten in te geven die Petersburg ooit heeft aanschouwd, compleet met olifanten en gigantische koren en balletten.

Peter de Grote heeft Petersburg gebouwd, maar Catharina en meer nog haar voorgangster Elisabeth hebben de stad haar zinnelijke schoonheid geschonken. Alle gebouwen die de stad zo betoverend maken, zijn onder hun bewind tot stand gekomen.

Het Taurische paleis mag dan betrekkelijk saai zijn vergeleken met de kleurenpracht van het Winterpaleis en het Smolny-klooster, het belichaamt alleen al door zijn karakter van liefdesgift wel degelijk ook de aristocratische Eros waarmee Elisabeth en Catharina de stad bezielden. En gezien vanuit dat perspectief is de bolsjewistische revolutie van 1917 niets meer of minder dan de brute verkrachting van die Eros. De verovering van het Taurische paleis, het Smolny-klooster en het Winterpaleis door de proletarische massa’s leek in veel opzichten op de overmeestering van een weerloze maagd door een losgeslagen bende serieverkrachters. Zeker in de ogen van de verheven intellectuelen uit die dagen, voor wie het heilige Rusland van de tsaren een mystiek-erotisch godsrijk op aarde was.

In het ruime en aangename park dat bij het Taurische paleis hoort, herinnert weinig meer aan de decadente oorsprong. De communisten maakten er een kinderpark van door er een aantal speeltuinen in aan te leggen en zelfs een pretparkje met roestige treintjes en krakende botsautootjes. In een hoekje van het park staat een lege sokkel met daarop in rode spuitbusletters: «Zet Lenin terug op deze plek.» Een rode ster doet dienst als uitroepteken.

Wie nog wel op zijn sokkel staat, is de dichter Sergej Jesenin, in de jaren twintig het seks sym bool van de communistische jeugd. Na zijn zelfmoord in 1925 stortten zich massa’s oververhitte meisjes in de Neva. Nu kijkt zijn drie meter hoge, witmarmeren beeltenis sereen neer op het korte gras van het Taurische park. Ver derop ligt een in onbruik geraakt openlucht the atertje. Op de zijkant staat in grote letters «SEX» geschreven met een pijl erbij. Een symbool voor de gedemocratiseerde, voor iedereen toegankelijke Eros die inmiddels van Petersburg bezit heeft genomen. ’s Nachts is hier goedkope liefde te krijgen.

In het Taurische paleis huist nu een van de democratische instituties van het nieuwe Rusland. En daar was het allemaal mee begonnen: met de schoorvoetende intrede van de democratie in het autocratische Rusland. In mei 1906 kwam hier voor het eerst in de geschiedenis de Doema bijeen, de volksvertegenwoordiging die tsaar Nicolaas II onder druk van de bloedige opstanden in het jaar daarvoor met forse tegenzin in het leven had geroepen. Het was een zwakke poging de absolutistische monarchie een democratisch tintje te geven. Een vertegenwoordiger van het oude regime bezag de toestromende doemaleden met diepe walging: «Het was een bijeenkomst van wilden. Het leek alsof het Russische platteland opzettelijk had besloten alles af te vaardigen wat het aan barbaarsheid, stompzinnigheid en kwaadaardigheid kon ophoesten.» Twee maanden later werd de Doema op last van de tsaar al weer ontbonden — een ritueel dat zich tot de revolutie van 1917 nog driemaal zou herhalen.

Ten tijde van de eerste Doema zat de Petersburgse intelligentsia in de naaste omgeving van het Taurische paleis te somberen over het lot van Rusland, dat onder de weifelmoedige leiding van Nicolaas II onherroepelijk naar de afgrond gleed.

Aan de oostzijde van het park is nog altijd het huis met het torentje te zien waar de excentrieke dichter-filosoof Vjatjeslav Ivanov elke woensdagavond salon hield. In de jaren tussen de opstanden van 1905 en 1917 preekte Ivanov daar een mystiek soort anarchisme, waarmee hij zich verzette tegen het aftandse nationalisme en hoera-patriottisme van die dagen. Het waren, zoals een deelnemer later vertelde, «dyonisische avondjes», waarop Ivanov en de zijnen, gehuld in lange gewaden, al reidansend de ultieme extase trachtten te bereiken. «De adem van Dionysos woei door Rusland en beroerde de culturele bovenlaag. Orgiasme was in de mode. Men zocht naar extase. Eros had een beslissende overwinning op Logos behaald.»

Dezelfde getuige vertelt ook van dat andere epicentrum van de Petersburgse intelligentsia: het huis van de Merezjkovski’s, iets ten westen van het Taurische park. Daar troffen de grote dichters van de Russische Zilveren Eeuw elkaar op de bijeenkomsten van het Religieus-Filosofisch Genootschap. Gastheer was de dichter-filosoof Dmitri Merezjkovski, gastvrouw de exotische dichteres Zinaida Merezjkovski-Hippius. Onze getuige trof er dezelfde esoterische sfeer aan als bij Ivanov. «De Merezjkovski’s hadden steeds de neiging uit naam van een zekere ‹wij› te spreken, die tezamen de nieuwe kerk van de Heilige Geest moesten vormen, waarin het geheim van het vlees zich zou openbaren.» In geëxalteerde verzen en ronkende verhandelingen bezongen de Merezjkovski’s en hun aanhangers het tragische lot van Rusland. Onder aanroeping van alle Griekse, Egyptische en Byzan tijnse goden en van Johannes’ Apocalyps en Nietzsches Zarathustra trachtten ze de ondergang van Rusland in de oorlog met Duitsland te bezweren. Voor hen stonden de oorlog en de daaropvolgende revolutie gelijk aan de verkrachting van het heilige Rusland door een ontketende Eros.

Met ontzetting en afschuw moeten de Merezjkovski’s de demonstrerende massa’s hebben bekeken die onder hun raam langs marcheerden. Het pand waarin ze woonden staat nog altijd op de hoek van de Litejnij Prospekt en de Pes tel Prospekt, een aristocratisch gebouw met exotische, oosters aandoende versieringen, ooit gebouwd voor ene prins Moeroezov. Nu herinnert niets meer aan de exclusieve bijeenkomsten die hier in de eerste twee decennia van de vorige eeuw plaatsvonden, of het moet de winkel met exclusieve Franse mode zijn die op de begane grond is gevestigd. Wel prijkt op de gevel een recent aangebrachte gedenksteen ter ere van een andere literaire grootheid: Josif Brodski. In datzelfde monumentale huis, door de communisten opgedeeld in talloze communale woninkjes, bracht de latere Nobelprijswinnaar zijn jeugd jaren door, tot hij door Brezjnevs cultuurpolitie werd weggepest.

Het heilige Rusland werd niet alleen van buitenaf bedreigd, ook in het hart van de autocratie was een ongetemde Eros bezig de natie te ondermijnen. Aan het hof van tsaar Nicolaas II regeerde de onderbuik over het hoofd. Die onderbuik werd verpersoonlijkt door Grigori Jerofimovitsj Raspoetin, de «heilige dwaas» uit Siberië.

In 1915, met de oorlog in volle gang, kreeg Raspoetin vrij spel toen de tsaar naar het front vertrok om hoogstpersoonlijk het opperbevel over het leger op zich te nemen. De tsarina kreeg bij wijze van huiselijke taakverdeling de leiding over de regering toebedeeld. Tsaar noch tsarina kon op enige competentie bogen in de taken die ze op zich namen. De tsarina liet zich in al haar besluiten raden door haar paranormaal begaafde leidsman Raspoetin.

Vergeleken met de verfijnde, aristocratische Eros van Catharina de Grote was Raspoetin een totaal gedegenereerde Eros. De immer ongewassen monnik, die volgens een neusgetuige «een doordringende, dierlijke geur als van een geit» met zich meedroeg, dankte zijn succes aan zijn hypnotiserende werking op vrouwen, met name op de tsarina en haar trouwe hofdame Anna Vyroebova.

De macht gedurende de laatste oorlogsjaren lag niet bij de tsaar, die zich meestentijds aan het front bevond, ze lag ook niet bij zijn ministers, vergaderend in het Winterpaleis onder het wispelturige toezicht van de tsarina, en ze lag al helemaal niet bij de Doema die, als ze al bijeenkwam, vanuit het Taurische paleis slechts krachteloos gepruttel liet horen. De macht was samengebald in het kleine huisje van Anna Vyroebova aan de rand van het keizerlijke paleizencomplex in Tsarskoje Selo. Daar ontving de tsarina de directieven van Raspoetin. Ruslands zegetocht, profeteerde de vrijwel ongeletterde raadgever, zou niet meer te stuiten zijn zodra de Russische vloot voor de poorten van Wenen zou liggen.

Enkele dagen voor het omineuze jaar 1917 kwam er eensklaps een einde aan Raspoetins heerschappij. Aan het hof konden velen het rampzalige optreden van het keizerlijke paar niet langer aanzien. In zijn paleis aan de Mojka deed prins Joesoepov, samen met twee kameraden, een poging de monnik te vergiftigen.

Terwijl de moordenaars zaten te wachten op Raspoetins laatste kreun, stelde de bijna-dode voor om nog even met z'n allen naar de hoeren te gaan. Ze hadden immers toch, zoals hij zei, «God in de geest en de mens in het vlees». Ten einde raad besloten de samenzweerders de taaie monnik dan maar neer te schieten. Ook dat overleefde de man. Hij vluchtte bloedend de tuin in, waar een laatste wanhoopschot hem eindelijk ter aarde deed storten. Maar zelfs toen ze het lichaam met touwen ingesnoerd in een wak in de Neva lieten zakken, moet Raspoetin nog hebben geleefd. Drie dagen later werd het lijk opgevist met een losgewurmde hand in een zegenend gebaar geheven.

De moord op Raspoetin bracht nauwelijks enige verandering. Rusland bleef bestierd worden vanuit het huisje van Anna Vyroebova. De plaats van de vermoorde Raspoetin werd ingenomen door Aleksandr Protopopov, de door Raspoetin aan de tsaar opgedrongen minister van Binnenlandse Zaken. Elke morgen alvorens aan het werk te gaan, belde de warhoofdige bewindsman met de hofdame om met haar de raadgevingen te bespreken die Raspoetin hem die nacht in zijn droom had ingefluisterd. Het gevolg was een fatale politiek van repressie, censuur en massa-arrestaties die binnen enkele maanden tot de ondergang van het tsarenhuis leidde. «Ongehinderd door enige kennis van het overheidsapparaat trachtte Protopopov de tsaar te dienen door een hysterisch samenraapsel van persoonlijke gevoelens en chaotische ideeën aan de voet van diens troon neer te vleien», schreef de dichter Alexander Blok in het officiële rapport dat hij voor de Voorlopige Regering schreef over de val van de tsaar.

De revolutie van februari 1917, die tot de troonsafstand van de tsaar en tot de instelling van de Voorlopige Regering leidde, werd ingeluid door hongerende vrouwen die op de Internationale Vrouwendag (24 februari volgens de Russische, 8 maart volgens onze tijdrekening) de straat op gingen. Binnen de kortste keren groeide de bescheiden groep vrouwen uit tot een massademonstratie van honderdduizenden mensen.

De politie slaagde er niet in Protopopovs genadeloze orders op te volgen en de massa’s met grof geweld te verspreiden, te meer daar steeds meer legeronderdelen zich bij de demonstranten aansloten. Als door een magneet werd de massa naar het Taurische paleis getrokken, in de veronderstelling dat dat de plek was waar de revolutie moest plaatsgrijpen. In dat paleis zat niet alleen de Doema; in de linkervleugel van het gebouw had zich inmiddels ook de Petrogradse Sovjet (Raad) van Soldaten, Arbeiders en Boeren gevestigd, een geduchte concurrent voor de Doema.

Het was aan de uitgekiende diplomatie van de advocaat Aleksandr Kerenski te danken, die zowel lid van de Doema als vice-voorzitter van de Sovjet was, dat er een uitweg uit de patstelling werd gevonden in de vorm van een Voorlopige Regering. Kerenski was de onbetwiste leider van de Februarirevolutie. Een kleine, bleke intellectueel met een perfect gevoel voor het momentum van de gebeurtenissen. Dankzij zijn pathetische charisma en theatrale kwaliteiten lukte het hem de chaos van de straat in enigszins democratische banen te leiden en daarmee een al te bloedige revolutie te voorkomen. Het lukte hem zelfs de gearresteerde Protopopov te beschermen tegen de graaiende handen van het volk dat in het Taurische paleis was samengestroomd. «Waag het niet deze man aan te raken!» riep hij met geheven hand, terwijl hij met de andere hand de gebogen gestalte van Protopopov achter zich aan sleepte naar veiliger oorden.

Een fijnbesnaarde intellectueel die de massa temt: het betekende een hele geruststelling voor de Petrogradse intelligentsia, die zich allesbehalve prettig voelde met al die losgelagen menigten op straat. Zinaïda Hippius sprak in haar dagboek van «twee oevers». Aan de ene oever stond de «grijze, fatsoenlijke, beschaafde maar krachteloze Voorlopige Regering», die met haar goede vriend Kerenski in de gelederen de vanzelfsprekende steun van het weldenkende deel der intelligentsia verdiende. Aan de andere oever rumoerde de Sovjet, die tot Hippius’ genoegen geen steun uit de intelligentsia kreeg, met uitzondering van «een paar fanatici, zelfingenomen leeghoofden, naïevelingen en zwakbegaafden». Tussen beide oevers bewoog zich de stuurloze massa, die haar ten diepste beangstigde.

Die massa kwam meer en meer in de greep van de bolsjewieken, waarvan de leiders inmiddels domicilie hadden gekozen in weer een ander monument van de verdreven aristocratische Eros: het paleisje van Matilda Ksjesinskaja, de prima ballerina die ooit de minnares van tsarevitsj Nikolaj was geweest. De fraaie Jugendstil-villa, met haar grillige, giet ijzeren ornamenten, ligt nog altijd aan de andere oever van de Neva, schuin tegenover het Winterpaleis. In maart 1917 namen de bolsjewieken er hun intrek. In april voegde Lenin zich bij hen, die per verzegelde trein uit Zwitserland was gekomen om de touwtjes van de revolutie in handen te nemen. Vanaf het balkon sprak hij de toegestroomde menigte toe, die gesterkt door zijn woorden daarna voor de zoveelste keer de kilometerslange wandeling naar het Taurische paleis aanving.

In later tijden werd de villa met enkele vleugels uitgebreid en omgevormd tot het Museum van de Russische Revolutie. Dat heet nu het Museum voor de Politieke Geschiedenis van Rusland, een merkwaardig, hybride geheel, samengesteld uit de brokken en scherven van twee eeuwen politieke chaos.

In de hal heet een felrood gebrandschilderde Lenin de bezoeker welkom. In de eerste zaal stuit hij op het manshoge, in glas geëtste wapen van Nicolaas II. Voor het overige herbergt die zaal de oude spullen uit de sovjettijd, nog altijd in constructivistische opstelling, met veel rode doeken schuin door de ruimte gespannen. Maar er zijn ook nieuw ingerichte zalen, voorzien van merkwaardige titels. «Wie doodde Nicolaas II?» staat bij de ingang van een ruimte waarin de bezoeker veel poëtische associaties maar weinig historische documenten aantreft.

De leukste zaal is die met het opschrift «Van groots tot belachelijk», waarin met een vette knipoog allerlei sovjetkitsch is verzameld, maar ook illegale spotprenten op de communistische leiders. Er is een ruimte gewijd aan de wonderschone Ksjesinskaja, met onder meer foto’s waarop ze in bevallige houdingen in de maagdelijk lege feestzaal van haar paleisje poseert. In weer een andere ruimte, met daarin de werktafel van Lenin, zijn foto’s te zien waarop zichtbaar bezopen, bolsjewistische soldaten in diezelfde feestzaal over de grond dweilen tussen stapels rondslingerend papier.

Toen in de lente- en zomermaanden van 1917 de opstandige meute dag in, dag uit van Ksjesinskaja’s villa naar het Taurische paleis optrok, werd die vanaf de kant van de weg gadegeslagen door Pitirim Sorokin, een jonge professor in de theoretische sociologie en partij ganger van Kerenski. Sorokin, later in Amerika de grondlegger van de functionalistische sociologie, hield in die chaotische dagen een dagboek bij, waarin hij het demonstrerende gepeupel beschrijft in termen van een ontketende Eros. «Toen ik langs de vrouwenuniversiteit kwam, zag ik een oploop van mannen die stonden te lachen en onwelvoeglijke gebaren maakten. In de schaduw van een poort, zichtbaar voor allen, waren een man en een vrouw hoogst onfatsoenlijk bezig. ‹Haha›, lachten de mannen, ‹sinds we vrijheid hebben, mag alles.› Soldaten en prostituees gedragen zich weerzinwekkend zedenloos in alle steegjes. ‹Kameraad! Laat de proletariërs aller landen zich verenigen. Kom met me mee›, zei een opgeschilderd wezentje tegen me.»

Niet alleen de massa’s, ook degenen die zich als hun leiders opwierpen, kregen in Sorokins dagboek een groezelige, erotische kleuring. De ene bolsjewistische leider is «een obscuur journalist, een mengeling van jood en Duitser», de andere is een «smerige vent, smerig naar lichaam en geest» en een volgende is een «akelig emotionele jood, dol van revolutionair enthousiasme». Lenin ziet eruit als een «gewoonte misdadiger uit het boek van Lombroso», Trotski gedraagt zich als een «theatrale struikrover» en in de feministische bolsjewiste Aleksandra Kollontaj zag Sorokin een vrouw wier «revolu tionaire vuur slechts de bevrediging is van haar seksuele onverzadigbaarheid».

In juli 1917 deden de bolsjewieken een eerste poging om de macht te grijpen. Het bleek te vroeg. Dagenlang belegerden de massa’s het Taurische paleis, maar de Sovjet, waarin de bolsjewieken sterk vertegenwoordigd waren maar niet de meerderheid hadden, weigerde de macht naar zich toe te trekken. Sorokin noteerde in zijn dagboek: «Hier stond het gepeupel dat ‹Alle macht aan de Sovjet› eiste. De mensenmassa was een monster geworden, doof voor alle rede, dol van haat en uitzinnige razernij. De gezichten van de mensen in die massa hadden alle menselijkheid verloren en waren zuiver dierlijk.»

Kerenski kon nog net op tijd een paar trouwe legeronderdelen naar Petrograd terugroepen om het Taurische paleis te ontzetten en enkele bolsjewistische leiders voor enige tijd gevangen te zetten. In een moeite door ontsloeg hij de regering en nam als feitelijk dictator zijn intrek in het Winterpaleis. Om er niet helemaal alleen voor te staan, benoemde hij een persoonlijk secretaris: Pitirim Sorokin.

In de ogen van de fijnbesnaarde intelligentsia vormden de bolsjewieken de ongenode gasten die het feest van Kerenski’s vreedzame revolutie kwamen verstoren. Alsof op een kalme en beschaafde plechtigheid ineens een stel luidruchtige pooiers met hun hoeren kwam binnenvallen. De bolsjewieken voelden die symboliek perfect aan, zo lijkt het. Hun eerste veroveringen golden niet voor niets de monumenten van de aristocratische Eros: het Taurische paleis en de villa van Ksjesinskaja. In augustus kwam daar nog het Smolny-instituut bij, het door Catharina de Grote opgerichte opleidings instituut voor adellijke jongedames.

Die jongedames waren allemaal al gevlucht toen de bolsjewieken hun Militair-Revolutionair Comité in het Smolny vestigden en de school en het klooster tot het zenuwcentrum van de Oktoberrevolutie maakten. Nog steeds wordt de wandelaar die de kale, rechte tocht van het Taurische paleis oostwaarts naar de in de verte lonkende Smolny-kerk maakt door de uitgestrekte armen van het neobarokke klooster liefdevol ontvangen. Halverwege moet hij wel nog even de hand opsteken naar de door Lenin «IJzeren Felix» gedoopte Dzerzjinski, de genadeloze leider van de eerste geheime dienst der communisten, wiens tien meter hoge gestalte op marmeren voet ook anno 2000 nog voor het ex-KGB-complex staat te pronken. Bij de Smolny-school staat overigens een al even ongeschonden Lenin met zijn vinger naar de toekomst te wijzen, gelaten gadegeslagen door de bronzen koppen van Marx en Engels.

In haar woning ergens halverwege het Taurische en het Winterpaleis bezag Zinaïda Hippius de voortrazende revolutie met toenemende ongerustheid. Af en toe stopte er een grote zwarte wagen met chauffeur voor haar deur. Dan kwam Kerenski even bij haar langs om zijn nood te klagen. Hij maakte op haar een steeds zwakkere indruk. «Het is verbijsterend, het lijkt wel alsof Kerenski elk begrip voor de situatie is kwijtgeraakt. Hij laat zich, bijna als een vrouw, door iedereen omverpraten. Een fataal mens.» Ook Kerenski’s secretaris Sorokin maakte zich steeds meer zorgen om zijn chef: «Hij heeft een gruwelijke afkeer van macht, dwang en wreedheid, en hij denkt dat het heel wel mogelijk is te regeren door middel van vriendelijke woorden en verheven gevoelens. Een goed mens, maar een zwak leider. In wezen het toonbeeld van de Russische intelligentsia.»

Nog twee maanden wist Kerenski zijn politiek van moreel getwijfel, democratisch gedelibereer en neurotische besluiteloosheid vol te houden. Onderwijl slaagden de bolsjewieken erin het ene legeronderdeel na het andere aan hun zijde te krijgen. Toen Kerenski eindelijk in de gaten kreeg dat de zaken er voor hem en zijn regering slecht voor stonden, verliet hij schielijk zijn imperiale werkkamer in het Winterpaleis om er met de laatste wagen die hij nog te pakken kon krijgen vandoor te gaan. Zijn radeloze en reddeloze ministers liet hij in het paleis achter met slechts een detachement cadetten en een vrouwenbataljon ter verdediging. De kozakken ten paleize waren al naar de bolsjewieken overgelopen, omdat ze, zoals ze zeiden, geen zin hadden om een stel «vrouwen en joden» tegen «het Russische volk daar buiten» te verdedigen.

De in de bolsjewistische mythologie tot heroïsche proporties opgeblazen bestorming van het Winterpaleis op de avond van 25 oktober 1917 stelde in feite weinig voor. Na de geringe weerstand onder de voet te hebben gelopen, arresteerden de matrozen van Kroonstad het verzenuwde kabinet, dat zich gevankelijk liet afvoeren naar de Peter-en-Paulvesting aan de overkant van de Neva.

Maar niet alleen de bolsjewieken, ook de Kerenski-gangers vormden al snel hun legenden over de gebeurtenissen in het Winterpaleis. Zij waren er heilig van overtuigd dat de binnen gestroomde woestelingen zich massaal vergrepen zouden hebben aan de vrouwelijke soldaten. «De vrouwen die aan een genadige dood waren ontsnapt», noteerde Sorokin, «werden op gruwelijke wijze misbruikt, zodat ze alsnog smartelijk stierven.» En Hippius beweert in haar dagboek: «Het zwaargewonde vrouwenbataljon werd naar de Pavlovski-kazerne gesleept en daar werden ze allemaal, zonder uitzondering, verkracht.» In werkelijkheid slaagden Britse diplomaten erin de vrouwen ongeschonden vrij te krijgen. Ze konden alleen niet verhinderen dat een der amazones in paniek zelfmoord pleegde.

Ook het wereldberoemde schot dat de pantserkruiser Aurora op het Winterpaleis zou hebben afgevuurd, is inmiddels tot zijn ware, onschuldige proporties teruggebracht. Al zijn de Russische historici het er nog niet over eens of de knal een losse flodder was of dat de kogel geen springstof bevatte. De kruiser ligt nog altijd aan de Neva, tegenover een marineschool. Het stoere schip dient als toeristische attractie. Het deelt de kade met een fraaie driemaster, een voormalig opleidingsschip dat is omgebouwd tot een louche nachtclub. Een welgevormde, naakte dame in een zwierige danspose boven op een hoge sokkel kijkt vanaf het vasteland op de beide schepen neer. Zij viert al vanaf 1996 het driehonderdjarig bestaan van de Russische vloot. Bij elk monument in Rusland, of het er nu staat ter ere van het tsarisme of het communisme, ligt wel een bosje bloemen te vergaan, zelfs bij het beeld van de gehate Dzerzjinski. Sinds de ondergang van de Koersk, enkele maanden geleden, liggen er geen bloemen meer aan de voeten van de blote schone van de zee.

Het fijngevoelige deel van de intelligentsia mag dan de revolutie van 1917 hebben ervaren als een flagrante verkrachting van het Rusland dat haar heilig en dierbaar was, de zedeloze tijden die zij zag aanbreken, waren van korte duur. Vrije liefde en kameraadschappelijke seks behoorden tot de exotica uit de beginjaren van het sovjettijdperk. Zo ongeveer vanaf de zelfmoord van de decadente dichter Jesenin in 1925 begon zich langzaam een krachtige seksuele restauratie af te tekenen, die onder Stalin haar hoogtepunt bereikte.

Een gedemocratiseerde Eros werd pas met de ineenstorting van het sovjetrijk een feit en is nu overal waarneembaar. Vanuit de kiosken, aan de hotelbars, vanaf de straathoeken, in de nachtclubs, op de televisie — overal lachen verleidelijke vrouwen de mannen toe. Rusland heeft het communisme van zich afgeschud om zich eindelijk aan de erotiek te kunnen wijden.

Het meest ironische beeld in dat verband is het reclamespandoek dat breeduit over de Nevski Prospekt hangt. Een helblonde dame in felrode beha en met een muts van het Rode Leger uit de jaren twintig op het hoofd wijst met haar vinger naar de voorbijganger. Naast haar staat een dreigend «Jij!». Het beeld is een exacte kopie van de soldaat op de wereldberoemde poster waarmee het Rode Leger begin jaren twintig de mensen opriep om de revolutie te helpen verdedigen. Alleen luidt nu de tekst: «Ben jij al in de Wilde Orchidee geweest, de nieuwe winkel voor dameslingerie aan de Mojka?»