Theater: Als we Theodor met rust laten…

De erotiserende denker

Medium toneel
OT Rotterdam, Als we Theodor met rust laten komt alles goed. Rechts achter Paul R. Kooij als Theodor Adorno, v.l.n.r. Eric Magné, Daantje Idelenburg, Noah Blindenburg en Jasmijn Strookman © Pepijn Lutgerink

We kwamen in oktober 1973 nietsvermoedend uit een groots concert van de Rolling Stones in Ahoy. In een stamkroeg in het zuiden kregen we de wind van voren van onze linkse kameraden. ‘Seksistische pulpmuziek’, ‘neofascistisch opwindingslawaai’, dat type teksten werden er die nacht gegooid naar onze hoofden waarin Brown Sugar nog natrilde. Het was de eerste keer dat ik de naam Mick Jagger in één adem genoemd hoorde met die van Adorno. Ook een held. Trouwens, Adorno was die herfst net vier jaar dood. Het incident flitste door mijn hoofd tijdens het kijken naar Als we Theodor met rust laten komt alles goed van het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam. Tekst en regie: Mirjam Koen. Gedenkwaardige avond. Letterlijk. Waard om lang aan terug te denken.

Anderhalf uur wonen we in het reusachtige denk- en voelhoofd van Theodor Adorno, allesomspannend maatschappijfilosoof, uitvinder van de kris-kras-sociologie, geleefd tussen 1903 en 1969, zo ongeveer vanaf zijn poepluiers studerend en schrijvend. Een heelal moet dat hoofd zijn geweest. Wagner en Beckett zijn er buren, Walter Benjamin een te vroeg gestorven zielsvriend en Kant de ter aarde gestorte God-de-Vader. Adorno beleeft zijn laatste uren met de grote geesten die hem altijd omringden. Aan de voet van een berg. In het volle bezit van zijn angsten en demonen. Hij heeft moeten meemaken dat de kinderen van de nieuwe verlichting (de sixties) niet slechts een strand onder het plaveisel hebben blootgekrabd, maar ook het klootjesvolk hebben omarmd als kersverse helden, die ze niet waren, van een revolutie, die er nooit kwam. Adorno weet wat klootjesvolk kan aanrichten. Hij is Duitser. Tussen zijn huppelend gepeupel blaast hij onvredig de laatste adem uit.

Wat op papier mag klinken als een powerpointpresentatie filosofie is levend en intelligent theater in de denkpiste van een bruisend leven. De omarmende en gevreesde muzen van de tot omarmen zo moeizaam vaardige ‘erotiserende denker’ Adorno zijn hier in de goede handen van Noah Blindenburg, Jasmijn Strookman en Daantje Idelenburg (die ook groots de cello bespeelt). Eric Magnée tovert muziek uit instrumenten (een orgeltje voor Bach) en uit zichzelf. De toneelspeler Paul R. Kooij is het epicentrum van deze bescheiden aardbeving. Hij speelt getergd tot in het hart van de ultieme schoonheid, hij is gepassioneerd tot in de nucleus van het sublieme. Zijn Adorno is oergeestig wanneer hij alle moderne muziek ná Schönberg en Eisler wegscheldt als jazz. Groots is zijn besef van de oerschrik van de filosoof. Ooit door Brecht verwoord als: wat doe jij als zij geloven wat je opschrijft? Ook van Brecht is een kort vers uit het cruciale jaar 1918 dat Adorno als een dief in de nacht overvalt, een eindtijdliedje: ‘Laat je niet verleiden/ terug kun je niet meer/ de dag staat voor de deuren/ de nachtkou is al voelbaar/ er komt geen morgen meer.’


Nog te zien in Oss (14 december), Amsterdam (15 en 16), Den Haag (19), Eindhoven (20) en Rotterdam (23 december). Kijk voor de podia op ot-rotterdam.nl