De eruditie van Google

Tot niet zo lang geleden verwezen dichters en schrijvers in hun werk regelmatig naar Griekse mythen, Latijnse poëzie en bijbelplaatsen. Die tijd is voorbij.

Het geheugen is een wonderlijk vermogen. Zintuiglijke indrukken, woorden, gebeurtenissen en structuren worden opgeslagen in een neuraal netwerk, op zo’n manier dat ze binnen fracties van seconden geactiveerd kunnen worden. Gegevens waarvan je niet wist dat ze er nog waren, schieten soms decennia later ineens te voorschijn. Recent onderzoek heeft laten zien dat we de neiging hebben onze herinneringen te vervormen, hetgeen betekent dat we ons met grote zekerheid zaken herinneren waarvan al even zeker is dat we ze nooit hebben meegemaakt. Daar staat tegenover dat het geheugen, hoezeer de vasthoudendheid ervan per persoon ook verschilt, getraind kan worden.
Toen ik in de jaren zestig de lagere school bezocht, was er geen sprake van dat we ons de leerstof spelenderwijs eigen maakten. Het onderwijs was erop gericht ons te drillen en te conditioneren. Van ’s morgens vroeg tot diep in de middag werd ons geheugen op de proef gesteld: woordjes, regels voor spelling en grammatica, tafels van vermenigvuldiging, topografie, jaartallen en – het was een christelijke school – psalmen en bijbelse geschiedenis. Op het gymnasium was het niet anders. Dat jarenlange regime van reproductie heeft me gevormd tot iemand die het normaal vindt bepaalde dingen paraat te hebben, hoewel ik in vergelijking met de meeste van mijn vrienden en collega’s een geheugen als een zeef heb. Vreemd genoeg maakt dat niet uit voor mijn beoordeling van andermans kennis. Ik beschouw, net zoals u dat doet, mijzelf als de norm. Als ik iets weet is het vanzelfsprekend dat te weten, als ik iets niet weet begrijp ik niet hoe een ander kan veronderstellen dat kennis ervan normaal zou zijn.

Geheugentraining heeft een lange traditie. In de goeddeels schriftloze cultuur van het archaïsche Griekenland was parate kennis onontbeerlijk, maar men ontwikkelde ook al vroeg een grote bewondering voor geheugenkunstenaars, alsof het om topsport ging. Toen de dichter Simonides (ca. 500 voor Christus) tijdens een banket even naar buiten werd geroepen, stortte door goddelijk ingrijpen, naar beweerd werd, de enorme feestzaal achter hem in. Omdat hij zich onbewust de tafelschikking had ingeprent, wist hij de onherkenbaar verminkte lichamen van de talrijke gasten te identificeren aan de hand van de plaats waar ze onder het puin te voorschijn kwamen. De redenaar Seneca, die halverwege de eerste eeuw op ruim negentigjarige leeftijd een boek over oefenredevoeringen schreef, beweerde dat hij vroeger in staat was om, als er tweeduizend namen werden voorgelezen, ze in dezelfde volgorde te reproduceren, en als zijn studiegenoten ombeurten een versregel voordroegen, ze in omgekeerde volgorde te herhalen.

Dat mogen uitzonderlijke voorbeelden zijn, vaststaat dat de Grieken en Romeinen een systeem voor geheugentraining bedachten dat vele eeuwen zijn vruchten zou afwerpen. Redenaars werden geacht hun betogen af te steken zonder steun van aantekeningen, en wie het vermogen had daarbij regelmatig te citeren uit de wereldliteratuur oogstte veel lof. Daarom moesten redenaartjes in opleiding die wereldliteratuur niet alleen lezen, maar vooral ook memoriseren. Weliswaar begonnen de wat dubieuzere onderwijsinstituten, ten behoeve van parvenu’s die snel wilden scoren, te werken met thematisch geordende uittrekselboeken en bundels aforismen, maar de ware intellectueel beschikte toch over een schier onuitputtelijk reservoir aan leerrijke anekdotes (zogeheten exempla), mythologische en geografische wetenswaardigheden, ronkende versregels en standaardargumentaties. Je verblufte je gehoor niet met iets nieuws, maar door te schermen met kennis waarover iedereen had kunnen beschikken als hij maar beter zijn best had gedaan. Culturele kennis is per definitie conservatief en systeembevestigend. Daarom staat ze centraal in debatten over nationale identiteit.

Tot diep in de twintigste eeuw bleef eruditie een verschijnsel waarvan niemand de waarde in twijfel trok. De beste letterkundige was degene die alle klassieken van buiten kende en daarmee niet alleen op achteloze wijze wist te schitteren in de conversatie, maar ook stukken schreef die bulkten van allusies en citaten, en dan zo dat al die geleerdheid de indruk van een organisch samenhangend geheel wekte. Ook dichters en schrijvers deden mee aan dit spel. Leopold en Van de Woestijne, Hermans en Mulisch, Jellema en Nooteboom verwezen naar Griekse mythen, Latijnse poëzie en bijbelplaatsen, in de wetenschap dat de lezer ze zou herkennen en op waarde zou weten te schatten.

Die tijd is voorbij, en het is de vraag of dat jammer is. Wat is er gebeurd? De eerste ontwikkeling is er een van culturele aard, hoewel demografische, economische en politieke veranderingen de dieper liggende oorzaken waren. Had de Romantiek het individueel genie al boven de traditie van de klassieken gesteld, vanaf het begin van de twintigste eeuw zouden opeenvolgende avant-gardebewegingen in beeldende kunst en literatuur keer op keer het oude verketteren en het nieuwe propageren. Radicaal vernieuwende dichters als Ezra Pound en T.S. Eliot refereerden weliswaar regelmatig aan de geijkte klassieken, maar ze citeerden ook, vermoedelijk om lezers te schokken of zelfs buiten te sluiten, uit werken die niemand kon kennen. Eliot becommentarieerde zijn Waste Land met een uitvoerig, zij het ook misleidend notenapparaat. Door te verwijzen naar onvindbare bronnen riepen deze dichters de vraag naar de kenbaarheid van de wereld op. Eruditie was niet meer vanzelfsprekend.

De tweede ontwikkeling is van didactische aard. Eveneens gestoeld op romantische wortels bedachten zogeheten onderwijsvernieuwers dat scholen niet zozeer bedoeld waren om kinderen te conditioneren, als wel ze de gelegenheid te geven zich te ontplooien. Nu valt er bitter weinig te ontplooien als je niets weet, maar dat weerhield beleidsmakers, schoolleiders en docenten er niet van vanaf het begin van de jaren zeventig alles wat in de verste verte op drillen of indoctrinatie leek, taboe te verklaren. Memoriseren wordt als achterlijk beschouwd, sommen maken kun je leren door spelletjes te doen en geschiedenis is niet iets om te kennen, maar om te begrijpen. Literatuuronderwijs werd min of meer afgeschaft, want de literaire traditie vertegenwoordigt slechts de belegen waarden van blanke imperialisten met een penis. Wanneer je je onverhoopt toch in die traditie wenst te verdiepen, wordt het je zo moeilijk mogelijk gemaakt. In elk geval is je vermogen iets van buiten te leren al ruimschoots over zijn hoogtepunt heen voordat je een beetje aan lezen toekomt.

De techniek vormt een derde factor. Zoals lopen, koken en bouwen voor een deel werden overgenomen door machines heeft de mens de laatste decennia ook verwoede pogingen gedaan het denken uit te besteden. Dat is nog niet helemaal gelukt, al hebben we apparaten die voor ons waarnemen, rekenen en zelfs een klein beetje praten. Denken moeten we vooralsnog zelf doen. Gelukkig kan het basismateriaal voor het denken, dat gelegen is in het geheugen, voor een deel in een zoemend kastje gestald worden. De computer is een welkome extensie van het brein.

Deze drie ontwikkelingen samen hebben de afgelopen vijftien jaar een opmerkelijk effect op de poëzie gehad. Enerzijds zijn er dichters die zich niet willen neerleggen bij het verdwijnen van een gemeenschappelijk resultaat. Het meest extreme voorbeeld is Paul Claes, die, omdat hij vermoedt dat de gemiddelde lezer niet meer weet wie Pasiphaë is, haar naam in aantekeningen verklaart. Dat hij ook een gedicht zou kunnen schrijven dat niet over Pasiphaë gaat, of dat hij de noodzakelijke informatie in het gedicht zelf zou kunnen verwerken, komt niet in hem op. Terecht schrijft Xavier Roelens op de laatste bladzijde van zijn recente debuutbundel: ‘Verantwoording die ik bij specifieke gedichten wil afleggen, wordt in die gedichten zelf gegeven.’ De aantekeningen bij Claes’ gedichten moeten gezien worden als extensie van die gedichten zelf.

Anderzijds zijn er dichters die, in de wetenschap dat er geen gemeenschappelijke culturele achtergrond meer bestaat, maar die desondanks willen refereren aan een wereld buiten het gedicht, speculeren op de aanwezigheid van een zoekmachine in het huis van de lezer. Astrid Lampe is zo’n dichter. In haar laatste bundel citeert ze Middelnederlandse poëzie, televisiereclames, een song van de Beatles, gedichten van Hans Andreus en Herman Gorter en een liedje van de Chileense zangeres Jacqueline Castro Ravelo. Geen lezer, of ze moet Astrid Lampe heten, heeft die teksten toevallig allemaal paraat. Dat hoeft ook niet, want alles is op internet te vinden. Lampe lezen doe je naast de computer. Dat bezoekers van een poëzieavond waar Lampe optreedt geen laptop bij zich hebben, is geen bezwaar, want voorgedragen poëzie is doorgaans sowieso onbegrijpelijk, wat niet betekent dat het niet een bijzondere belevenis kan zijn ernaar te luisteren.

In mijn praktijk als poëziecriticus kom ik het verschijnsel steeds vaker tegen. Betekent dit dat het geen enkel voordeel meer heeft over enige belezenheid te beschikken? Gelukkig is dat niet het geval. In de eerste plaats stelt een brede kennis je ertoe in staat dingen met elkaar te verbinden die niet bij elkaar staan. In de tweede plaats moet je ook bij het lezen van Lampe op het idee komen dat een bepaalde regel wel eens een citaat zou kunnen zijn. In de derde plaats blijft eruditie, alle democratisering ten spijt, nog steeds een probaat middel om een publiek te imponeren. Maar laten we vooral toegeven dat ook zogenaamd erudiete lezers bij de lectuur van hun geliefde klassieken stiekem naslagwerken raadplegen, omdat ook zij niet meer precies weten wie Pasiphaë is. Wie dat is? Dat vraagt u maar aan Google.