De ervaren schamer

HIJ SCHRIJFT WEL eens wat op. Maar als hij dan Dr. Faustus leest van Thomas Mann, waar hij onlangs mee begon, dan vindt hij het een schaamteloze gedachte zelf iets op papier te willen zetten. Om snel erachteraan te denken dat dit toch wel een heel destructieve vorm van jaloezie is. Waarom zou ik niet gewoon eerst eens wat beter mijn best doen? Louis Tas (78), psychotherapeut in Amsterdam-Zuid. Zoon van Jacques Tas, psychiater, en Frieda Herzberg, schilderes. Vertaler en inleider van Sartre’s Magie en emotie (1967), en schrijver van essays over verschillende emoties, met name over schaamte. In 1947 verscheen Dagboek uit een kamp, onder het pseudoniem Loden Vogel. ‘De naam Vogel komt in mijn familie voor. Verder heb ik geen idee waarom ik dit pseudoniem heb gekozen, behalve wat iedereen kan verzinnen. Ik droom wel eens dat ik kan vliegen. Vorig jaar ontdekte ik tot mijn verrassing dat de sensatie van dat vliegen in mijn slaap heel erg lijkt op moeiteloos schrijven in mijn dagboek, in waaktoestand.’ Een herziene editie van het dagboek van Loden Vogel verscheen in 1965 in de Stoa-reeks. ‘Alle verfraaiingen die ik had aangebracht heb ik er weer uitgehaald. Het is makkelijker om een dagboek te schrijven dan om het onveranderd te laten.’

Sinds 1958 heeft Louis Tas een eigen praktijk als psychotherapeut en tot aan de dag van vandaag heeft hij er een volle werkweek aan. ‘Ik moet wel met vier schoolgaande kinderen, ik heb geen geld om te kunnen stoppen. Gelukkig. Ik ben een grote luiaard en als ik niet moet, doe ik niks.’ Hij heeft ook nog drie kinderen uit zijn eerste huwelijk. Zijn oudste is vijftig, de jongste elf. 'Dat is ook een prettige bijkomstigheid van blijven werken. Mijn patiënten kijken me nog wel eens getroffen aan als ik wat zeg. Op mijn wijsheden zitten die pubers thuis echt niet te wachten.’ LOUIS TAS maakt zich boos over de nieuwe ontwikkelingen in de psychiatrie, maar aarzelt om die boosheid uit te spreken. 'Ik voel me een fossiel als ik dat zeg. Een zeurende oude man.’ Maar vooruit dan. 'De psychiatrie die nu als modern wordt beschouwd, was er tachtig jaar terug ook. Psychosen worden nu weer als hersenziekten beschouwd, of als stofwisselingsverschijnselen of erfelijke aandoeningen. Ze worden zogenaamd verholpen met middeltjes. Een man kwam bij mij met een depressie, nadat hij bij zo'n moderne psychiater met drie verschillende middeltjes was afgescheept. Zomaar! Over wat de oorzaak zou kunnen zijn van zijn depressie is nooit gesproken! Het erge is dat de huidige farmaceutische trend wordt gesubsidieerd, er worden leerstoelen voor ingesteld. De psychoanalyse heeft het daarbij voor het nakijken. Wat ooit een stiekeme elite was, wordt steeds meer gekrabbel in de achterhoede.’ DIE 'STIEKEME ELITE’ vormde de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse in de tijd dat Louis Tas daar zijn opleiding volgde. 'Eind jaren vijftig ging de psychoanalytische opleiding buiten de officiële psychiatrische opleiding om. De hoogleraar mocht er officieel niets van weten dat je in analyse was. Als een soort geheim genootschap zat die vereniging stiekem psychoanalytici op te leiden. Ik heb het meegemaakt dat het tij veranderde, dat er een hoogleraar kwam die zelf analyticus was. En nu is er weer een omgekeerde beweging. Ik vind het heel erg verschrikkelijk dat het afhankelijk van de opleiding is of psychiaters nog voldoende meekrijgen van psychotherapie. Die synthetische stoffen worden met veel pretentie voorgeschreven, maar ze verklaren helemaal niets. De psychotherapie raakt in de verdrukking. Steeds meer vrouwen gaan het vak beoefenen, wat een teken is van de geringere maatschappelijke status die het vak heeft. Vrouwen doen het heel erg goed, maar dat statusverlies is jammer.’ Is de terugval merkbaar in het aantal mensen dat in analyse wil? 'Er zijn minder mensen in analyse, omdat ze het niet kunnen betalen. Het aanbod is ook heel gering. De mensen die nog analysepatiënten hebben, zijn vaak opleiders. Het was ooit een elitaire zaak, toen kwam er een subsidiestroom op gang waar men helaas in is meegegaan. Want nu is de geldstroom stopgezet. Mijn patiënten zijn mensen die het zelf kunnen betalen, of die iets met de onderdrukking van de oorlog te maken hebben, en mensen die het vak in willen en leertherapie doen.’ Is er iets veranderd in de psychotherapie in de veertig jaar dat u het vak uitoefent? 'Essentieel vind ik dat je ergens terecht kunt waar iemand is die alleen maar probeert om het te snappen. Op welke maníeren je iemand probeert te snappen, welke veronderstellingen er bijhoren, dat is in de loop van de tijd wel eens een beetje veranderd. Maar het belang van de jeugd hoort er absoluut bij. Wat iemand als kind heeft meegemaakt, en wat hij tekort is gekomen. Als je aan een cultuurhistoricus vraagt welk belang Freud had, krijg je ten antwoord dat hij met natuurwetenschappelijke inzichten, intuïtieve vondsten en evolutionaire denkbeelden een soort synthese heeft gemaakt om mensen te begrijpen als behept met innerlijke conflicten die voor een groot deel onbewust zijn. En dat hij een heel primitieve denkvorm aan het licht heeft gebracht, waardoor dromen en psychotische uitingen en seksuele voorkeuren begrijpelijk werden. Maar ik vind zijn voornaamste uitvinding de behandeling, oftewel de psychoanalytische situatie. Dat iemand in staat wordt gesteld zijn kritiek uit te schakelen en zo veel mogelijk te vertellen wat in hem opkomt. Te vertellen zonder dat iemand een waardeoordeel geeft, maar wel dat iemand verbanden gaat zien, vooral met jeugdsituaties en jeugdfantasieën. Dat is nog steeds de kern. Als psychoanalyticus heb ik veel gehad aan geschriften en praktijken van gezinstherapeuten. Ze zijn niet in strijd met de psychoanalyse, maar vormen een aangrenzend gebied. Je doet altijd iets met het gezinssysteem waar iemand uit komt, of je wilt of niet. Als je één persoon behandelt uit een hele familie, dan reageert die ene persoon toch niet meer zoals die eerst deed. Dan vinden er veranderingen binnen de hele familie plaats.’ WAAR BENT U met uw patiënten naar op zoek? 'Naar de dingen die ze misschien nog te veel wegstoppen en waarom. Uit schaamte. Ik ben in die zin veranderd in mijn werk dat ik veel meer oog heb voor schaamte, ook bij mezelf. Dat is misschien de belangrijkste ontwikkeling. Dat ik er niet meer intrap als iemand pseudo-schaamteloos is. Dan zeg ik: “Hé, wat je me daar vertelt, dat zou ik ook wel kunnen vertellen, maar ik zou me erbij schamen. Jij dan niet?” De vlotheid blijkt gespeeld.’ Schamen mensen zich nu om andere redenen? 'Ik denk dat mensen zich vooral schamen als ze zich aan verschillende invloeden tegelijk blootstellen. Heel vrome joden die er voor de buitenwereld belachelijk bijlopen, schamen zich niet omdat ze emotioneel in hun eigen club zitten. Tenminste, dat denk ik. Maar als je in een geassimileerd joodse sfeer terechtkomt, heb je maatstaven van de groep waartoe je nog niet behoort en maatstaven van de groep waartoe je niet meer behoort. Dan doe je het eigenlijk altijd fout. Het individu dat in loyaliteitsconflict komt tussen botsende omgevingen, dat blijft in principe hetzelfde, geloof ik. Dat verschijnsel is van alle tijden. Maar vlak na de oorlog is er een tijd geweest dat de psychische gevolgen van de oorlog heel erg waren gescotomiseerd. Een scotoom is een blinde vlek. Het was een jaar of vier na de bezetting. Wij waren in een betrekkelijk gunstige omgeving van Bergen-Belsen terechtgekomen. Daar ging dan wel de helft dood, je was een groot deel van je vrienden en kennissen kwijt, je werd behoorlijk als een paria behandeld en zo, dat allemaal - maar vier jaar na de bezetting kreeg ik angstaanvallen. Ik ging naar iemand bij wie ik kort in analyse was geweest. Ik zei: “Wat heb ik nou?” Hij had er helemaal geen moeite mee. Hij zei: “Dat is uitgestelde examenangst.” Want ik had kort ervoor mijn kandidaatsexamen gedaan. Ik was er echt niet van overtuigd dat dit het juiste antwoord was, maar ik was ook niet slim genoeg om te zeggen: “Misschien is het die bezetting wel.” De helpende professies hadden zelf veelal behoorlijke trauma’s opgelopen. Die waren in de oorlog meestal heel goed geweest, hadden grote risico’s gelopen. En wilden ook niet weten dat ze daarmee problemen hadden. Het was één grote verdringing. Daar komt nog bij: in een goeie behandeling moet je ook op een gegeven moment haatgevoelens kunnen voelen opkomen. Iemand die in de oorlog dingen heeft meegemaakt, krijgt de neiging zijn behandelaar met een vervolger gelijk te stellen. Dat wilden de behandelaars niet zien. Juist mensen die goed waren geweest in de oorlog hadden een groot schaamtegevoel dat ze maar zo weinig hadden gedaan. Het is moeilijk te geloven, maar zo is het. Echte fouteriken hadden helemaal geen problemen, die voelden zich alleen maar vreselijk verongelijkt. De goeie mensen hadden schaamtegevoelens en stonden er absoluut niet voor open met een nazi te worden gelijkgesteld. Bepaalde vormen van overdracht werden genegeerd, of niet gezien, en dan was de patiënt allang blij dat hij dat niet hoefde te voelen. In mijn assistententijd was er iemand die promoveerde op het therapeutisch gebruik van lsd. Hij had proefpersonen nodig, maar ik was bang: ik blijf gek. Ik had geen idee, ik zweer je dat ik geen idee had dat ik bang was om bepaalde oorlogssituaties terug te laten komen. Dat ik die specifieke angst had, dat zag ik niet.’ DAT IS HEEL moeilijk voor te stellen, nu. 'Ja. Maar het zijn niet de subtiele dingen, maar juist de enormiteiten die je over het hoofd ziet. Dat mensen met heel grote rouwproblemen zaten. Mijn kandidaatsexamen gaf een gevoel van triomf. Ik had aan mezelf bewezen dat ik toch nog best in staat was om dingen in mijn hoofd op te nemen en dan examen te doen. Dus dat van die uitgestelde examenangst, dat was er compleet naast. Ik heb het beleefd aangehoord, maar het gaf geen evidentiegevoel. Als iemand een opmerking maakt die raak is, dan voel je iets.’ Wanneer durfde u uw eigen angst wél onder ogen te zien? 'Geleidelijk. Je leert het vak van je leermeesters natuurlijk en van de mensen bij wie je een leertherapie doet, maar je leert het vak vooral van je patiënten. Schaamte is niet alleen een obstakel bij het onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. Schaamte leidt tot een conformistische, benepen levenshouding. Schaamte maakt dat je met de wolven meehuilt. Als adolescent hoor je volwassenen dingen zeggen die je levenslang bijblijven. Mijn vader was psychiater, maar had een oudere broer, oom Hans, in zaken. Meer een playboy-type. Enkele maanden na de Kristallnacht in '38 vluchtten Duitse joden die pas uit concentratiekampen waren ontslagen naar Nederland. Ze waren zeer gesloten over hun ervaringen. Ik was zeventien. Mijn vader, oom Hans en ik vroegen ons af waarom zij zo weinig mededeelzaam waren. Niet mijn vader, die notabene psychiater was, maar oom Hans, de zakenman, kwam met de verklaring: “Ze schamen zich omdat ze slecht zijn behandeld.” Het besef te behoren tot een groep die straffeloos kon worden vernederd en mishandeld, was schaamteverwekkend. Niets is simpeler. Ik moet in mijn dagelijkse werk vaak aan die nuchtere straatvechterswijsheid van oom Hans denken. Als iemand last heeft van excessieve schaamte zoek ik naar de slechte behandeling die hem een gevoel van waardeloosheid heeft bezorgd. Gevoelsmatig, tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel. Wanneer je je schaamt, heul je met de vijand. De haat richt zich tegen jezelf. Schaamte kan tot zelfmoord leiden.’ Terugkijkend op deze eeuw… 'Het beslissende gebeuren in deze eeuw is natuurlijk die Eerste Wereldoorlog. Het summum van krankzinnigheid. Die was net twee jaar afgelopen toen ik werd geboren.’ LOUIS TAS WIJDT uit over de families die allemaal wel hun doden te betreuren hadden, de monumenten in ieder Belgisch dorp, de boeken die erover geschreven zijn, en het feit dat Nederland het aan zijn 'neutraliteit’ toeschreef er niet in betrokken te zijn geraakt. Op school leerde hij hoe geweldig Nederland zich had gedragen in de koloniën en hoezeer de Nederlanders op handen werden gedragen. 'Dat pure toeval om buiten die Eerste Wereldoorlog te zijn gebleven… Het verklaart de enorme ingeslapen gezapigheid en zelfvoldaanheid die Nederland kenmerkt. Ze keken raar op hun neus, later. In België zijn ook heel afschuwelijke dingen gebeurd, maar Belgen waren er toch iets meer op ingesteld om onder de voet te worden gelopen. Ze hadden meer handigheid om met de Duitse overheersing om te gaan. Meer dan strikte gehoorzaamheid.’ Bent u wel eens bang om dingen te vragen aan uw patiënten? 'Natuurlijk zijn er dingen waarvan je schroomt ze te vragen. Maar je kunt soms ook wachten tot iemand het bijna vertelt. Je kunt een klein kneepje geven. Waar ik bang voor ben, is dat ik dingen niet zie die voor een patiënt heel belangrijk zijn. Die beduchtheid is gerechtvaardigd. Je beschadigt een mens door hem niet te begrijpen. Maar je kunt ze niet op commando begrijpen. Is er iets wat u niet durft te vragen?’ Waarom u de Eerste Wereldoorlog noemt als summum van waanzin, en niet de Tweede. 'Waarschijnlijk juist om het niet over die Tweede te hebben… Als ik nu in therapie was geweest, dan had u kunnen zeggen: “Toch klonk u heel echt toen u zei dat natuurlijk het belangrijkste de Eerste Wereldoorlog was.”(’ Het verbaasde me dat u dat zei, maar ik durfde niet anders dan het te beamen. 'Wat u daar zegt is nu precies datgene waarom mensen van na de oorlog hun mond niet open durven te doen. Hun ouders hebben het altijd erger gehad. En die ouders zelf denken ook weer dat ze geen recht van spreken hebben. De echte oorlog hebben wij toch maar niet meegemaakt. Deze kwam aardig in de buurt. Honderdduizenden hebben het niet overleefd. Met die achtergrond wil je niet de prinses op de erwt lijken. Ik weet dat ik op weg was naar Frankrijk. Ik reed nog motor, dus het moet ergens in de jaren zestig zijn geweest. Ik kwam langs al die slagvelden van toen, en ik dacht opeens: ik lijk wel gek om me die Eerste Wereldoorlog zo aan te trekken. In die Tweede had ik makkelijk het loodje kunnen leggen. Toen werd het een beetje minder, de afweer. Uiteindelijk wint de nieuwsgierigheid het van de schaamte. Daar gaat het eigenlijk over.’ WE STOPPEN, want het 'schaamteclubje’ dient zich aan: een groep mensen uit verschillende disciplines die eens in de zoveel tijd bijeenkomen om van gedachten te wisselen over het fenomeen schaamte. Naast Louis Tas nemen deel: twee andere analytici, een historicus, een groepstherapeut, een dramaturg, een psychologe en drie sociologen. 'Wij allen zijn ervaren schamers.’ Bij de deur vertelt Tas dat hij naar aanleiding van een verzoek van een Duitse uitgever die een bloemlezing samenstelde van fragmenten van dagboeken uit concentratiekampen, wat biografische gegevens op papier zette. In het Engels, hetgeen een prettige afstand schiep en hem ineens veel méér deed opschrijven. Toen hij het weer in het Nederlands omzette, werd het moeilijker. De oervorm van zijn eigen dagboek stuurde hij, na aandringen van vrienden, niet zo lang geleden naar een Nederlandse uitgever, van wie hij een briefje terugkreeg. De strekking van de afwijzing was dat er ergere kampen waren geweest dan Bergen-Belsen en dat het dan aankomt op de manier waaróp iets geschreven is. Grijnzend: 'Dan denk ik: Goebbels had misschien gelijk toen hij zei dat alleen opbouwende kritiek gegeven mag worden.’