De essentie

Ik denk dat ik iets arglettend in de gaten kan houden, maar aan het rode kringeltje dat onder arglettend verschijnt begrijp ik dat het woord helemaal niet bestaat. Jammer, want het drukt wel precies de intentie uit waarmee ik kijk naar mijn eigenhandig geplante pioenrozen die nu al een paar dagen in toenemende mate op knappen staan. Dat het zover met me is gekomen, denk ik ondertussen. Dat ik naar bloemen kijk ja, en dat ik net tegen de kat heb gefluisterd dat hij altijd moet blijven leven, en dat ik het gevoel heb dat mijn ziel gestolen is.

Ik kan dat laatste niet uitleggen zonder dat het lijkt of ik mijn gevoeligheid wil etaleren. Ik wantrouw geëtaleerde gevoeligheid, zeker die van mezelf.

‘Zo kun je niet in het leven staan’, zegt degene die het beste met me voor heeft. Het hoort vast bij mensen die het beste met je voor hebben: dat ze je op den duur alleen nog maar vermanend toespreken.

We praten aan de telefoon terwijl ik de pioenrozen fracties van een millimeter verder richting uitbarsting zie gaan. Eigenlijk is dit het mooiste moment. Het moet nog komen. En dan is het ook zo weer voorbij. Nee, dit is geen metafoor, dit is gewoon wat het is met pioenrozen. Deel van hun aantrekkingskracht is dat ze er maar gedurende een klein deel van het jaar zijn. Als ik de eerste pioenrozen bij de bloemist zie, weet ik dat ik ooit afstudeerde, een beste vriendin had die in De Pijp woonde, dat mijn dochter werd geboren. En nu staan ze zomaar bij mij op het dak.

Vita Sackville-West noemde de peony de essentie van juni. Ik weet dat omdat ik de vertaling van epitome heb opgezocht, en dan heb ik er nog mijn eigen draai aan gegeven. ‘Toonbeeld’ zou je eigenlijk moeten zeggen, maar dat klinkt erg niet-bloemig.

De kat leeft, de ­pioenrozen staan op knappen en ik heb een jas van lood aan

Ik probeer vaker woorden op te zoeken, sinds ik erachter kwam een groot deel van mijn leven essentiële manifesten verkeerd te hebben begrepen. Coercion bleek helemaal niet samenwerking te betekenen, maar het tegenovergestelde. Het enige wat ik nu nog kan doen is beter opletten, wat geheel niet in mijn aard ligt. Voor straf sta ik even stil bij epitome, probeer me voor te stellen hoe je het uitspreekt.

Of ik gek aan het worden ben, vraagt degene die het beste met me voor heeft.

Ik probeerde het luchtig te zeggen, van die ziel. Niet erbij te vertellen dat ik het ook al had opgezocht, hoe het ook alweer zit met fotografen die je ziel stelen. Misschien is het niet een kwestie van stelen, maar betrappen. De kat leeft, de pioenrozen staan op knappen en ik heb een jas van lood aan. En dat om een foto die gisteren van me werd gemaakt. Ja, ik ben het, maar mijn hele voor- én nageslacht verdringt zich in mij.

Ik had niet over mijn ziel moeten beginnen. Niet iedereen is ervan overtuigd dat we er eentje hebben. Lorrie Moore voert in Anagrams een poëziedocente op die haar studenten de opdracht geeft een tekening te maken van wat ze zich als kind bij hun ziel voorstelden. De rest van het semester moeten ze van die tekening met woorden iets moois maken. Schrijven is een safari, houdt ze hun voor. Je moet erop uit. Schitterend leven in de smiezen krijgen en dat in de val van het papier lokken.

Alles gebeurt hier, nu. Ik heb een schitterend leven.

Het geheim van de pioenroos volgens Sackville-West is dat je hem niet ondiep genoeg kunt planten. De wortels zullen omlaag gaan zoeken naar voedsel, en het op een groeien zetten. Over vijftig jaar zullen de bloemen mooier dan ooit zijn, schrijft ze in haar tuinhandboek. Ik bezocht ooit een van haar tuinen, maar had niet echt oog voor bloemen. Ik keek eigenlijk nergens naar. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd. Ik had toen nog een heel ander idee van wat een schitterend leven was.