De etalageprofessor

Voor de universiteit betekent het extra publiciteit, de uitverkorene levert het een egostrelende titel op en het bedrijfsleven ten slotte heeft weer een goede daad gesteld. Kortom, niets dan goeds van de bijzonder hoogleraar. Of zitten er addertjes onder het gras?
WAT IS ER NOG bijzonder aan een hoogleraar? Je kunt geen actualiteitenprogramma meer aanzetten of er is wel een prof. Clavan in beeld. En sinds enkele bijklussende hooggeleerden middels participerend onderzoek aantoonden dat zij net mensen zijn en dus veel van geld houden, hebben ze nog meer van hun glans verloren.

Ze zijn er tegenwoordig ook in alle soorten en maten. Er zijn hoogleraren in de categorieen A, B en binnenkort C, al naar gelang het bedrag op hun loonstrookje; er zijn ‘spookhoogleraren’, die een grote mate van onzichtbaarheid op de universiteit aan de dag leggen; er zijn tijdvakhoogleraren, deeltijdhoogleraren, 'superhoogleraren’ en taxi-hoogleraren, naar het vervoermiddel waarmee deze parttime professoren zich van hun advocatenkantoor of belastingconsultancy naar de universiteit verplaatsen.
Dan is er nog de bijzonder hoogleraar, maar daar is al helemaal niets bijzonders meer aan. In de afgelopen tien jaar hebben bijzonder hoogleraren zich gelijk konijnen vermenigvuldigd. Uit allerlei holletjes van de kennisintensieve samenleving zijn ze te voorschijn gekomen om de universiteit te verrijken met hun praktijkervaring.
Praktijkkennis binnenhalen - dat is altijd de lovenswaardige gedachte geweest achter de bijzondere leerstoel. Sinds 1905 zijn stichtingen, bedrijven en verenigingen in Nederland bevoegd een leerstoel aan te vragen teneinde hun denkbeelden op de universiteit te verspreiden. De Alma Mater op haar beurt krijgt zo expertise in huis waarover de eigen wereldvreemde wetenschappers niet beschikken. Zij biedt de hoogleraarsbaret aan in ruil voor een reeks colleges van de deskundige buitenstaander. De luiken van de ivoren toren zijn opengegooid voor een helder uitzicht op de samenleving; een frisse maatschappelijke wind is door de bedompte studeervertrekken gaan waaien.
Zo langzamerhand is die wind echter aangewakkerd tot een storm. In een recente notitie van de Universiteit van Amsterdam verbeeldt een steile grafische lijn de explosieve groei van het aantal bijzondere leerstoelen. Waren er daarvan in 1985 nog 44, inmiddels heeft de UvA er 159 - een toename van 260 procent in tien jaar tijd. De Universiteit Utrecht haalt ieder jaar bijna tien nieuwe bijzonder hoogleraren in huis en heeft er inmiddels 110, tegen 371 'gewone’ hoogleraren. In Leiden lopen 355 hoogleraren rond waarvan 75 bijzondere; acht jaar geleden was dat nog niet de helft.
'IK ERGER MIJ DOOD’, verzucht Willem Koops, hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychologie aan de Amsterdamse Vrije Universiteit (die ongeveer 107 bijzondere hoogleraren en 297 'gewone’ telt). 'Er zijn er te veel, en ik vind het gemak waarmee ze benoemd worden soms te groot. Het leidt tot een uitholling van het ambt van hoogleraar. Dat klinkt reactionair, maar ik hoor te vaak in de media prof. dr. X. iets beweren wat met wetenschap niets te maken heeft. Niet dat bijzondere hoogleraren per definitie niet deugen, maar vaak gaat het om mensen die het nodig vinden hun nieuwe ambt uitvoerig te etaleren. Dat titelfetisjisme vind ik stuitend. We worden met z'n allen zo ongeloofwaardig. De afgewogen oordelen die ik van intellectuelen verwacht, zijn in dit tijdsgewricht nauwelijks meer op te brengen. De media vinden het prettig om een controversiele uitspraak in de mond te leggen van een hoogleraar. Maar zo betekent die titulatuur op den duur niets meer.’
De bijzonder hoogleraar en de universiteit hebben elkaar in hun ijdelheid gevonden. Want niet alleen vindt de topadvocaat het prestigieus om 'professor’ voor zijn naam te mogen zetten, de universiteit wil ook graag grote namen aan zich verbinden. Zo pronkte de UvA een tijdlang met Jan Pronk op een bijzondere leerstoel, kon Frans Andriessen van Brussel direct verhuizen naar de Universiteit Utrecht en kreeg Philips-topman Wisse Dekker in 1987 een leerstoel aan de Rijksuniversiteit Leiden. In oktober 1993 werd Arie van der Zwan in Utrecht gekroond tot bijzonder hoogleraar in de Ontwikkeling van de Verzorgingsstaat.
'Een hoop van die bijzonder-hoogleraarschappen zijn in het leven geroepen vanuit publicitaire en niet vanuit wetenschappelijke overwegingen’, zegt Koops. 'Bij sommige universiteiten noemt men zulke mensen “passanten van grote pr-waarde”. Ze halen voortdurend de pers en trekken studenten, en dat levert geld op. Het is allemaal uiterlijk vertoon waarbij de wetenschappelijke minimumdrempels soms gewoon genegeerd worden.’
'Het is een soort titulaire feestneus geworden’, zegt Chris Lorenz, universitair hoofddocent aan de Vrije Universiteit en bijzonder hoogleraar Filosofie van de Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden. 'Universitaire docenten, captains of industry en politici zetten die graag op. Het probleem is dat de laatste twee groepen die titel uit wetenschapsexterne motieven krijgen. Het is voor sommige studierichtingen niet zo gek om mensen op grond van hun maatschappelijke ervaring te betrekken bij het onderwijs, maar maak ze dan gastdocent en niet bijzonder hoogleraar. Voor die functie zou je je strepen in de wetenschap verdiend moeten hebben.’
'Wetenschappelijk stelt hij niets voor’, tekende het Rotterdamse universiteitsblad Quod Novum op uit de mond van een collega van Pim Fortuyn. Vorig najaar nam Fortuyn afscheid van de Erasmus Universiteit, waar hij vijf jaar als bijzonder hoogleraar de Albedaleerstoel had bekleed. Gedurende een dag in de week moest hij een nog nauwelijks bestaand onderzoeksgebied uit de klei trekken. Maar men kwam hem zelden tegen op de universiteit en hij had weinig studenten. 'Fortuyn vertrekt niet, hij was hier immers nooit’, luidde de kop boven het artikel in Quod Novum. 'Ping Fortuyn’ ont ving voor zijn aanwezigheid in Rotterdam naar eigen zeggen 'een paar rotcenten’. Na vijf jaar vertrok hij, tot veler en zijn eigen opluchting.
En wat stelt Lubbers wetenschappelijk voor? De voormalig minister-president kreeg vorig jaar in Tilburg de parttime hoogleraarsstoel Globalisering. Hij is nimmer gepromoveerd, wel afgestudeerd in de economie. Met vier tienen, benadrukte Tilburg. Het feit dat Lubbers niet beschikt over de gebruikelijke wetenschappelijke kwalificaties, valt volgens de decaan van de economiefaculteit weg tegen de 'enorme achtergrond’ die Lubbers meebrengt. 'Daar moet je bij dit soort mensen overheen kunnen stappen’, vond ook collega-hoogleraar Sijben die indertijd liet weten Lubbers komst toe te juichen, 'al was het maar voor de pr van de universiteit’.
'Als een universiteit er niet in slaagt zich tegenover de maatschappij staande te houden met het geven van fantastisch onderwijs en het verrichten van baanbrekend onderzoek, maar dat probeert met allerlei grote namen, dan is zij laakbaar bezig’, zegt prof. dr. Vincent Icke, universitair hoofddocent in Leiden en bijzonder hoogleraar Kosmologie aan de UvA. 'Neem het voorbeeld van meneer Wubbo Ockels. Die heeft zich als een zak zout rond de aarde laten slepen. Ik spreek nu als astronoom: de mens heeft in de ruimte niets te zoeken. Zo'n reis is een mooi uitje, maar wetenschappelijk is het kletskoek. Leuk voor Ockels, maar om de man nou hoogleraar Ruimtevaart te maken in Delft… Het betreft hier duidelijk een pr-stunt. Als de aanwezigheid van meneer Wubbels of Wockels twee extra studenten naar die universiteit trekt, zijn ze al uit de kosten.’
ICKE REALISEERT zich dat geldgebrek de Alma Mater dwingt zo creatief mogelijk studenten te lokken en te flirten met derden en vooral derde geldstromen. Juist de bijzondere leerstoel is in deze barre tijden voor de universiteit een wel heel aantrekkelijk - want gratis - instrument voor personeelsbeleid. Een hoogleraar kost de universiteit een slordige ton per jaar. Een bijzonder hoogleraar kost niets; die wordt betaald door de stichting of het bedrijf die de leerstoel aanvraagt. De armlastige Alma Mater houdt zo haar onderzoeksveld noodgedwongen in stand met geld en mensen van buitenaf. Waardoor getalenteerde en 'pro fessorabele’ wetenschappers hun kansen op een carriere binnen de universiteit verkeken zien. Opklimmen tot hoogleraar lukt in dit klimaat nauwelijks meer, hooguit tot bijzonder hoogleraar, want die staat niet op de universitaire loonlijst.
'De universiteiten willen voor een dubbeltje op de eerste rang zitten’, zegt Icke. Hij bezet trouwens zelf zo'n leerstoel, maar windt zich niettemin op over de opmars der bijzonderen. In Leiden verdient Icke het (lagere) salaris van universitair hoofddocent, en zijn bijzondere aanstelling van een dag per week in Amsterdam wordt betaald door de stichting Beta Plus. 'De UvA heeft er nu een hoogleraar bij die een uitstekend college kosmologie voor ze komt geven, maar daar betalen ze niets voor. Ze profiteren van mijn ijdelheid: ik ben nu professor, mag met een mooie zwarte tabberd aan naar promoties, en voor mijn ouders is het ook heel leuk. Er komt nu meer uit mij en mijn onderwijstaak is verdubbeld, maar de universiteit kost dat niks extra. Dit kan haast niets anders dan een ordinaire bezuinigingstruc zijn, waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Maar niemand zal dat bevestigen, want de notulen van dat soort vergaderingen zijn geheim.’
PIETER DE MEIJER, rector magnificus van de UvA, wil het wel bevestigen. 'Je neemt als universiteit soms je toevlucht tot een bijzondere leerstoel terwijl je eigenlijk een gewone leerstoel wilt maar niet kunt betalen. Of dat een oneigenlijke weg is? Tja, als u de bezuinigingen ongedaan kunt maken, zullen wij die weg onmiddellijk verlaten.’
Dan zou menigeen aan de universiteit opgelucht ademhalen. De Utrechtse wetenschapsfilosoof Andre Klukhuhn: 'De bijzonder hoogleraar wordt vaak uit de geldbuidel van het bedrijfsleven betaald en staat zo weer op de keien als zijn werk zo'n bedrijf niet bevalt. Daarvan zijn voorbeelden die ten hemel schreiend zijn. Een paar jaar geleden werd in Utrecht de kernfysicus Cees Andriesse als buitengewoon hoogleraar door de Kema aangesteld. Andriesse schreef op een gegeven moment dat kernreactoren onveiliger waren dan werd aangenomen. De Kema heeft belangen in kernreactoren en verzocht hem dat stuk terug te trekken. Dat heeft hij geweigerd, en dat kostte hem zijn leerstoel.’
Klukhuhn haalt eens diep adem en foetert voort: 'Op het ogenblik wordt iedere stuiver met open armen ontvangen aan de universiteit. Maar zo'n bijzonder hoogleraar wordt wel van te voren verteld wat hij met zijn onderzoeksgeld moet doen. Dat moet vooral snelle, positieve resultaten opleveren die het bedrijf goed uikomen. Niemand zal dat hardop zeggen, behalve mensen als Andriesse, met alle desastreuze gevolgen van dien. Ik begrijp niet hoe mensen durven te beweren dat het onderzoek aan de universiteit op deze manier niet afhankelijk wordt van wat het bedrijfsleven wil. Ik ben misschien wat paranoide, maar het gebeurt ondertussen wel.’
Zo is bijvoorbeeld de Universiteit van Amsterdam net in zee gegaan met Ahold en de ING-bank. Die gaan de nieuwe bijzondere leerstoel Vrouwen en Management sponsoren. En wat te denken van de twee bijzondere leerstoelen in de farmacotherapie - de leer van het voorschrijven van medicijnen - die Nefarma, een belangenorganisatie van farmaceutische bedrijven, heeft aangeboden aan de medische faculteiten in Groningen en Amsterdam?
Natuurlijk is rector magnificus De Meijer doordrongen van het gevaar van belangenverstrengeling. 'Als je als universiteit dichter naar de maatschappij toe trekt - wat ik een goede zaak vind - is dat risico onvermijdelijk. Maar dat is voor ons geen reden om van het bijzondere-leerstoelenbeleid af te stappen.’
Benita Nieskens, universitair hoofddocent aan de juridische faculteit van de KU Brabant, is zeer beducht voor belangenverstrengeling in de wetenschap. Tijdens een discussie die het Nederlands Juristenblad onlangs organiseerde, sprak zij haar zorg uit over het groeiend aantal wetenschappers die met een been in de universiteit en met het andere in een commerciele functie staan, zoals ook de parttime hoogleraar. Nieskens: 'Dat kan leiden tot de situatie dat promovendi verboden wordt onderzoeksresultaten te vermelden die in strijd zijn met de belangen van het bedrijf waar hun promotor werkzaam is. Dat voorbeeld heb ik onlangs uit de eerste hand gehoord.’
Ze memoreert ook het geval-Van Mourik, de Nijmeegse hoogleraar Notarieel Recht die een contract sloot met de ABN- Amro om deze bank te voorzien van adviezen aan - aldus de Volkskrant - 'rijke clienten die zo voordelig mogelijk hun nalatenschap proberen te regelen’. De secretaris van de Nijmeegse juridische faculteit reageerde hierop als volgt: 'Objectieve wetenschap is iets anders, maar wij denken dat deze constructie niet botst.’ Van Mourik zelf, op de vraag of hij niet als hoogleraar de bal zou toespelen aan zijn eigen notariskantoor: 'Ik ben slechts buitengewoon hoogleraar. En er zijn zoveel mensen die vele petten dragen. Dat is geen probleem. Als je je rug maar recht houdt.’
'Dereglijke samenwerkingsverbanden zouden verboden moeten worden’, vindt Nieskens. 'Verstrengeling van wetenschappelijk onderzoek met welke commerciele belangen ook is in beginsel afkeurenswaardig.’ Vaste adviseurschappen en andere nevenfuncties van wetenschappers vormen volgens haar een reele bedreiging voor onafhankelijk onderzoek. Maar ja, zo weet zij ook: 'De noodzaak om geld binnen te halen inspireert tot vermaatschappelijken en vercommercialiseren.’
DE VINGERS WIJZEN uiteindelijk vooral naar Den Haag, naar 'Ritzen en zijn medeknoeiers’ (Icke) die de 'financiele ondermijning van de universiteit’ op hun geweten hebben, wat leidt tot 'intellectuele kapitaalvernietiging’ (Lorenz). De kas moet kloppen en aan lange-termijndenken wordt nauwelijks gedaan. Langzamerhand wennen de universiteiten aan het idee dat de verdiensten uit contractactiviteiten voortaan een onmisbaar onderdeel van hun begroting zijn. 'Tien jaar geleden zou dat nog zijn beschouwd als vloeken in de kerk’, schrijft het Utrechts Universiteitsblad. 'Nu kijkt niemand er meer van op en wordt overwogen om voor hoogleraren speciale cursussen te organiseren in acquisitie en marketing. Academische onafhankelijkheid - ooit een mooi en nastrevenswaardig goed - is in het rijke Nederland kennelijk niet meer betaalbaar.’
De onstuitbare opmars van de bijzonder hoogleraar past precies in het opgedrongen model van 'de ondernemende universiteit’, die moet 'concurreren’ op 'de markt’ en moet werken aan haar pr en imago. De bijzonder hoogleraar mag dan vaak een klinkende naam hebben, hij heeft ook een losse band met de universiteit en drukke bezigheden elders. Terwijl de hoogleraar de continuiteit van het onderzoek moet waarborgen en bestuurstaken heeft, is de bijzonder hoogleraar daarvan vrijgesteld. Met scheve ogen kijken de werkbijen naar al die luxe bijen, die die ene dag in de week uit de taxi springen om college te geven. Zoals Willem Koops het formuleert: 'Op de universiteit veroorzaken de meesten niet veel drukte, nee - wel op de televisieschermen.’