Hoe nu verder?: Robert Skidelsky

‘De ethiek moet terug in de economie’

Op Prinsjesdag gaf het kabinet gevolg aan wat het al eerder aankondigde: het wil Nederland ‘uit de crisis investeren’. Koren op de molen van de Britse Keynes-kenner Robert Skidelsky. ‘De overheid is geschikter voor een sturende rol dan de markt.’

Robert Skidelsky –‘Ik ben geen absolute kapitalist en geen absolute communist, beleid moet juist wegsturen van deze extremen’ © Friso Keuris / De Beeldunie

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat minister Wopke Hoekstra een overschot presenteerde van 3,4 miljard euro, op Prinsjesdag 2019. Luttele maanden en een pandemie later moest hij dit bijstellen tot ‘het grootste tekort sinds de Tweede Wereldoorlog’: liefst 92 miljard euro.

Hoekstra zal bij zijn aantreden niet verwacht hebben de geschiedenisboeken in te gaan als het gezicht van dieprode cijfers, maar hij staat geenszins alleen. De Amerikaanse overheid kwam met een steunpakket van 2200 miljard dollar – ruim twee keer groter dan de interventie van president Obama tijdens de crisis van 2008 (827 miljard dollar) – en ook Europa hield de hand niet op de knip. Het zegde een steunpakket van 775 miljard euro toe en op nationaal niveau werden nog eens honderden miljarden uitgegeven.

Afgelopen Prinsjesdag viel geen kentering waar te nemen; het derde steunpakket van elf miljard euro loopt tot ver na de verkiezingen in maart 2021, en het kabinet stelt consistent ‘dat we ons uit de crisis moeten investeren’. John Maynard Keynes zou het hier roerend mee eens zijn geweest, net als Robert Skidelsky (81), emeritus professor politieke economie aan de Universiteit van Warwick en schrijver van maar liefst vijf boeken over de befaamde Britse econoom, wat hem de informele titel ‘biograaf van Keynes’ opleverde. Samen met zijn zoon Edward schreef hij in 2012 ook het veelgeprezen Hoeveel is genoeg?. Geïnspireerd door een onderbelicht essay van Keynes, waarin hij speculeert over ‘de welvaart van onze kleinkinderen’, bevragen vader en zoon hierin wat vandaag de dag nog het doel van de economie is, nu we zo’n hoog welvaartsniveau hebben bereikt.

Het laatste boek dat Skidelsky publiceerde over Keynes had de treffende titel The Return of the Master. Het verscheen in 2009 en zal afgelopen tijd weer veelvuldig zijn herlezen. Nog sneller dan tijdens de crisis van 2008 wendden de regeringsleiders zich deze maanden tot Keynes voor oplossingen. Toen destijds de ergste storm leek overgewaaid en de economie weer enigszins opkrabbelde, verdwenen de ideeën van de Britse econoom echter weer snel op de plank, om weg te stoffen tot de volgende crisis. Wat volgde was een bezuinigingsbeleid dat resulteerde in een onnodig langzaam herstel van de Europese economieën, terwijl Amerika juist niet aan de handrem trok.

Deze fout moeten we niet nogmaals maken, stelt Skidelsky. In een artikel voor Project Syndicate schrijft hij onomwonden dat het afgelopen is met de ‘monetaire fantasie’, die beweert dat je een economie in balans kunt houden met een combinatie van vrije markt en rentebeleid van de centrale bank. Voor het stimuleren van de economie, schrijft Skidelsky, zijn directe of indirecte overheidsinvesteringen noodzakelijk. De vraag is of deze wijsheid deze keer blijft hangen wanneer het hoogtepunt van de crisis is gepasseerd. De echte test voor de Nederlandse politiek volgt dus nog en zal een belangrijk thema zijn in aanloop naar de verkiezingen.

Behalve emeritus professor in Warwick is Skidelsky ook lord in de House of Lords, het Britse Hogerhuis. Omdat Westminster Palace in de steigers staat, bevindt het tijdelijke kantoor hiervan zich honderd meter verderop in het Victoriaanse Millbank House, een indrukwekkend pand dat van binnen wat aan de krappe kant blijkt. Lord Skidelsky deelt zijn kantoor van zo’n vier bij vijf meter met twee andere collega’s en stapels boeken en paperassen. Verspreid door de ruimte staan verschillende schaaltjes met koekjes. Zonder handen te schudden, en een aantal bijzettafeltjes ontwijkend, nemen we plaats op Ikea-leunstoelen, helemaal tegen de achterwand van het smalle kantoor. Skidelsky – een kleine man met zilverwit haar in een zwart pak – zet zijn kop thee boven op een stapel boeken en verontschuldigt zich voor ‘de camping in zijn kantoor’.

‘Vanaf de crisis van 2008 werd ik een felle tegenstander van bezuinigingsbeleid’

Al sinds 1991 schuift hij aan in het Britse Hogerhuis, sinds 2001 als onafhankelijk lid (sidebencher). Skidelsky werd politiek actief toen hij in 1979 de Social Democratic Party (sdp) mede-oprichtte. Toen de partij in 1992 uit elkaar viel, sloot hij zich aan bij de Conservatives, waar hij woordvoerder werd voor achtereenvolgens cultuur en financiën. In 2001 werd hij vanwege publieke oppositie tegen de navo-bombardementen van Kosovo uit de partij gegooid. In 2015 sprak hij zich vervolgens uit voor Jeremy Corbyn als leider van Labour.

Tot de crisis van 2008 was Skidelsky geen uitgesproken voorstander van de beleidsideeën van Keynes. ‘Destijds kon ik me redelijk vinden in de Thatcher-revolutie en het idee dat de overheidsuitgaven uit de hand waren gelopen’, zegt hij, ‘maar Keynes zat altijd in mijn achterhoofd en drong zich na de crisis van 2008 naar de voorgrond. Vanaf toen werd ik een felle tegenstander van het bezuinigingsbeleid van toenmalig premier David Cameron.’

Huidig premier Boris Johnson voert een bijna keynesiaans begrotingsbeleid uit. Al voor de coronacrisis kondigde hij grootscheepse investeringen aan in achtergestelde regio’s – waar hij veel stemmen van Labour had gewonnen – en na de uitbraak van het virus deed hij er nog een schepje bovenop. Skidelsky aarzelt echter om dit te zien als een verschuiving in het economische denken. ‘Bij de stemgang voor de Brexit bleek dat het huidige narratief niet meer wordt geloofd’, zegt hij. ‘Het is daarom logisch dat Johnson economisch nu wat anders probeert en op zich is dat positief. Maar het is de vraag in hoeverre dit puur reactief is, of gebaseerd op een veranderd principe. Voor een duurzaam, nieuw narratief moeten we nadenken over de relatie tussen monetair beleid en fiscaal beleid, over de rol van centrale banken; hoe kunnen we fiscaal beleid verankeren in het systeem?’

Skidelsky promoveerde aan Oxford met een proefschrift over de politiek tijdens de Grote Depressie in de jaren dertig in het Verenigd Koninkrijk. Keynes was een belangrijke figuur in deze periode, maar aanvankelijk trok een van zijn tijdgenoten meer de aandacht van de jonge Skidelsky: Oswald Mosley, leider van de Britse fascistische partij, over wie hij zijn eerste biografie zou schrijven.

Mosley was de vader van een studievriend, Max. ‘Op een dag vroeg hij of ik zijn vader wilde ontmoeten, en zo was ik ineens aan het lunchen met Oswald Mosley en zijn prachtige vrouw, Diana Mitford. Hij was toen in de zestig. Het was een ontzettend charismatische man en hij liet constant namen vallen van de machtige mannen die hij vroeger regelmatig sprak, van voormalig premier David Lloyd George tot Adolf Hitler. Je kunt je voorstellen dat het voor een student geschiedenis ontzettend fascinerend was om hem te spreken.’

Mosley, die in 1936 trouwde in het zomerhuis van Joseph Goebbels met Hitler als eregast, was eind jaren twintig een sleutelfiguur in de Britse Labourpartij. Toen de Grote Depressie uitbrak, pleitte hij voor forse investeringen en een programma voor publieke banen. Labour legde dit plan naast zich neer, waarop Mosley zijn ontslag indiende en in korte tijd afdreef naar het fascisme. ‘Op economisch vlak was er veel overlap tussen de ideeën van Mosley en Keynes’, legt Skidelsky uit. ‘Toen Keynes na het uitbreken van de depressie in een artikel opriep tot “economisch nationalistisch beleid” in de vorm van publieke investeringen in de eigen economie, stuurde Mosley hem een brief om hem te feliciteren met het omarmen van de fascistische economie.’

‘De orthodoxe economie biedt een schijnzekerheid over de loop van de economie’

Keynes’ antwoord toont het essentiële verschil tussen de twee: ‘I wrote as I did not to embrace you, but to save the country from you.’ Mosley wilde het liberale systeem omverwerpen om als sterke staat economisch beleid te kunnen voeren, Keynes was van mening dat dit ook binnen een democratisch systeem kon. Keynes kon niet voorkomen dat Duitsland ten prooi viel aan het fascisme. De wurggreep van het Verdrag van Versailles werkte de opkomst van Hitler in de hand en toonde Keynes’ gelijk; het gaf hem het overwicht om zijn stempel te drukken op de naoorlogse economie. Zijn ideeën had hij al uiteengezet in The General Theory of Employment, Interest and Money, geschreven tijdens de grote crisis van de jaren dertig, toen Europa gebukt ging onder grote werkloosheid. Keynes geloofde dat economieën niet automatisch een natuurlijk punt van volledige werkgelegenheid bereiken, een voorwaarde voor brede welvaart. Om deze gaten in de markt op te vullen, dienen overheden een actieve rol te spelen in de economie.

Na de oorlog opteerden de meeste landen voor het keynesiaanse model en nostalgisch wordt deze periode nu ook wel omschreven als ‘de gouden jaren van het kapitalisme’: de economie groeide gestaag en de hele samenleving profiteerde mee. Maar in de jaren zeventig ontstond er ruis op de lijn. Stijgende inflatie zorgde voor onrust en het keynesiaanse gedachtegoed werd als schuldige aangewezen. ‘De conservatieven zochten naar een manier om hun belang, het belang van de kapitaalbezitters, weer voorop te stellen’, zegt Skidelsky. ‘Inflatie gaf ze een perfect excuus om dit te doen. Inflatie was de vlag waaronder de kapitaalbezitters zeilden, maar het doel was om de staat terug zijn hok in te sturen.’

Robert Skidelsky bij debatvereniging The Oxford Union, Groot-Brittannië, 2016 © Oxford Union / Rex / Shutterstock / ANP

Vader Skidelsky was een Russische oligarch avant la lettre. Toen Rusland omstreeks 1900 een expansie oostwaarts maakte, profiteerde zijn familie rijkelijk. Ze kregen in Siberië veel grond, hout en kolen in hun bezit en bouwden zelfs mee aan de Transsiberië Express. De Skidelsky’s genoten een bevoorrecht leven tot in 1917 de Russische revolutie uitbrak. De familie vluchtte de grens over van Vladivostok naar het Chinese Mantsjoerije en al hun bezittingen werden door de bolsjewieken in beslag genomen. Maar ook in Mantsjoerije was de familie niet lang veilig. Japan viel de provincie binnen en de familie Skidelsky werd vastgezet en uiteindelijk uitgeruild met Japanners die in Engeland vastzaten – vader Skidelsky had een Brits paspoort vanwege zijn opleiding in het land. En zo belandde Robert Skidelsky op vierjarige leeftijd in Engeland.

Om zijn familiegeschiedenis verder in te kleuren, dook Skidelsky recentelijk in Russische archieven. ‘Ik lees net genoeg Russisch om de naslagwerken over mijn familie te ontcijferen’, vertelt hij. ‘Mijn familie is niet alleen slachtoffer geworden van het communisme, maar ook van het kapitalisme.’ Op de vlucht voor de bolsjewieken had de familie nog enkele miljoenen dollars contant geld mee weten te smokkelen, en al het geld investeerden ze in aandelen op Wall Street. Dit laatste familiebezit verdampte tijdens de grote crash in 1929, waarna Robert Skidelsky niets restte dan opnieuw te beginnen in zijn nieuwe thuisland.

‘Deze familiegeschiedenis heeft me gevormd tot een man van de middenweg, met de blik van een buitenstaander. Ik ben geen absolute kapitalist en geen absolute communist, beleid moet juist wegsturen van deze extremen.’ Met deze overtuiging mengt Skidelsky zich veelvuldig in het publieke debat. Zo schreef hij mee aan een oeso-rapport van 2019, dat stelt dat het puristische neoliberale marktdenken niet meer voldoet: het is hoog tijd voor een nieuw paradigma in de economie, waarin niet de markt, maar mens en natuur centraal staan.

‘De economie moet humanistisch zijn en niet efficiëntie als einddoel nemen’

Skidelsky staat voor een terugkeer naar het keynesiaanse gedachtegoed, maar of dat afdoende is als ‘nieuw paradigma’ in de economie? Skidelsky: ‘Het nieuwe narratief – dat vind ik een geschikter woord dan paradigma – moet een combinatie zijn van wat goed was aan het keynesiaanse model én een toekomstgerichte filosofie, een ethisch gedachtegoed. De ethiek is weggesneden uit de economie en dit moet teruggedraaid worden. Economen moeten zichzelf steeds afvragen: wat willen we bereiken? Waar willen we heen? Willen we waarde creëren of welzijn? Want die twee doelen vragen om heel ander beleid.’

Hij vervolgt: ‘De orthodoxe economie pretendeert een bepaalde zekerheid te bieden over de loop van de economie, maar dit is een schijnzekerheid. Kijk naar de impact van het coronavirus, niemand weet hoe dit zich zal ontwikkelen. Daarom moet je vooropstellen dat we in een onzekere wereld leven, en deze onzekerheid als basis nemen, zoals Keynes deed. Om deze onzekerheid heen kunnen we een systeem creëren dat redelijk voorspelbaar werkt. De markt verandert van dag tot dag, dus kan ze geen voorspelbaarheid bieden. De overheid is langzamer, als een deinend schip op zee, en is daarom veel geschikter voor een sturende rol.’

Over hoe deze sturende rol eruit zou moeten zien, heeft Skidelsky verschillende ideeën. ‘Een mogelijkheid is het omvormen van de overheid tot de werkgever of last resort. Iedereen die geen baan kan vinden in de private sector krijgt er een van de overheid. Dat vind ik een belangrijk idee, want het zorgt automatisch voor balans: als de economie goed draait, zijn overheidsinvesteringen niet nodig en zal het aantal publieke banen afnemen. Wanneer de economie slecht draait heeft zij behoefte aan overheidsinvesteringen en neemt het aantal publieke banen vanzelf toe. Daarbij komt het geld direct terecht bij de mensen die het snel weer zullen uitgeven, het grote minpunt van monetair beleid. Stel je voor, voor het eerst sinds de industriële revolutie zal er geen werkloosheid meer zijn.’

In 1928 hield Keynes voor zijn studenten in Cambridge een rede getiteld Economic Possibilities for our Grandchildren. De rede, ook wel de utopie van Keynes genoemd, dateert van een jaar voor de grote crisis, toen de econoom zich nog toekomstmijmeringen kon permitteren. Hij rekende voor dat als de technologische ontwikkelingen op dezelfde voet door zouden blijven groeien, hand in hand met de arbeidsproductiviteit, ieders kleinkinderen over honderd jaar nog maar enkele uren per week zouden hoeven te werken om aan hun materiële behoeftes te voldoen. Hij schreef: ‘For the first time since his creation man will be faced with his real permanent problem how to use this freedom from pressing economic cares (…) We shall once more value ends above means and prefer the good to the useful. We shall honour those who can teach us how to pluck the hour and the day virtuously and well.’

Keynes baseerde zich op cijfers van 1870 tot 1930, waaruit bleek dat als men meer ging verdienen het aantal gewerkte uren afnam. Hij concludeerde vervolgens dat deze ontwikkeling zich in de volgende eeuw zou doorzetten. Maar daar zat Keynes mis; de veertigurige werkweek is nog steeds de norm. Keynes nam aan dat als een bepaald niveau van welvaart is bereikt, de mens voldaan is en vrije tijd zou verkiezen boven meer geld en spullen. Daarmee onderschatte hij de onverzadigbaarheid van de menselijke consumptiedrift, stelt Skidelsky.

‘Vorig jaar ontmoette ik de paus in Rome’, vertelt Skidelsky, terwijl hij wijst naar een foto van hun tweeën boven zijn bureau. ‘Paus Franciscus is veel bezig met de economie en vecht tegen wat hij “rampant consumerism” noemt; de economie moet humanistische waarden omarmen en niet efficiëntie als einddoel nemen. De schoonheid van het leven ligt juist in de inefficiënte zaken. Dit is helemaal in lijn met Keynes, die ook vond dat economie een middel is om een goed leven te leiden en geen doel op zich, want anders doe je niets anders dan rondjes rennen in een rad. Het hele punt van genoeg hebben, is dat je stopt. Het coronavirus is daarmee een test voor onze manier van leven. Je moet niet stoppen omdat je wordt gedwongen door de grenzen van de aarde, je moet stoppen omdat je een voldaan en goed leven hebt bereikt.’

Hoe nu verder?

Van de klimaatcrisis tot de crisis in de westerse democratie, van de technologische ontheemding tot het doorgeschoten kapitalisme met zijn groeiende kloof tussen superrijk en kansloos arm. In deze interviewserie laten we prominente denkers aan het woord over de oplossingen voor de grote problemen van deze tijd.