Het wensdenken van de hemelbestormers

De euforie van mei ’68 ging in Latijns-Amerika hardnekkig door

Mei ’68 zette de protestgeneratie op het verkeerde been. Ook journalist Jan van der Putten. ‘De bloedige revoluties en contrarevoluties waarvan ik jarenlang in Latijns-Amerika getuige ben geweest heb ik veel te lang benaderd met de joyeuze geest van Parijs.’

Jonge socialisten demonstreren in juli 1973 in Santiago, Chili, tegen de regering-Allende. © Marcelo Montecino/Getty Images

Mei ’68, wat was dat eigenlijk? Een vrolijke, creatieve, anarchistische opstand tegen de arrogantie van de macht? Een feestje van trotskisten, maoïsten en andere grimmige radikalinski’s, dat onvermijdelijk in een kater moest eindigen? Het begin van diepe maatschappelijke veranderingen die doorwerken tot de dag van vandaag? Of de aanzet tot een machtsgreep door een generatie die de macht daarna niet meer heeft willen afgeven, de maatschappelijke ontwikkelingen heeft geblokkeerd en daarom in grote mate verantwoordelijk is voor de huidige verloedering?

Waarschijnlijk is er niet één waarheid. Maar wel staat vast dat mei ’68 het eerste massale verzet in Europa was sinds de Tweede Wereldoorlog en gericht was tegen de oude regentenmentaliteit op alle gebieden: de politiek, het universitaire leven, de economie, de cultuur, de moraal. Dat die Parijse meisdagen hun sporen levensgroot hebben nagelaten staat buiten kijf. Voor mij waren ze vooral een feest van ludieke verbroedering, waarin verbieden het enige verbod was. Het was ook de eerste keer dat ik voelde: hier wordt geschiedenis gemaakt, en ik ben er bij.

Wat ik toen natuurlijk nog niet kon weten was dat La révolution de mai, door conservatief Frankrijk gereduceerd tot Les événements de mai, me op het verkeerde been heeft gezet. Want de bloedige revoluties en contrarevoluties waarvan ik jarenlang in Latijns-Amerika getuige ben geweest heb ik veel te lang benaderd met de joyeuze geest van Parijs. En ik vrees dat voor velen die destijds van Latijns-Amerika revolutionaire wonderen verwachtten hetzelfde geldt.

Begin 1968 verhuisde ik naar Parijs om er aan de Sorbonne te werken aan mijn proefschrift. Promovendi mochten zelf ook een paar colleges geven. Die derde mei was het mijn beurt. Op de binnenplaats van de Sorbonne was het ongewoon druk. Iedereen verdrong zich rond het standbeeld van Louis Pasteur, waar een roodharige jongen nu eens boos, dan weer grappig maar steeds welsprekend stond te oreren tegen de regentenmentaliteit aan de universiteit. Iedereen kende Dany le Rouge al als de leider van de enragés van de sociologische faculteit in Nanterre, die daags tevoren door de autoriteiten was gesloten.

De politie stelde een ultimatum: binnen de kortste keren moesten we de binnenplaats ontruimen, anders zou de politie daar zelf voor zorgen. Niemand ging weg. En toen deed de politie het stomste wat ze kon doen: ze viel de binnenplaats binnen – de eerste schending van de autonomie van de Sorbonne in acht eeuwen – en laadde alle aanwezige mannen in de paniers à salade, zoals de zwarte arrestatiebusjes in de volksmond heetten. Wonderlijk genoeg gingen de vrouwen vrijuit. Ik heb er niet één tegen deze antifeministische discriminatie zien protesteren.

Ben nog nooit zo snel door Parijs gereden. Vier uur heb ik in een politiekelder doorgebracht, wachtend op mijn vérification d’identité. De maandag daarop kreeg ik mijn paspoort terug met de strenge vermaning me als buitenlander verre te houden van rellen. Toen ik buiten kwam vlogen de eerste straatstenen richting oproerpolitie, werden de eerste auto’s omgegooid, de eerste barricades opgericht. De mei-opstand was begonnen.

Het waren waanzinnige weken. Binnen de kortste keren was ook de arbeiderswereld in rep en roer. Frankrijk kwam tot stilstand. Het hele politieke gebouw schudde op zijn grondvesten. Alle politieke spelers lieten hun maskers vallen. Op een zeker moment had de communistische partij de macht voor het grijpen. Maar de hoop van sommigen was de angst van anderen, en die angst zette zich in juni om in een denderende gaullistische verkiezingsoverwinning.

Mei ’68 was voor mij een ideale politieke stoomcursus. Het was ook mijn eerste, zeer bescheiden, voorproefje van politiek geweld. Vergeleken bij de staatsgrepen en burgeroorlogen in de jaren zeventig en tachtig in Latijns-Amerika was de Parijse meirevolte kleuterwerk. De demonstranten gooiden voornamelijk met kinderhoofdjes en straatmeubilair, de leden van de oproerpolitie CRS mepten er als bezetenen op los en spaarden het traangas niet, er vielen naar schatting tweeduizend gewonden, maar er werd niet op de demonstranten geschoten. Over de dodelijke tol van de meirevolte wordt getwist. Aan de (meestal indirecte) gevolgen zijn vijf, hooguit zeven mensen overleden. Het bekendste slachtoffer was de zeventienjarige maoïstische lyceïst Gilles Tautin, die verdronk toen hij bij een achtervolging door de CRS in de Seine sprong. Mogelijk kon hij niet zwemmen. Hij werd uitgeroepen tot martelaar van het verzet.

De CRS-agenten waren houwdegens, maar de gescandeerde leus van de demonstranten ‘CRS SS’ was even overdreven als hun slogan ‘De Gaulle assassin’. Overdrijving van de repressie, merkte ik later in Latijns-Amerika, hoorde bij de revolutie als een pijl bij een boog. Op iedere vorm van repressie werd vrijwel automatisch het etiket ‘fascisme’ geplakt. In persberichten van Latijns-Amerikaanse verzetsbewegingen ging de opgave van het aantal slachtoffers altijd vooraf door ‘meer dan’, en ook dat aantal zelf was meestal zwaar aangedikt. Van 53 doden werd ‘meer dan 153 doden’ gemaakt, tweeduizend vermisten groeiden uit tot ‘meer dan twintigduizend’. Een vorm van overkill die de geloofwaardigheid van het verzet niet ten goede kwam. Alsof de werkelijke aantallen al niet verschrikkelijk genoeg waren.

De allesoverheersende stemming van de meirevolte was een grenzenloze euforie. Het was een gevoel van bevrijding gemengd met de opperste verbazing dat in zo korte tijd met zulke eenvoudige middelen de hele staat aan het wankelen was gebracht. Zo’n intense volksvreugde heb ik later alleen nog maar meegemaakt in 1979 in Nicaragua toen de sandinisten na de vlucht van dictator Somoza de hoofdstad Managua binnentrokken, en, om totaal andere reden, in 2001 in Peking toen China de Olympische Spelen van 2008 kreeg toegewezen.

Ook toen ik begin 1971 in Santiago de Chile ging wonen herkende ik iets van de Parijse trance. De socialist Salvador Allende had net de verkiezingen gewonnen. Voor het eerst in de geschiedenis zou het socialisme niet worden gegrondvest op gewapende strijd, maar op een vreedzame, democratische revolutie binnen de bestaande legaliteit. De meest linkse Chilenen geloofden er heilig in dat het mogelijk was zonder bloedvergieten de samenleving rechtvaardiger te maken. Alleen de Beweging van Revolutionair Links, een door studenten geleide beweging die veel gemeen had met sommige Parijse radicalen, zag geen heil in het democratisch socialisme van Allende en predikte de gewapende weg naar Cubaans model.

In Nederland en andere Europese landen was veel steun voor het sympathieke Chileense experiment met zijn geweldloosheid en zijn respect voor de bestaande wetten. Wat in ’68 in Frankrijk niet gelukt was, zou gaan gebeuren in Chili. Met een gewelddadige reactie hield vrijwel niemand in binnen- en buitenland rekening. In Frankrijk was er toch ook nauwelijks bloed gevloeid? En had Chili niet een lange democratische traditie? Zelfs toen eind juni 1973 kolonel Roberto Souper een staatsgreep uitprobeerde – die de generale repetitie voor de coup van Pinochet bleek te zijn – waren er weinig Chilenen die die legeropstand serieus namen. Terwijl de kogels door de straten van Santiago floten en de Argentijns-Zweedse cameraman Leonardo Henrichsen zijn eigen dood filmde, kwamen er mensen nieuwsgierig een kijkje nemen. Alsof het allemaal niet serieus was. Tweeënhalve maand later greep Pinochet in. Met één klap kwam aan de onschuld een eind.

Mei ’68 was een feest van anarchistische leuzen. Een van de mooiste was ‘Zie je verlangens voor werkelijkheid aan’. Kan het idealistischer? Nauwelijks. Maar het kan ook moeilijk gevaarlijker. Linkse Chilenen en hun sympathisanten hebben veel te lang in dat wensdenken geloofd, en daardoor de realiteit uit het oog verloren, gebagatelliseerd of eenvoudigweg ontkend. En dat terwijl Allende alles tegen had: een rechtse parlementaire meerderheid die alle socialistisch geïnspireerde wetsvoorstellen torpedeerde en een ware parlementaire guerrilla voerde; een diep verdeelde coalitie waarin de centrum-linkse partijen nauwelijks iets gemeen hadden met de radicaal-socialistische flank; een links-extremistische oppositie die Allende zag als een platte ‘reformist’ (voor de ware revolutionair een haast nog ergere vloek dan ‘reactionair’); het nationale en transnationale bedrijfsleven, en vooral: de internationale machtsverhoudingen.

Het was volop Koude Oorlog. Zowel in het Frankrijk van mei ’68 als in het Chili van Allende stond het evenwicht tussen Oost en West op het spel. Een evenwicht dat Moskou noch Washington in gevaar wilde brengen. Om de status quo te handhaven mocht het Chileense experiment evenmin slagen als een paar jaar eerder de Franse meirevolutie en de Praagse Lente. Daarom kregen de Franse communisten in mei 1968 van hun grote broer in Moskou het verbod een greep naar de macht te doen. Ze stelden zich graag tevreden met de door de regering aangeboden loonsverhogingen. Als tegengebaar bleef het Westen volkomen passief toen troepen van het Warschaupact die zomer in Praag de oude orde herstelden.

Ook in Chili mocht het evenwicht tussen Oost en West niet in gevaar komen. Feilloos heeft de Amerikaanse regering het door Henry Kissinger ontworpen plan uitgevoerd om aan de regering-Allende een eind te maken. Niet eens zozeer omdat een links regime in een tamelijk onbeduidend land aan de rand van de wereld op zichzelf zo gevaarlijk was, maar vooral om te voorkomen dat het Chileense volksfrontvoorbeeld school zou maken. Kissinger was vooral beducht voor ‘besmetting’ van Italië en Frankrijk met hun sterke communistische en socialistische partijen. Bovendien was één Cuba voor Washington meer dan genoeg. Vandaar de Amerikaanse steun aan alle ultrarechtse staatsgrepen en militaire regimes die Latijns-Amerika tijdens de Koude Oorlog heeft gekend.

Van de barricades van Parijs herinner ik me jongens die waren uitgedost als de Che Guevara van de beroemde foto van Korda. Een paar maanden eerder was de ‘heroïsche guerrillero’ in Bolivia gevangen genomen en doodgeschoten. Links had immense behoefte aan een held, en aan die behoefte voldeed de jonge Argentijnse arts-guerrillero Ernesto Guevara de la Serna volkomen. Hij belichaamde de Nieuwe Mens, die met zijn gedreven idealisme, zijn altruïsme en zijn moed veel meer tot de verbeelding van de westerse jeugd sprak dan figuren als Stalin en Mao en zelfs Fidel Castro en ‘oom’ Ho Chi Minh. Na zijn dood kreeg Che, geholpen door de Jezusachtige uitstraling van Korda’s foto, de status van verlosser. Net als Jezus was hij gestorven om het volk te bevrijden. Dat zijn poging om een guerrillaoorlog in Bolivia te beginnen een slecht doordacht, tot mislukken gedoemd plan was, begon pas veel later door te dringen. Het heeft zijn messiaanse aureool in het geheel niet aangetast.

Guevara had in het Boliviaanse binnenland een buitenlandse ideoloog bij zich: Régis Debray. Deze Franse actie-intellectueel – hij had meegevochten met een Venezolaanse guerrillabeweging in het begin van de jaren zestig en zich aangesloten bij de guerrilla van Guevara – werd gearresteerd en veroordeeld tot dertig jaar. Een paar jaar later kwam ik hem tegen in het Chili van Allende. Hij was net vrijgelaten dankzij druk van landgenoten als Charles de Gaulle, André Malraux en Jean-Paul Sartre en van paus Paulus VI. Inmiddels was zijn boek Révolution dans la révolution, waarin hij een theorie ontvouwde die voornamelijk was gebaseerd op de guerrillaoorlog van Fidel Castro in de tweede helft van de jaren vijftig, de bijbel geworden van menige Latijns-Amerikaanse guerrillastrijder.

Veel jonge mensen hebben de letterlijke opvatting van zijn woorden met marteling, langdurige opsluiting of de dood moeten bekopen. Averechtser heeft een boek zelden gewerkt. Toen overal de contrarevolutie zegevierde schreef Debray ook daarover een analyse: La critique des armes. Mitterrand huurde hem in als buitenlandadviseur. Tien jaar geleden liet Debray zijn licht alsnog schijnen op mei ’68, dat hij samenvatte als ‘een geslaagde contrarevolutie’.

De werkelijkheid bleek in Parijs al snel in strijd met het revolutionaire idealisme. Maar het duurde een tijd voordat de verliezers hun verlies wilden erkennen. Ook na mei togen ieder weekeinde een paar duizend enragés, onder wie een groot aantal fils de papa, naar het Quartier Latin om met een robbertje keien gooien hun revolutionaire brevet te halen. Telkens als ik op mijn zolderkamertje op de hoek van de boulevards Saint Germain en Saint Michel het binnengedrongen traangas rook, wist ik dat het weer raak was. Dat zinloze ritueel heeft maanden geduurd.

In Latijns-Amerika deden de revolutionairen er nog veel langer over om de werkelijkheid te accepteren. Ook toen ze klap na klap kregen te incasseren bleven ze er zeker van dat het imperialisme en zijn plaatselijke lakeien hun laatste stuiptrekkingen beleefden. Na hun onherroepelijke ondergang zou het volk, bij voorkeur aangeduid als ‘de massa’s’, aan de macht komen, en dan kon de revolutie beginnen en zou alles anders en beter worden. ¡Venceremos! Kennelijk leefden de leiders van die revolutie die maar niet wilde komen in een zo gesloten getto dat ze geen idee hadden van wat zich daarbuiten afspeelde, zodat niets hun wensdenken en zelfoverschatting in de weg stond en ze hun dromen voor realiteit konden aanzien. Voor de werkelijke krachtsverhoudingen hadden ze geen enkel oog.

Neem dat groepje Braziliaanse ballingen in Chili die gevraagd hadden of ze in ons huis een besloten vergadering mochten hebben. Natuurlijk mochten ze dat, want we droegen ballingen een goed hart toe. Nadat ze waren vertrokken vond ik een schriftje dat ze waren vergeten. Er stonden aantekeningen en schetsjes in voor de vervaardiging van molotovcocktails. Daarmee dachten ze het Braziliaanse militaire bewind, dat de volledige steun had van het Pentagon en het Witte Huis, omver te werpen. Ook de Boliviaanse ballingen die in ons huis samenzwoeren tegen de bloedige dictatuur in hun land leden aan een naïeve, haast aandoenlijke zelfoverschatting.

Veel ernstiger was de hardnekkige weigering van revolutionaire leiders om hun verlies toe te geven en daaruit hun conclusies te trekken. Ondanks alle nederlagen tegen de staatsterreur bleven ze de overlevenden van hun gedecimeerde organisaties naar de slachtbank zenden. De misstanden in eigen linkse kring verzwegen ze uit angst dat ze anders rechts in de kaart zouden spelen. Dat verstoppertje spelen gaat door tot de dag van vandaag. Er zijn linkse Venezolanen die de even incompetente als machtshongerige, zich socialistisch noemende president Maduro weliswaar verschrikkelijk vinden, maar dat nog altijd niet hardop durven te zeggen uit angst mee te huilen met de wolven van de rechtse oppositie.

Het wensdenken van de hemelbestormers en hun onwil of onvermogen om de krachtsverhoudingen niet idealistisch maar realistisch in te schatten gingen gepaard, zowel in Frankrijk als daarna in Latijns-Amerika, met een verbijsterende misvatting over wat het volk werkelijk wilde. De revolutionairen wisten het zeker: het volk wilde revolutie. Het volk zelf dacht daar anders over. De meeste mensen hadden geen enkele zin om de rol van revolutionaire achterhoede te spelen die hun door de zelfgeproclameerde voorhoede was toebedacht. Ze wilden geen revolutie, maar werk, een fatsoenlijk loon, onderwijs, gezondheidszorg en een beetje plezier in het leven, kortom een menswaardig bestaan.

Hun angst voor riskante veranderingen lieten ze blijken in de verkiezingen die aan het eind van de beroeringen volgden: in Frankrijk haalden de gaullisten een overwinning als nooit tevoren, in Latijns-Amerika kwamen meestal centristische of rechtse partijen aan de macht, die enthousiast het economische model omhelsden dat onder Pinochet zijn wereldprimeur had beleefd: het neoliberalisme. Waarschijnlijk de enige revolutionaire beweging van toen die er nog altijd toe doet zijn de Tupamaros van Uruguay. Na de dictatuur zijn ze gaan samenwerken met andere linkse partijen. Een militant van het eerste uur, José Mujica, die tijdens de dictatuur elf jaar als gijzelaar gevangen werd gehouden op de bodem van een droge put, was van 2010 tot 2015 president. Hij deed het uitzonderlijk goed.

De enige revoluties die wel slaagden werden gekaapt: de Cubaanse door de broers Castro, de sandinistische door het echtpaar Ortega. Zoals gebruikelijk at de revolutie haar eigen kinderen op. Van de euforie waarmee de revolutionairen destijds werden binnengehaald is niets meer over. Waardoor ik mijn Parijse euforie van 1968 met des te meer heimwee koester.