de magische grens van 1,30

De euro, de dollar en hun verhouding

De koers van de euro bereikte vorige week een nieuw record en nadert de magische grens van 1,30 dollar. Is dat erg? En wie kan daar wat tegen doen?

Hoeveel dollar krijg je voor een euro en hoeveel euro krijg je omgekeerd voor een dollar? Dat wordt bepaald door de vraag naar en het aanbod van dollars en euro’s op de internationale valutamarkten. Op deze markten wisselen permanent gigantische hoeveelheden dollars, yens, euro’s en andere valuta van eigenaar — omgerekend gemiddeld 1200 miljard dollar per dag.

Als de eurokoers ten opzichte van de dollar stijgt, worden exportproducten vanuit de eurolanden duurder voor Noord-Amerikaanse burgers en bedrijven. Deze moeten dan immers meer dollars neertellen voor hun in euro’s af te rekenen aankopen. Duitsland, de grootste EU-economie met groeiproblemen, krijgt daar bijvoorbeeld last van, want daar wordt veel naar de VS geëxporteerd. Omgekeerd kost de import die EU-landen in dollars moeten betalen minder. Daar is de Europese Centrale Bank (ECB) blij mee, want olie en veel grondstoffen worden daardoor goedkoper en dat drukt de inflatie.

De veel aandacht trekkende euro-dollar-koersverhouding raakt lang niet alle export uit de eurozone. Meer dan zestig procent van de handel van eurolanden vindt binnen de eurozone plaats. En van de handel buiten de eurozone wordt viervijfde niet in dollars afgerekend maar in andere valuta. Even belangrijk als de ontwikkeling van de euro-dollar-koers is bijvoorbeeld dat de euro de afgelopen tijd is gedaald ten opzichte van het Engelse pond. Goederen en diensten uit euroland zijn hierdoor goedkoper geworden voor Britse bedrijven en burgers.

Alle relevante koersfluctuaties — euro ten opzichte van dollar, pond, yen, Zwitserse frank, enzovoort — worden gewogen in de zogenoemde «effectieve wisselkoers», die rekening houdt met het relatieve belang van de verschillende handelspartners. Volgens deze indicator is de euro sinds begin dit jaar eigenlijk niet duurder geworden, zo meldde Het Financieele Dagblad (19 februari).

De koersontwikkeling van de euro ten opzichte van de dollar werkt niet alleen via de handel door in de economie van euroland. In haar meest recente World Investment Report rekent de Unctad voor dat de 870.000 buitenlandse filialen van de 64.000 multinationals die de wereld rijk is in 2000 samen een omzet hadden die ruim twee keer zo groot was als de wereldwijde export. Buitenlandse directe investeringen zijn tegenwoordig dus veel belangrijker dan handel.

Dat geldt zeker ook voor de Verenigde Staten en de Europese Unie. Filialen van Europese bedrijven verkochten in 2000 vier keer zo veel in de VS als de VS dat jaar uit de EU importeerden. De gevolgen blijken wanneer tegenvallende winstcijfers van Europese bedrijven verklaard worden uit in de VS gemaakte winst die minder euro’s oplevert. Volkswagen deed dat onlangs, en de eurokoers is een makkelijk excuus, dus er zullen de komende tijd meer bedrijven volgen. In de VS gebeurt overigens het omgekeerde. Daar levert de winst bij Europese filialen van in Noord-Amerika zetelende ondernemingen meer dollars op. Geen captain of industry die dáár trouwens over klaagt.

Als door buitenlandse filialen gemaakte winst niet daadwerkelijk naar het moederland gehaald wordt maar ter plekke wordt besteed, betreft het slechts boekhoudkundige «winst» of «verlies». Dat kan echter toch gevolgen hebben voor de reële economie, via het zogenoemde «vermogenseffect». Als hogere winsten worden gerapporteerd en de beurskoersen omhoog gaan, voelen beleggers zich rijker en gaan ze meer besteden. Maar de hand gaat op de knip als de koersen dalen omdat de winsten tegenvallen, want dan wanen beleggers zich minder vermogend. Dat effect is overigens groter in de VS dan in de EU, waar minder mensen aandelen bezitten.

De sleutel tot een lagere eurokoers ligt in Frankfurt, want als zij wil, kan de Europese Centrale Bank daar iets tegen doen. Om te beginnen kan zij de voor sentimenten gevoelige valutamarkten beïnvloeden door te roepen dat de eurokoers te hoog is want slecht voor de groei. Daarnaast kan de ECB de eurokoers drukken door te interveniëren op de valutamarkten, zoals de Japanse centrale bank doet voor de yen. De ECB zou dan euro’s moeten verkopen in ruil voor dollars, want dan daalt de eurokoers ten opzichte van de dollar.

Het belangrijkste ongebruikte machtsmiddel van de centrale bankiers in Frankfurt is echter de rente. De ECB houdt deze in euroland hoger dan haar collega’s van de Federal Reserve (Fed) doen in de VS. Een verlaging door de ECB maakt de euro minder aantrekkelijk voor beleggers, dus de koers zal dalen. Maar een lagere rente is ook een stimulans voor de economische groei in euroland, want consumenten en bedrijven kunnen dan goedkoper lenen. Dat is hard nodig, want deze groei wordt ook al geremd door het economisch erg onlogische «stabiliteitspact», dat EU-lidstaten in tijden van recessie dwingt tot extra bezuinigen.

De ECB is vooralsnog echter niet van plan de rente te verlagen. En daar is weinig tegen te doen, want de bank is «onafhankelijk» en in het Verdrag van Maastricht geïmmuniseerd voor democratische controle. Volgens datzelfde verdrag zijn de ministers van Financiën verantwoordelijk voor de wisselkoers van de euro. Maar ook uit die hoek lijkt de kans op actie om de euro-dollar-koers in toom te houden uiterst klein.