Op weg naar de Verenigde Staten van Europa?

De euro die niemand wilde

Radeloos lijken de Europese politieke leiders in de schuldencrisis. Toch zien economen, voorbij de noodverbanden en paniekmaatregelen, de contouren opdoemen van een nieuwe euro. Erg fraai oogt het niet.

TOEN MARK RUTTE op 21 juli het nieuwste pakket maatregelen tegen de schuldencrisis verdedigde, vergat hij behalve vijftig miljard euro nog iets anders: zijn eigen regeerakkoord. ‘De Europese Unie kan niet onbeperkt uitbreiden’, heet het daarin. En: 'Met het Verdrag van Lissabon is voor de komende periode de grens bereikt van overdracht van nationale bevoegdheden aan de EU.’

Het omgekeerde is afgesproken op de topontmoeting die aan de verspreking van Rutte vooraf ging. Brussel krijgt nog meer te zeggen als het om economisch en financieel beleid gaat. 'Opnieuw zijn ze (de eurolanden - kh) een economische regering een stuk dichterbij gekomen’, concludeerde het Duitse weekblad Der Spiegel. Nicolas Sarkozy sprak direct na afloop triomfantelijk van het begin van een 'Europees Monetair Fonds’. 'Ik ben een federalist’, zou de Franse president volgens The Economist zijn Europese collega’s zelfs hebben toevertrouwd.

Er is weinig fantasie voor nodig om je het ongemak van Rutte, de hete adem van Wilders in zijn nek, bij die woorden voor te stellen. Maar net als alle andere regeringsleiders wordt de Nederlandse premier gegijzeld door de dynamiek van de crisis. Het begon in oktober 2009. Bijna terloops deelde de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker na een euro-overleg mee dat het Griekse overheidstekort ruim twee maal zo hoog was als gedacht. De schuldencrisis was een feit. Sindsdien is het ene na het andere Europese taboe gesneuveld. Wat het ene moment nog als onbespreekbaar geldt, is een paar maanden later al een onomkeerbaar feit.

Zo wilde het kabinet paal en perk stellen aan de bemoeienis vanuit Brussel. In plaats daarvan wordt binnenkort het Stabiliteitspact aangescherpt. Landen met een te groot tekort kunnen daardoor sneller en harder gestraft worden. Wie geld moet lenen, komt onder curatele te staan. De betroffen regeringen, ook al zijn ze democratisch verkozen, mogen slechts uitvoeren wat Europa bepaalt, van de privatisering van publieke ondernemingen tot het versoepelen van het ontslagrecht. Er wordt al hardop nagedacht over een heuse Europese minister van Financiën die zulke sancties in de toekomst moet opleggen. De naam van Herman Van Rompuy, op dit moment voorzitter van de Europese Raad, doet in dat kader de ronde.

Een ander voorbeeld is het begin jaren negentig met het Verdrag van Maastricht vastgelegde principe dat eurolanden niet voor elkaars schulden mogen opdraaien. Ook het Nederlandse kabinet hield aanvankelijk vol dat de Griekse steun de binnenlandse belastingbetaler geen cent zou kosten. Inmiddels financieren de rijkere eurolanden niet alleen grote delen van de staatsschuld van Griekenland, maar ook die van Ierland en Portugal. De zogenoemde 'no bailout-clausule’ is een dode letter geworden. Alle bezweringen vanuit Duitsland en Nederland ten spijt.

HET IS ZO LANGZAMERHAND een vertrouwd patroon. Onder druk van hun morrende kiezers willen de politieke leiders, Rutte en Merkel voorop, minder Europa. Maar ze krijgen alleen maar meer. Dat is niet het gevolg van een vooropgesteld plan. Van een doelbewuste strategie die moet leiden tot een Verenigde Staten van Europa is al helemaal geen sprake. 'Het is natuurlijk niet van hups, nu hebben we een Europese economische regering’, zegt Geert Reuten, SP-senator en als econoom verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. 'Het gaat zoals altijd in Europa met heel kleine stapjes. Zo moeten landen voortaan hun begrotingen inleveren in Brussel. Je kunt natuurlijk zeggen dat dat weinig betekent; gewoon een kwestie van informatie verstrekken. Maar het gaat om het pad dat wordt ingeslagen.’

Zo worden, terwijl van crisisoverleg naar noodmaatregel wordt gestruikeld, langzaam maar zeker de contouren zichtbaar van een geheel nieuwe euro. De vooralsnog grootste mijlpaal op weg daarnaartoe werd afgelopen maand bereikt. Het nieuwste reddingspakket voorziet in een sleutelrol voor het Europese reddingsfonds EFSF. Dat was aanvankelijk slechts opgericht om de noodleningen aan Griekenland, Ierland en Portugal te verstrekken. Nu wordt het veel machtiger. Vinden de nieuwe plannen doorgang, dan moet het fonds vanaf oktober de door Sarkozy voorziene rol van een Europees IMF gaan vervullen. Zo kan het EFSF landen die in de problemen dreigen te komen ook preventief geld lenen. Hetzelfde gebeurt als ergens in Europa banken dreigen om te vallen. Bovendien kan het fonds, met door de lidstaten gegarandeerde middelen, obligaties van schuldenlanden opkopen.

Dat raakt met name in Nederland en Duitsland opnieuw aan een taboe. 'Deze constructie komt gevaarlijk dicht in de buurt van de eurobonds’, waarschuwde een prominente politicus van de Duitse CDU. 'Eurobonds’ is de term voor een obligatie die zou worden uitgegeven door alle eurolanden samen. Voorstanders wijzen erop dat een staat als Griekenland hierdoor veel minder rente kan betalen. Maar landen die nog wel het vertrouwen van de financiële markten genieten, zoals Nederland, zouden vele miljarden extra kwijt zijn aan de financiering van hun staatsschuld. Tegenstanders zien de eurobonds dan ook als een verkapte subsidie van het rijke Noord-Europa aan het armere Zuiden. Dat is nooit een populaire boodschap. In tijden waarin ook in Nederland wordt bezuinigd, staat het waarschijnlijk gelijk aan politieke zelfmoord.

Desondanks kunnen de krachten die de schuldencrisis heeft losgemaakt wel eens sterker blijken. Zonder eurobonds kunnen de huidige problemen niet effectief worden bestreden, stelt de Leuvense hoogleraar Paul De Grauwe. Voor een definitieve oplossing van de eurocrisis zijn volgens hem zelfs nog verder gaande maatregelen nodig. De invloedrijke econoom, tevens adviseur van de Europese Commissie en prominent lid van de Vlaamse liberalen, waarschuwde lang voor de invoering van de euro al dat een muntunie slechts kan functioneren in combinatie met een politieke unie.

In plaats van te blijven hameren op schuld en boete, zoals in Nederland gebeurt, moet er naar zijn mening dan ook gekeken worden naar de structurele weeffouten in de eurozone. De Grauwe: 'Het is een mythe dat de euro het zonder een politieke en budgettaire unie kan stellen. Maar die mythe is wel hardnekkig, vooral in Duitsland en Nederland.’ Wat dat concreet inhoudt, zo'n hechtere unie? 'Iets als de hoogte van de minimumlonen lijkt me geen taak voor Europa. Het gaat om het macro-economische beleid. Dan denk ik bijvoorbeeld aan eurobonds. Maar ook het toezicht op de banken moet Europees geregeld worden. Dat is grotendeels nationaal gebleven. Er is inmiddels wel een Europese autoriteit, maar die heeft bijzonder weinig in de pap te brokkelen. Waar het om gaat, is dat er voortaan meteen kan worden ingegrepen zodra in een land als Spanje of Ierland een boom en een zeepbel ontstaan.’

NOG LANG NIET alle voorstellen van De Grauwe zijn werkelijkheid geworden, maar de trend is duidelijk. Om de Europese eenheidsmunt te redden, wordt de eurozone drastisch opgetuigd - alle euroscepsis ten spijt. De vraag is hoe ver dat gaat. Is de muntunie straks veranderd in een volwaardige politieke unie, zoals sommige commentatoren de afgelopen maanden hebben gesteld?

Dat ziet lang niet iedereen zo. Otmar Issing, oud-directielid van de Europese Centrale Bank, betoogde onlangs in een in NRC Handelsblad verschenen opiniestuk dat 'een politieke unie moet berusten op een grondwet’. Zij moet bovendien 'uitgaan van een Europese regering, gecontroleerd door een Europees Parlement dat volgens democratische beginselen is gekozen. Wat we nu zien gebeuren, is iets heel anders.’

Issing staat bekend als een rechtse, monetaristische econoom. Maar uit linkse hoek komt soortgelijke kritiek. Zoals van Geert Reuten, die eind jaren negentig al tot de initiatiefnemers behoorde van een kritisch manifest tegen de euro, ondertekend door zeventig economen. Reuten: 'Het is niet democratisch. Daar ligt naar mijn mening het grootste probleem van Europa. De burgers is nooit iets gevraagd over de euro. Kijk naar wat er nu weer gebeurt. Natuurlijk moeten regeringen in een crisis snel noodverbanden kunnen aanleggen. Maar de structurele, blijvende maatregelen dienen vervolgens langs democratische weg te worden ingevoerd. Dat gebeurt nu niet.’

Jawel, Europa stevent af op verdere eenwording. Maar het is een gemankeerde eenwording, concludeert Arne Heise, hoogleraar economie aan de Universiteit van Hamburg, dan ook. 'De Europese regeringsleiders laten zich voortdrijven door de crisis’, legt hij desgevraagd vanuit zijn Turkse vakantieadres uit. 'Ze bouwen er steeds achteraf een beetje bij. Ze ontwikkelen niets vooruit. Op die manier is er nog niets zinvols bereikt.’

'Negatieve integratie’, noemt Heise dat. Een echte Europese economische regering ziet er volgens hem anders uit: 'Die moet zelfstandig kunnen handelen. Ze moet bovendien over eigen middelen beschikken, door bijvoorbeeld een bescheiden Europese belasting. Dat geldt allemaal niet voor het EFSF en zijn opvolger, het ESM. In plaats daarvan krijgt ieder klein landje een veto. Zo kunnen ze de besluitvorming blokkeren. Ik weet niet wat voor regeringen er de komende jaren gekozen gaan worden in Europa, maar zo'n instelling zal nooit in staat zijn om effectief te handelen.’ Met andere woorden: er is straks maar één Wilders voor nodig om de boel te blokkeren. Bovendien heeft het reddingsfonds voor zijn grootse opgaven zeer beperkte middelen tot zijn beschikking. Volgens Willem Buiter, chef-econoom van Citibank, hebben de eurolanden met het EFSF hun pistool ingeruild voor een machinegeweer - maar zonder extra munitie te regelen.

Is dat een vergissing? De zoveelste schoonheidsfout, die bij een volgende topontmoeting weer wordt rechtgezet? Of is de halfslachtige europeanisering het logische resultaat van de euroscepsis van politici als Merkel en Rutte? Heise denkt dat laatste. Hij herinnert aan de beginjaren van het europroject. Ook toen was het met name Duitsland dat weigerde op grote schaal bevoegdheden over te hevelen naar Europa. Net als Merkel nu gaven Kohl en de Bundesbank in de jaren negentig de voorkeur aan een zwakke, intergouvernementele structuur. Dat was niet het resultaat van zuiver economische overwegingen. Het was volgens Heise meer een gevolg van de machtsstrijd tussen Duitsland en Frankrijk om wie zijn stempel kon drukken op Europa.

Over een Europese eenheidsmunt werd al sinds de jaren zeventig gesproken. Eind jaren tachtig probeerden vooral de Fransen dat idee nieuw leven in te blazen. Duitsland voelde daar aanvankelijk weinig voor. Totdat de Muur viel. Als voormalige geallieerde macht moest ook Frankrijk zijn goedkeuring verlenen aan de Duitse eenwording. In ruil voor die toestemming bedong het de euro. Maar daarmee waren de conflicten tussen de twee Europese machten nog niet voorbij. De Fransen pleitten al vroeg voor een 'gouvernement économique’. Niet alleen omdat zij een groter Europa of een actievere overheid voorstaan, maar ook als tegenwicht voor de op 'Duitse’ leest geschoeide Europese Centrale Bank.

Duitsland klampte zich op zijn beurt vast aan het Stabiliteitspact. Daarin werden enkel monetaire criteria vastgelegd. Juist door op het vlak van bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden en belastingen niets te regelen, zouden landen op die gebieden de concurrentie met elkaar aangaan. Dat idee leeft ook nog altijd in Nederland, getuige een recente lezing van minister De Jager van Financiën. 'Ik geloof niet in de EMU als een transferunie, politiek dan wel economisch’, zei hij daarin. Niet in de laatste plaats omdat dit een ongewenst neveneffect zou hebben: 'Landen zouden geen motivatie meer hebben om noodzakelijke hervormingen door te voeren om hun economieën competitiever te maken.’

Voor economen als Heise is dit juist het punt. De halfslachtige eenwording van de eurozone, waar Duitsland en Nederland ook in de huidige crisis hun steentje aan bijdragen, zorgt niet alleen voor een democratisch tekort, het dringt de lidstaten via de achterdeur ook een neoliberale politiek op. Als voorbeeld noemt Heise de overal in Europa verschillende belastingen die ondernemingen moeten betalen: 'Dat moet echt geharmoniseerd worden. Want niemand kan nog ontkennen dat op dit vlak een race to the bottom gaande is in Europa. Daar moeten we paal en perk aan stellen. Anders blijft er straks helemaal geen ondernemingsbelasting meer over. Het Ierse model, waarbij bedrijven amper nog iets afdragen, gaat ten koste van alle andere lidstaten.’

NOG IS de euro 2.0 geen feit. De kans dat de eurozone uiteenvalt, groeit met de dag. De weerstand onder de Europese belastingbetalers tegen de almaar uitdijende reddingsschermen voor schuldenlanden als Griekenland is groot. Nog heviger is het verzet van de bevolking aldaar. De protesten tegen de vanuit Europa gedicteerde bezuinigingen laten niet af. Mocht straks Italië een beroep moeten doen op het reddingsfonds, dan is het einde nabij. Hetzelfde geldt als Frankrijk onder druk van de eurocrisis zijn huidige kredietstatus verliest. Eerder vroeg dan laat zal de last voor de nog resterende, financieel gezonde landen te groot blijken.

Maar wat als Europa de crisis doorstaat? Wat als straks de rook is opgetrokken en de eurobiljetten in onze portemonnee hun waarde hebben behouden? Ook dan zal Nederland niet langer lid zijn van dezelfde muntunie. Het zal onderdeel zijn van een fiscale unie, mogelijk zelfs van een soort politieke unie. Maar een liefdesbaby is het niet. Zelfs de meest fervente voorstanders van een politieke unie houden er gemengde gevoelens op na. 'Een pijnpunt’, noemt Paul De Grauwe het stokkende democratische proces in Europa. 'Ik denk niet dat we de weg kunnen inslaan van verdere soevereiniteitsoverdracht, als de Europese democratische instituties niet tegelijkertijd meegroeien.’

Het is al met al geen aantrekkelijk vooruitzicht voor Europa. Of de gemeenschappelijke munt gaat ten onder. Dan loopt het gehele Europese project zware averij op. Of zij overleeft. Maar datgene wat uit de crisis te voorschijn komt, kan wel eens een euro zijn die niemand gewild heeft. Een ondemocratisch gedrocht, resultaat van halfbakken besluiten door weifelende politici. Dan is iedereen ontevreden. De eurosceptici, omdat Europa toch meer macht heeft gekregen. Maar ook de Europeanen, want een échte, democratische politieke eenwording ziet er anders uit. En of de constructiefouten in de euro die aan de basis liggen van de schuldencrisis zo kunnen worden verholpen, is de vraag. Econoom Heise ziet het al met al somber in: 'De financiële markten zullen dit niet accepteren. Als er geen werkelijke stappen worden ondernomen richting verdere eenwording is dat wat we nu aanschouwen zeker niet de laatste Europese crisis. Dan is het de eerste crisis in een reeks.’


Grootste bad bank of laatste reddingsboei?

De Europese Centrale Bank lag de afgelopen weken onder vuur. Aanleiding was het nieuws dat zij de aankoop van obligaties van probleemlanden, waaronder nu ook Italië en Spanje, heeft hervat. De maatregel deed de rentes op Italiaans en Spaans schuldpapier onmiddellijk dalen. Ondanks dat snelle resultaat vinden veel critici dat de Centrale Bank haar taakomschrijving - hoeder van een harde euro - overschrijdt. Zij vrezen voor inflatie. Als een centrale bank obligaties opkoopt, zou dat een soortgelijk effect hebben als dat de geldpers wordt aangezet. Bovendien zijn veel lidstaten bang dat zij straks opdraaien voor de verliezen. Eerder werd de ECB al eens de 'grootste bad bank’ van Europa genoemd - een verwijzing naar de enorme hoeveelheid 'giftig’ schuldpapier die zij inmiddels bezit.

Anders dan zijn meeste collega-economen kan het ECB-optreden de gezaghebbende Leuvense hoogleraar Paul De Grauwe niet ver genoeg gaan. 'Het probleem van de markten is dat er nu vrees en paniek heerst’, vertelt hij. 'Dat is een typisch geval van self-fulfilling prophecy. Hetgene waarvoor je schrik hebt - een Spaanse of Italiaanse schuldencrisis - wordt door je acties alleen maar waarschijnlijker. Dus moet de ECB obligaties van die landen opkopen.’

Daarmee is De Grauwe op zijn wenken bediend. In een opiniestuk dat kort voor de ECB-actie onder meer verscheen in de Financial Times Deutschland noemde De Grauwe de centrale bank namelijk 'de laatste redding’. Net als tijdens de recente bankencrisis is zij in de huidige schuldencrisis de enige die de financiële markten gerust kan stellen. De ECB heeft immers onbeperkte liquiditeit tot haar beschikking. Voor inflatie hoeft ondertussen niemand bang te zijn, meent De Grauwe: 'De cash die in crisistijd wordt geleverd door een centrale bank leidt niet tot inflatie. Een belegger wil immers geen auto kopen met dat geld. Hij zal het oppotten.’