De Europese leegte

18 januari 2012 - De Europese Unie is te technocratisch en te veel gericht op het economische belang van de afzonderlijke lidstaten. Bovendien ontbeert zij een gedegen democratische basis. Al met al een dankbaar jachtterrein voor populisten.

Medium eu1

OP HET ELECTORALE DIEPTEPUNT in het bestaan van D66, ten tijde van het kabinet-Den Uyl halverwege de jaren zeventig, stond de partij op nul zetels in de peilingen. Opgewonden vroeg een verslaggever aan D66-minister Hans Gruijters hoe groot de paniek in de partijgelederen was. Dat viel wel mee, antwoordde hij: ‘Het is wel gemakkelijk regeren, zo zonder achterban.’

Lange tijd konden de Europese leiders zich een vergelijkbare houding van onverschilligheid permitteren, niet in het minst omdat 'Europa’ ook de kiezers zelf betrekkelijk koud liet. Dat was gemakkelijk regeren, zo zonder betrokken electoraat. Voorzover de verkiezingen voor het Europees Parlement iets losmaakten, was het veeleer als opgetuigde opiniepeiling van het nationale electorale gemoed dan als jubeldag voor de Europese democratie. Europa, dat was een democratie van niemand en niemand vond dat echt erg, kiezers noch politici. Een politicus die sprak over een 'Europa van de burgers’ deed dat meer als plichtpleging dan als welgemeende getuigenis van democratische Europese gezindheid.

Het is niet waarschijnlijk dat lauwe onverschilligheid over de staat van de Europese democratie ook in de toekomst de toon zal zetten, nu de burgers de werkelijke macht van Europa gewaar worden. Een grensoverschrijdend probleem als de eurocrisis vergt een sterker grensoverschrijdend gezag, met als onherroepelijk gevolg dat zich bevoegdheden opstapelen bij machtsdomeinen boven de natiestaten. Dat kan bij de burgers het verontrustende gevoel voeden dat ze geen greep meer hebben op hun collectieve lot. Onontkoombaar beïnvloedt de eurocrisis het dagelijks leven van alle Europeanen. In de zuidelijke landen door maatregelen die direct en diep in de bestaanszekerheid ingrijpen, in de noordelijke landen door de knagende onzekerheid over een dreigende val van de levensstandaard.

Het is onzeker wat de overheersende reactie van de Europeanen zal zijn. In de crisissfeer van dit moment ligt het voor de hand dat Europa als onheilbrenger te boek komt te staan, met als gevolg dat zich wrok en rancune samenballen jegens die anonieme macht te Brussel. Dat zou vruchtbaar zaad voor een agressief populisme zijn. Maar de reactie hoeft niet per se die kant uit te gaan. Het grotere bewustzijn van de Europese macht kan ook een nieuw democratisch ethos voeden. Dat is niet louter een kwestie van afwachten. Politici hebben het lot van de Europese democratie voor een deel in eigen hand. Cruciaal is of zij, in navolging van de naoorlogse grondleggers van de Europese gemeenschap, het eenwordingsproject weer weten te verwoorden als een belofte waarin burgers kunnen geloven, of dat zij vervallen in de populistische retoriek waarin eigenbelang de enige en allesbepalende maatstaf is. De voortekenen aan Nederlandse kant zijn niet gunstig. 'Ik zit hier voor de meerwaarde voor Nederland. Schrijf dat maar op’, verwoordde staatssecretaris Fred Teeven onlangs in Trouw de inzet van het kabinet in een EU-beraad over justitie. Hij wil alleen iets weten van Europese samenwerking als Nederland er beter van wordt, de rest is 'Europese ongein’. Het kabinet ervaart ook de verplichtingen die Nederland is aangegaan over natuur, milieubehoud, mensenrechten en asielbeleid eerder als lastige ballast dan als een collectieve inzet voor een beter Europa. Hoewel het kabinet in de publieke beeldvorming tegenwoordig Europees gezind heet te zijn, beperkt dat engagement zich op de keper beschouwd tot het economisch profijt dat Nederland bij de eenwording heeft. Ook de fractieleiders van de coalitiepartijen kijken vanuit dat perspectief naar Europa. 'Daar verdienen we onze centen’, zegt Sybrand van Haersma Buma (CDA). 'Europa is goed voor onze handel’, aldus Stef Blok (VVD).

Over een democratische Europese gezindheid zegt deze omarming van Europa nog niets. In zijn nieuwe essay Over de constitutie van Europa waarschuwt de oude meester onder de Duitse filosofen, Jürgen Habermas (82), dat de democratie in tijden van nood te boek kan komen te staan als een vertragende factor die slagvaardigheid belemmert. Om wille van de aanpak van de eurocrisis zijn de Europese staats- en regeringsleiders geneigd de centrale macht van Europa te vergroten, zonder zich te bekommeren om democratische waarborgen. 'Zo wordt de eerste democratisch gelegitimeerde supranationale gemeenschap een versluierde ordening voor het uitoefenen van postdemocratische dominantie door regeringsleiders’, aldus Habermas. 'We maken voor het eerst in de geschiedenis van de EU een ontmanteling van de democratie mee. Ik had niet gedacht dat dat mogelijk was.’

Met die laatste opmerking refereert Habermas aan de kostbare nalatenschap die de Europese politici van nu beheren. Dat is de erfenis van een verenigd Europa, waarin gezworen vijanden van weleer zijn ingekapseld in een verband van onderling verplichtende betrekkingen. In het ideaalbeeld van de grondleggers van de Europese eenwording zou de macht in Europa voortaan getemperd worden door bovennationale instituties voor het recht en de democratie. Voor zowel het recht als de democratie geldt dat zij de mensen enerzijds binden aan regels, rechten en plichten en hen tegelijkertijd vrijmaken, van willekeur en despotisme. Waren etnische haat en chauvinistisch nationalisme ooit 'de nachtmerrie van Europa’, aldus de Engelse schrijver en cultuurfilosoof George Steiner in een lezing voor het instituut Nexus, nu behoort die boze droom dankzij de Europese eenwording tot het verleden. Dat grote succes van dat Europese project wordt volgens Habermas tegenwoordig wel eens veronachtzaamd, in alle negatieve publiciteit over de toenemende machtsfactor die Europa vormt.

DE GESCHIEDENIS VAN DE EUROPESE UNIE laat zich lezen als een verhaal over een uitdijende zone van democratie, recht en welvaart, waardoor de dreiging van een nieuwe verscheurende oorlog op het continent steeds verder week. Vanaf de andere kant van de oceaan valt dat succes soms meer op dan in Europa zelf. Terwijl de Verenigde Staten, zijn eigen land, volgens de publicist Jeremy Rifkin ruw zijn wakker geschud uit hun Amerikaanse droom kan Europa naar zijn oordeel de wereld tot voorbeeld zijn. Mede dankzij zijn sociale markteconomie kent Europa minder analfabetisme, verspilling, armoede en geweld dan de VS en meer sociale gelijkheid, duurzaamheid en ruimte voor vrije tijd. 'Amerikanen leven om te werken, Europeanen werken om te leven’, zo vat Rifkin het contrast in één zin samen. Hoewel De Europese droom van Rifkin, geschreven in 2004, zeker sinds de eurocrisis toesloeg wat naïef overkomt in al zijn zonnigheid onderstreept hij wel het historische belang van de Europese eenwording.

In het pessimisme rond de eurocrisis dreigt dat belang uit het oog te worden verloren, schrijft ook journalist en geschiedschrijver Geert Mak in het recent verschenen pamflet De hond van Tisma. In een lezing voor het Vlaamse parlement zei hij eerder dat Europa lijdt onder een crisis in zijn zelfbeeld (zie De Groene van 8 juni 2011). Nog niet zo lang geleden waren de EU-lidstaten vol zelfvertrouwen over het verlokkende voorbeeld van een Europese welvaartsstaat die zijn bewoners veiligheid en zekerheid bood. Nu is dat zelfbeeld gekanteld. Nadat eerder al het Joegoslavische conflict de oorlog terugbracht op het continent maakten de aanslag op de Twin Towers op 11 september 2001 en de eurocrisis van nu de Europeanen met een schok bewust van de kwetsbaarheid van de vrede en de welvaart, de twee pijlers van het Europese project.

Veel Europeanen worden thans beheerst door de angst dat hun nieuw verworven welvaart op het spel staat. Het grote gevaar, mogelijk zelfs voor de vrede, is dat Noord- en Zuid-Europeanen in elkaar de bron van die dreiging gaan zien. Noord-Europeanen kunnen het idee krijgen dat zij moeten bloeden voor de schulden van de zuidelijke lidstaten, Zuid-Europeanen kunnen geneigd zijn hun donkere toekomstperspectief toe te schrijven aan de saneringseisen van de noordelijke EU-leden. Of deze beeldvorming over en weer feitelijk juist is of niet doet er minder toe dan dat de burgers de werkelijkheid zo ervaren. In dat geval is het niet denkbeeldig dat Europa terugvalt in de vooroorlogse toestand van elkaar vijandige allianties, waardoor er een einde komt aan de 'vredesmissie’ die de Europese eenwording in de ogen van haar pioniers was.

Een kanteling in het zelfbeeld is wenselijk, om het oude Europese ideaal weer tot leven te wekken. Hoewel zo'n omslag moeilijk haalbaar lijkt door de complexiteit van de Europese crisis kan dat geen vrijbrief zijn om de Europese Unie te reduceren tot een technocratisch, apolitiek project, waarin de democratie om wille van de economie op een laag pitje mag worden gezet. Bezien in dit perspectief is de eurocrisis een machtsstrijd over het primaat van de economie of de democratie. Het gevaar van een duiding van de betekenis van de EU louter in termen van eigen economisch belang is dat de banden met andere Europeanen slechts functionalistisch worden bezien. Zijn zij voor onze handel van nut, dan wel berokkenen zij ons schade? Politici die zo tegen Europa aankijken roepen onwillekeurig het beeld op van schuldigen versus onschuldigen, van landen die door wanbeleid de eurocrisis hebben veroorzaakt tegenover landen die voor de rekening opdraaien, van Noord- tegenover Zuid-Europa.

In de Europese Unie is allesbehalve sprake van een evenwicht tussen macht en tegenmacht

Zo'n beeld past naadloos in het populistische denkpatroon van goed versus kwaad. In Nederland tracht Geert Wilders het wankele zelfbeeld van dat ene Europa te vervangen door een beeld van het Avondland dat zowel van buiten wordt bedreigd, door immigratie uit Afrika, als van binnenuit, door het 'moussaka-land’, in de woorden van Wilders’ publicitaire bondgenoot De Telegraaf. De ene na de andere dag schetst die krant sinds enige tijd een beeld van de Grieken als onverbeterlijk lui, onbetrouwbaar en corrupt, voor wier 'luilekkerland’ nu 'de hardwerkende Nederlander’ moet opdraaien. Hoewel dat soort beelden weinig van doen hebben met de dagelijkse werkelijkheid in Griekenland, waar een werkende gemiddeld genomen anderhalve keer meer uren maakt dan de Nederlandse werknemer, ging ook premier Rutte mee met de koortsige woorden van De Telegraaf over de Grieken: 'Ze gaan op hun 51ste met pensioen en lijken alleen maar op vakantie te zijn.’

Het economisch perspectief op Europa is dus niet zonder gevaar, als dat politici verleidt tot een verdeel-en-heerslogica over goed en slecht presterende landen. Naast een economische noodzaak moet de Europese eenwording daarom ook een verhaal over democratie, rechtsstaat en cultuur blijven. 'Het vooruitzicht is anders een vreugdeloze unie van boetes, straffen, tuchtmaatregelen en ziedende wrok, waarbij de centristische elites die de EU besturen overal in Europa onder vuur komen te liggen van rechtse en linkse anti-EU-populisten’, schreef de Brusselse correspondent van The Guardian, Ian Traynor. Ook Habermas stelt in zijn essay over Europa dat het eenwordingsproces niet verder kan zonder een sterker engagement van de bevolking. 'In plaats daarvan steken de politieke elites de kop in het zand. Ze zetten onbekommerd hun eliteproject voort en ontmoedigen daarmee de Europese burgers.’

HET 'EUROPA VAN DE BURGERS’ dreigt uit het zicht te verdwijnen, hoewel de last van de crisis wel zwaar op hen zal drukken. De Europese democratie oogt weinig weerbaar en dat komt niet het minst doordat zij een onvolkomen democratie is. In de Europese Unie is allesbehalve sprake van een evenwicht tussen macht en tegenmacht, wat een essentiële voorwaarde is voor een rechtvaardig functioneren van een democratie. De balans zakt ver door in het voordeel van de uitvoerende macht, waardoor de controle daarop als vanzelf tekortschiet.

Dat heeft te maken met een basisfout in de institutionele architectuur van de Europese Unie. De EU is de enige wereldmacht die beschikt over twee uitvoerende organen, de Europese ministerraad en de Europese Commissie, tegenover één controlerende, het Europees Parlement. Het echte machtscentrum van Europa is, zeker in tijden van nood, de ministerraad, de club van regeringsleiders van de 27 EU-landen, waar achter gesloten deuren de beslissingen vallen over de richting die Europa uitgaat. De dagelijkse uitvoering van het beleid is in handen van de Europese Commissie, een orgaan zonder legitimatie van de kiezers, eigenlijk een gezelschap hoge ambtenaren. Dat uitvoeringsorgaan heeft ook als enige de bevoegdheid nieuwe wetten te initiëren, hoewel dat recht in de trias politica doorgaans juist bij het parlement berust. Dat laatste is niet voor niets. De achterliggende veronderstelling van het parlementaire initiatiefrecht is dat langs de weg van de volksvertegenwoordiging de wil van de kiezers zijn weerslag kan vinden in wetten. 'De Commissie is het orgaan waar de democratische legitimatie het loodje legt’, constateerde de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse dan ook in Die Zeit na een langdurige speurtocht door de Europese instellingen.

Afwijkend van de normale democratische praxis is ook dat de stem van de Europese kiezers van geen enkele betekenis is voor de politieke kleur van de uitvoerende macht. In de nationale democratieën weerspiegelt de samenstelling van de regering min of meer de politieke krachtsverhoudingen na verkiezingen. In Europa zijn de verkiezingen voor het europarlement daarentegen volkomen irrelevant voor wie de dienst uitmaakt in zowel de Europese ministerraad als de Europese Commissie, waarvoor de nationale regeringen de leden voordragen. De stem van de Europese kiezer staat dus geheel los van de macht die in Europees verband over hem wordt uitgeoefend.

'De trias van parlement, raad en commissie is een zwart gat waarin wat wij onder democratie verstaan verdwijnt’, aldus Menasse. In zijn essay Het zachte monster Brussel concludeert zijn Duitse collega Hans Magnus Enzensberger dat het zogenaamde 'democratisch tekort’ ten onrechte wordt beschouwd als een chronische en blijkbaar lastig te behandelen kwaal: 'Hier is geen sprake van een medisch raadsel, het gaat eerder om een bewust genomen principiële beslissing. Het democratisch tekort is niets anders dan een nette uitdrukking voor het monddood maken van de burger’, schrijft hij. Daarmee houdt de Europese democratie zich niet aan les 1 van Macchiavelli: 'Voor elke heerser is ’t noodzakelijk het volk te vriend te houden.’

Medium eu2

Staatsrechtelijk is de EU dus een ratjetoe. Dat is de eerste oorzaak van het democratisch tekort. Een tweede, misschien nog weerbarstiger probleem met de Europese democratie is het ontbreken van een politieke sfeer waarin die democratie tot leven kan komen. Het stemrecht omvat maar één aspect van het onovertroffen adagium waarmee Abraham Lincoln in zijn Gettysburg Address de essentie van democratie omschreef: Government of the people, by the people, for the people. Meer nog dan in dat formele recht eens in de vier jaar te stemmen, leeft een democratie in de publieke meningsvorming over botsende waarden. In dat debat leest een samenleving als het ware zichzelf, ook op dieperliggend niveau, en kan zij bijtijds zicht krijgen op de conflicten die de maatschappelijke vrede bedreigen. Met andere woorden, niet zozeer een gedeeld waardenpatroon maakt een samenleving tot een eenheid, zoals vaak wordt verondersteld, maar een gedeeld publiek domein dat de onenigheid tussen burgers zichtbaar maakt. De democratie verschaft zichzelf zo een 'zichtbare scène’, in de woorden van de Franse filosoof Claude Lefort. Als sluitstuk beschikken de burgers met de volksvertegenwoordiging over een middel om hun conflicten te absorberen en in een compromis te beslechten.

Voor dat laatste zijn de politieke partijen van essentieel belang, als klankbord van de onvrede en als verbindingslijnen tussen de burgers en het parlement. Het eerste, de 'zichtbare scène’ van de meningsvorming, is onmogelijk zonder publieke opinie. Hét probleem met de Europese democratie is dat beide ontbreken, zowel politieke partijen die Europa omspannen als een Europese publieke opinie.

Vanuit dit perspectief bezien wordt ook duidelijk waarom burgers Europese beslissingen als een eenzijdig, van bovenaf opgelegde orde ervaren. Bij gebrek aan een politieke sfeer is er geen toneel waarop de burgers zichtbaar zijn vertegenwoordigd en hun verdeeldheid wordt beslecht. In hun perceptie zal de EU vooral een onaf netwerk van instanties zijn, weliswaar onzichtbaar maar met veel macht bekleed.

Margaret Thatcher, de Britse premier, placht slechts met één boodschap naar Brussel te gaan: ‘I want my money back!’

'Er bestaat geen Europese openbare ruimte, er is alleen een Europese leegte’, aldus Abram de Swaan in een vraaggesprek met Trouw-journalist Hans Goslinga en de auteur van dit stuk. 'Voorzover er Europees debat bestaat, is het gepraat in de leegte. Er voltrekt zich op Europees niveau ook geen openlijke strijd tussen politieke partijen. Er is dus in Europa geen sprake van politiek in de klassieke zin van het woord. En toch produceert Europa beleid, veel beleid. Dat is beleid zonder politiek.’

Bij gebrek aan politieke partijen en een publieke opinie op Europese schaal zweven de machtsorganen van de EU, het europarlement voorop, als het ware in een loze ruimte, zonder onderbouw. Zo'n lege plek is een dankbaar jachtterrein voor populisten, zoals elke plek waar de vertegenwoordigende democratie tekortschiet. De idee van de representatieve democratie is dat de burgers uit hun midden de besten kiezen, aan wie zij de bevoegdheid overdragen om de conflicterende belangen in de samenleving af te wegen. Dat vereist dat burgers vertrouwen hebben in de goede werking van het bestel. Als dat stelsel evenwel van niemand is, vanwege het ontbreken van een politieke sfeer, dan is het onmogelijk dat vertrouwen op te bouwen en hebben amokmakers en andere destructieve krachten vrij spel. De conclusie moet zijn dat de kunstmatig in stand gehouden illusie dat er een volwaardige democratie bestaat op Europees niveau de weg naar populisme effent.

Ook langs een andere weg geredeneerd is die conclusie onontkoombaar. Een politieke sfeer, met partijen van links tot rechts en een gedeelde publieke opinie, is een vorm van gemeenschap, een groep mensen die met al hun verschillen en conflicten door het lot met elkaar zijn verbonden. De erkenning van die verschillen is essentieel. Zeker in de veelkleurige samenlevingen van de moderne tijd kenmerken niet zozeer de overeenkomsten, als wel de verschillen de gemeenschap.

De recente Europese geschiedenis telt talloze voorbeelden waaruit blijkt dat de beleidsmakers eenwording opvatten als het opheffen van verschillen, of het nu gaat om afwijkende methodes om kaas of bier te maken of om het geld. Verscheidenheid wordt, zwart-wit gezegd, gezien als een probleem, uniformering als een oplossing. Het gevolg is een steeds verder toenemende verdichting van de Europese regelgeving. Het wegwerken van de verschillen dreigt zo te resulteren in een toenemende afkeer van Europese bemoeizucht.

De euro is het voorbeeld bij uitstek van zo'n nivellerend project dat de Europese burgers eerder uiteendrijft dan nader tot elkaar brengt. Het monetaire stelsel dicteert één type kapitalisme en één remedie voor de crisis in de eurolanden, waarin vooral de publieke sector en de verzorgingsstaat het moeten ontgelden. De betrokken landen hebben nagenoeg geen vrijheid meer een economische en monetaire politiek naar hun eigen tradities, aard en voorkeur te volgen. Bedoeld als kroon op het werk van generaties om van Europa één gemeenschap te maken, drijft de euro tien jaar na zijn invoering nu een wig in de EU.

Amartya Sen is een hartstochtelijk voorstander van de Europese eenwording en dáárom tegen de euro. 'Het prachtige politieke project van een verenigd, democratisch Europa is verkwanseld ten faveure van een armzalig programma van onsamenhangende financiële versmelting’, schreef de Nobelprijswinnaar voor de economie in The Guardian. Sen beschrijft het monetaire beleid dat de euro met zich meebrengt als een filosofie van het korset: 'Als mevrouw zich er comfortabel in voelt, dan heeft zij zeker een kleinere maat nodig.’ In de financiële praktijk van de eurocrisis resulteert deze filosofie volgens de Indiase econoom in amechtige pogingen de markten te stabiliseren, ten koste van een ontwrichting van talloze mensenlevens. 'Het belang van een halt aan de marginalisering van de democratische traditie van Europa kan nauwelijks worden overdreven’, concludeert Sen. 'De Europese democratie is belangrijk, voor Europa én de wereld.’

Door de weerzin tegen verschillen en de technocratische logica die de eenwording nu beheerst komt het Europese project steeds verder af te staan van de werkelijkheid van de menselijke ervaring. De burgers van Europa raken daardoor vervreemd van het ideaal van eenwording, met als gevolg dat de stappen die de Europese beleidsmakers zetten voor hen onnavolgbaar worden. Ook George Steiner spuit in zijn lezing voor het instituut Nexus kritiek op de platmaker die de Europese Unie in zijn ogen dreigt te worden. Europa vergeet dat God in het detail woont, aldus Steiner. Wat volgens hem de charme van Europa is en het continent ook onderscheidt van de VS, die andere grootmacht, is de diversiteit, zowel linguïstisch, maatschappelijk als cultureel: 'Dat weelderige mozaïek, waardoor een onbeduidende afstand van een kilometer of twintig dikwijls een scheiding tussen werelden wordt.’

EEN POLITIEK PROJECT dat onderweg de steun van de burgers verliest komt in het schootsveld van populisten, zowel ter rechter- als ter linkerzijde. De tekenen van toenemende, verbaal agressieve anti-Europese gezindheid zijn in de hele EU al waarneembaar, nota bene terwijl de economische krimp voor veel mensen nog nieuws uit de krant is en geen concrete ervaring. Het ergste moet nog komen, waarschuwen de experts. In Griekenland hebben de extreme partijen op links en rechts in de peilingen nu meer aanhang dan elk van de twee grote middenpartijen afzonderlijk. Hoewel zelf geen kanshebber oefent Marine Le Pen van het Front National in Frankrijk aanmerkelijke invloed uit op de campagnes voor de presidentsverkiezingen van dit jaar. In Oostenrijk staat de extreme Freiheitspartei (FPÖ) van wijlen Jörg Haider in de peilingen gelijk met de regerende Volkspartei (OVP). In Finland winnen de Ware Finnen nog steeds terrein, na hun verkiezingsoverwinning vorig jaar.

In de kiezerspolls in eigen land staan afwisselend de eurosceptische SP en de groepering van Wilders al een tijd tweede. In het rapport Stemming onbestemd constateert Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat de verbetenheid van de PVV tegen alles wat van buiten komt andere partijen niet onberoerd laat. VVD en CDA hebben in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte tal van concessies gedaan aan het nationaal egoïsme van de PVV, dat appelleert aan de behoefte aan een behaaglijke verzorgingsstaat en een arbeidsmarkt zonder immigranten. De euroscepsis van de SP komt uit dezelfde behoefte voort.

In retrospectief lijkt het Europese eenwordingsproject veel van zijn appellerende werking te hebben verloren sinds politici het van zijn ideële lading ontdeden en terugbrachten tot een technocratische aangelegenheid, louter bedoeld om het eigen economisch belang te behartigen. Europa werd een project van de calculator, sinds leidende politici de kosten en opbrengsten van de EU als enige maatstaf hanteerden. In Nederland deden VVD'ers als Bolkestein en Zalm dat sinds de jaren negentig. Hun benadering resoneert nu in de uitspraken van Blok en Van Haersma Buma over het handelsbelang van Nederland bij Europa. Zij zijn voorafgegaan door Margaret Thatcher, de Britse premier die slechts met één boodschap naar Brussel placht te gaan: 'I want my money back!’

Al een jaar vóór het massale 'nee’ in het Nederlandse referendum over de Europese grondwet proefde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot, een afnemend Europees engagement onder de burgers. In een lezing aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, in juni 2004, waarschuwde hij dat de legitimiteit van de Europese eenwording in gevaar was en daarmee ook dat project zelf. Degenen die Bot toen voor een somberman hielden, werden een jaar later ruw wakker geschud door de grote meerderheid van 'nee’-stemmers in Nederland en Frankrijk. Niet ten onrechte signaleerde Bot in Berlijn dat nationale politici al te lang hadden nagelaten democratische momenten, zoals verkiezingen, te benutten om de burgers te betrekken bij het Europese project. Het debat over Europa was dood, zelfs op historische momenten als het afscheid van de gulden en de invoering van de eenheidsmunt tien jaar geleden.

Dat lijkt anders te worden nu de Europese burgers de invloed die de EU op hun dagelijks leven uitoefent aan den lijve ondervinden. Daarbij komt dat de eurocrisis een Europees bewustzijn heeft gewekt. Gevoed door de zwart-witbeelden over 'schuldigen’ versus 'onschuldigen’ is dat bewustzijn nu vooral negatief geladen, maar dat neemt niet weg dat de crisis duidelijk maakt hoe verregaand de lotsverbondenheid van de EU-landen is. De uitkomst hoeft niet per se negatief te zijn. Het zal er vooral van afhangen of leidende politici angstvallig in de luwte blijven schuilen voor de populistische agitatie, dan wel het politieke debat opzoeken met een Europees ideaal waarin de burgers weer kunnen geloven. Een uitgelezen kans om zo'n politieke sfeer te creëren rond Europa doet zich dit jaar voor in de nationale verkiezingen in enkele EU-landen, waaronder Griekenland, Italië en mogelijk ook Nederland, mocht het kabinet vallen op de extra bezuinigingen die de eurocrisis noodzakelijk maakt. Het komt dus bovenal op nationale politici aan of de Europese eenwording zijn legitimatie bij de burgers herwint, of dat de mist van onbehagen over dat project dichter en dichter wordt.