Grenspolitie, hekken en hokken

De Europese Muur

Bijna elke EU-lidstaat legt zich momenteel toe op aanscherping van de eigen wetgeving. Grenspolitie, hekken en honden moeten immigranten tegenhouden. En dat terwijl de migratie een direct gevolg is van de westerse welvaart.

De toon van het Europese asieldebat was al jaren alarmistisch, maar sinds een paar maanden zijn alle remmen los. «Het gaat alleen nog maar over muren», zei de verontruste secretaris-generaal van Amnesty International, Irene Khan, afgelopen zaterdag in de Volkskrant. Terwijl Denemarken de grenscontroles hervat, maken EU-lidstaten aanstalten om een Europese grenspolitie op te richten; aan de Spaanse en Italiaanse kust worden fregatten tegen bootvluchtelingen ingezet; het beeld aan de grenzen in Midden- en Oost-Europa wordt bepaald door hekken en hondenbrigades.

The Guardian onthulde twee weken geleden dat ook Tony Blair een quasi-militaire benadering overweegt. Volgens de krant lanceerde Blair zijn plan onder invloed van de rechtse verkiezingswinst in Nederland en Frankrijk.Uit een uitgelekt regeringsadvies blijkt dat hij de Britse marine wil inzetten tegen mensensmokkelaars, en uitgeprocedeerde asielzoekers massaal wil laten deporteren door de Royal Air Force. Landen die niet aan repatriëring meewerken, wil hij bestraffen door te snijden in hun ontwikkelingshulp. Op een privé-bijeenkomst met partijgenoten zou hij hebben gezegd dat centrum-politici het populistische tij moeten keren door zich te concentreren op kwesties die «de mensen» bezighouden (zoals straatveiligheid en immigratie) en niet weg te lopen voor «pijnlijke beslissingen».

Blair, zijn Spaanse collega (en EU-voorzitter) Aznar en de Italiaanse president Berlusconi hebben afgesproken dat de Europese top van 21 en 22 juni in Sevilla in het teken van het toelatingsbeleid moet staan. Bondskanselier Schröder en president Chirac bevestigden dat na een diner op het Elysée. Chirac heeft Jean-Marie Le Pen dan wel in de tweede presidentiële verkiezingsronde verslagen, maar dat geldt niet voor diens ideeëngoed, zoals Le Monde Diplomatique deze maand schrijft: de oprichting van een grenspolitie, ontwikkelingshulp aan Noord-Afrikaanse landen in ruil voor migratiebeperking naar Frankrijk, uitzetting van veroordeelde migranten, enzovoort.

Ook Gerhard Schröder voelt de hete adem van de oppositie in zijn nek, vooral die van zijn christen- democratische rivaal Edmund Stoiber die in de aanloop naar de Bondsdagverkiezingen van 22 september om een keiharde aanpak van migranten roept. Het mag niet baten dat Schröders roodgroene regering onlangs een nieuwe immigratiewet lanceerde waarin de voornaamste wensen van de oppositie zijn verwerkt. Na afloop van het Parijse diner gaf hij zijn benarde positie met zoveel woorden toe: «Migratie is een onderwerp dat we niet aan extreem rechts mogen overlaten. We moeten deze zaak met grote ernst en gevoel voor verantwoordelijkheid aan pakken.»

Aldus legitimeert de ene na de andere Europese regeringsleider het extreem rechtse discours over migranten. In de Haagse informatieronde hebben CDA, LPF en VVD met groot gemak overeenstemming bereikt over een «streng en rechtvaardig» asielbeleid, hoewel het aantal asielaanvragen in ons land de afgelopen jaren fors is gedaald: van 43.000 aanvragen in 2000 naar 33.000 vorig jaar. (In 2002 worden 22.000 asielzoekers verwacht, van wie naar schatting een tiende mag blijven.) Bijna elke EU-lidstaat legt zich momenteel toe op aanscherping van de eigen wetgeving. Laat ze maar naar de buren gaan, is de opvatting.

Het is een «vreemde opstelling», zegt Peer Banake, secretaris-generaal van het European Council on Refugees and Exiles (ECRE), de Europese koepel van vluchtelingenorganisaties. «Het is een internationaal probleem en het zou dus internationaal geregeld moeten worden. De lidstaten zouden moeten zeggen: we zijn er samen verantwoordelijk voor. De landen zijn nu meer aan het concurreren dan aan het samenwerken.»

Al sinds de jaren tachtig tracht de Europese Unie tevergeefs tot samenwerking te komen. De asielbesluiten van de Europese Raad zijn in principe bindend voor de lidstaten met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken. In het verdrag van Amsterdam spraken de regeringsleiders af dat in 2004 duidelijk moet zijn aan welke normen de nationale asielwetgeving moet voldoen. «Maar wat heb je dan?», verzucht Banake. «Het is een pakketje waterige minimumnormen. Iedere lidstaat heeft vetorecht, waardoor er geen sprake is van slagvaardig beleid.»

Hoe zou een gezamenlijk Europees migratiebeleid, niet gedomineerd door angst en onuitvoerbare eisen, eruit moeten zien? Het zou in de eerste plaats moeten erkennen dat migratie een historische vanzelfsprekendheid en een individueel recht is. «Turbulentie is de natuurlijke staat van het universum», schreef Hans Magnus Enzensberger in 1992 in zijn essay over migratie, Die Grosse Wanderung. Hetzelfde geldt voor de menselijke samenleving, waarin landverhuizers niet zelden de motor van de maatschappelijke ontwikkeling zijn geweest. Dat neemt niet weg dat migratie net als elk ander verschijnsel is onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.

De instroom waarmee de westerse landen nu worden geconfronteerd, is de consequentie van het vrije verkeer van kapitaal, goederen en ideeën dat zij de afgelopen 25 jaar wereldwijd hebben afgedwongen. Een van de pleitbezorgers van dit inzicht is sociologe Saskia Sassen van de Universiteit van Chicago. Verschijnselen als terrorisme, mensensmokkel en wereldwijde misdaadorganisaties zijn bijproducten van de globalisering. De periode van «ongekende economische groei» waarover onze leiders graag opgeven, betekende voor veel landen met kwetsbare economieën een terugval. «Meer dan vijftig landen zijn weggezonken in een schuldenmoeras waar ze op eigen kracht nooit meer uitkomen», aldus Sassen.

«De druk om met rijke landen te concurreren dwingt arme regeringen te bezuinigen op gezondheidszorg, onderwijs en hulp aan de armsten. En als regeringen zichzelf weg bezuinigen, worden ze afhankelijk van het geld dat migranten naar huis overmaken en zijn ze niet geneigd mee te werken aan het indammen van emigratie en mensensmokkel.» Concreet gezegd: als wij Noord-Afrikaanse boeren in het faillissement drijven door hun markt te overspoelen met Europese landbouwproducten, vooral vlees, moeten we niet verbaasd zijn als ze in groten getale op onze stoep staan. En in Nederland moeten we niet raar opkijken als de Marokkaanse overheid weigert mee te werken aan onderzoeken van Nederlandse bijstandsrechercheurs.

Daarnaast zijn er de pull-factoren, zoals het demografische tekort (vergrijzing) en de groeiende behoefte aan specifieke arbeidskrachten (verpleegkundigen, software-experts) in de westerse wereld. De infrastructuur voor de migratie hebben we bovendien zelf aangelegd. «Globalisering betekent groeiende mobiliteit», zegt onderzoeker Jeroen Doomernik van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies. «Niet alleen van goederen en ideeën, ook van mensen. En je kunt niet voorkomen dat het verkeer in twee richtingen gaat, zeker niet bij de huidige welvaartsverhoudingen. Er is bijna geen land dat niet is ingeschakeld in de mondiale geldeconomie, geen uithoek van de wereld waar tv en radio niet doordringen en waar geen toeristen, ontwikkelingswerkers, westerse bedrijven en vliegmaatschappijen opduiken. Vrijwel iedereen weet of denkt te weten wat er in het Westen te koop is en vrijwel iedereen die dat wil, kan een manier vinden om er te komen.»

Wie wil voorkomen dat mensen uit politieke of economische nood naar Europa uitwijken, moet denken aan een structurele oplossing in overleg met de landen van herkomst. Volgens Sassen hoeven we niet te wachten op mondiale afspraken, het is heel goed mogelijk een begin te maken door bilaterale akkoorden te sluiten met de voornaamste emigratielanden. Akkoorden waarin we de betreffende landen met raad en daad bijstaan in het bestrijden van specifieke armoede en geweldsproblemen. Dat vergt echter een cultuuromslag die momenteel verder weg lijkt dan ooit.

Het toverwoord in Brussel, evenals in Den Haag, is «opvang in de regio». Helaas werken landen in crisisgebieden zelden van harte mee. Tijdens de Kosovo-oorlog bijvoorbeeld, toen een groot deel van de Albanese vluchtelingen op verzoek van de EU in kampen in buurlanden werd ondergebracht, sloot Macedonië bij herhaling tijdelijk de grenzen omdat er meer dan één vluchteling op elke tien Macedoniërs was. Het leidde tot hevige protesten, maar Banake keek er niet van op. «De EU kan niet zeggen: wij gooien de grenzen dicht, doen jullie ze maar open. Als de rijkste regio van de wereld zijn grenzen sluit, hoe kun je dan verwachten dat armere regio’s de verantwoordelijkheid overnemen?»

Toch is dat nu al staande praktijk. Negentig procent van de vluchtelingen in de wereld wordt op dit moment noodgedwongen opgevangen in de eigen regio, vaak in tentenkampen met slechte voorzieningen. «De EU zou meer hulp moeten verlenen aan landen die de opvang verlenen, bijvoorbeeld in de vorm van extra ontwikkelingshulp», zegt Banake. «En het idee vluchtelingen in verafgelegen kampen de EU-asielprocedure te laten doorlopen, is zelfs binnen de Unie omstreden. Hoe wil je dat organiseren? Haal je Europese advocaten naar het gebied? Wat doe je met afgewezen vluchtelingen, wiens verantwoordelijkheid zijn zij?»

Terwijl elke lidstaat voor zichzelf beslist, regeert de angst over ons allen. Zelfs binnen Europa worden de lasten nu al onevenredig verdeeld. Op de top van Dublin is vastgelegd dat het eerste veilige land verantwoordelijk is voor de opvang. Van de beoogde burden sharing komt niets terecht. «De landen aan de rand van Europa krijgen de grootste groep vluchtelingen», zegt Banake. «Landen met enkel binnengrenzen, zoals Oostenrijk, krijgen er heel weinig. Hiermee bereik je dus geen goede verdeling. In de toekomst betekent ‹Dublin› dat de Midden- en Zuid-Europese landen de meeste vluchtelingen opvangen. Dat zijn vaak de armste landen en in ieder geval die waar het vluchtelingensysteem het minst ontwikkeld is. Maar zelfs het afschaffen van ‹Dublin› is op dit moment politiek niet haalbaar.»