Tien landen houden referendum over de grondwet

De Europese referenda

Afgelopen weekend keurde het volk van Spanje de Europese grondwet goed. In negen andere landen wordt ook, via referenda, naar de mening van het volk gevraagd. Een overzicht van de diverse nationale gevoelig heden.

Spanje

(20 februari 2005, niet bindend)

Zoals verwacht heeft de Spaanse kiezer – dat wil zeggen een meerderheid van tweevijfde deel van de stemgerechtigden – afgelopen zondag het Europese grondwetsverdrag goed gekeurd. Het (niet bindende) Spaan se referendum zet daarmee een record van eurotreurnis dat door de overige negen referenda moeilijk zal zijn te overtreffen.

Al maanden geleden gingen er binnen de Spaanse regering stemmen op dat de volksraadpleging overhaast was, maar de kersverse socialistische premier José Luis Zapatero was niet te stuiten: hij zou zijn Europese collega’s wel eens laten zien hoe je een referendum houdt. Hij rekende op de wet van de politieke traagheid: omdat Spanje sinds zijn toetreding in 1986 zijn voordeel heeft gedaan met Europese subsidies, zou de kiezer wel voetstoots aannemen dat deze grondwet ook goed voor Spanje is. Peilingen aan de vooravond wezen uit dat negentig procent van de burgers vóór de grondwet was, maar ook dat negentig procent geen idee had wat er in stond. Dat hoefde van Zapatero ook niet, zolang ze maar aannamen dat hij de Europese Unie «sterker en eendrachtiger» zou maken.

De kwestie-Turkije speelde in het katholieke Spanje opmerkelijk genoeg geen rol. Het debat werd ook al niet bevorderd doordat de grootste oppositiepartij, de conservatieve Partido Popular, zich achter de grondwet schaarde. Ondanks de 7,5 miljoen euro die de regering ervoor uittrok, bleef de campagne derhalve «zonder kraak of smaak» zoals een weekblad zaterdag kopte. Ministers deelden «referendumdrankjes» uit en riepen zelfs de hulp van Johan Cruijff en enige populaire Spaanse zangers in. De zangers gaven allemaal toe de tekst niet gelezen te hebben, aan Cruijff werd die vraag wijselijk niet eens gesteld. «Het was het verkeerde moment om over deze grondwet te stemmen», zei de Madrileense hoogleraar Pedro Schwartz tegen de BBC: «En ik kan het weten, ik ben zo’n beetje de enige in Spanje die hem heeft gelezen.»

Frankrijk

(mei/juni 2005, bindend)

Enkele maanden geleden wezen peilingen uit dat tweederde van de Fransen zou instemmen met de EU-grondwet. Die bevat immers een centralistisch ontwerp voor Europa, opgesteld onder leiding van hun voormalige president Giscard d’Estaing. De publiekssteun lijkt echter af te kalven, net als bij het Maastricht-referendum van 1992 dat aanvankelijk op tweederde steun kon rekenen, maar op de dag zelf slechts op 51 procent.

Het Franse politieke landschap is er intussen niet overzichtelijker op geworden. De oppositionele Parti Socialiste heeft zich met frisse tegenzin uitgesproken vóór de grondwet, ondanks zijn neoliberale inslag. De nog altijd grote communistische vakbond CGT is vanwege datzelfde neoliberale gehalte tegen, hoewel de bond blijft pleiten voor Europese eenheid in het aangezicht van het Amerikaanse imperialisme. Het Front National van Jean-Marie le Pen is tegen omdat de grondwet de Franse soevereiniteit en identiteit zou aantasten.

De verwarring neemt nog toe doordat hetzelfde Front National en diverse conservatieve politici de kwestie-Turkije hoog opspelen. Volgens onderzoekers is de mogelijke toetreding van dat land tot de EU voor vijftien procent van de centrumrechtse kiezers aanleiding om tegen de grondwet te stemmen. Zelfs in president Chiracs eigen partij UMP rommelt het: partijvoorzitter Sarkozy, gedoodverfd als opvolger van Chirac bij de presidentsverkiezingen van 2007, is vóór de grondwet, maar tegen een Turks lidmaatschap. Binnenland minister De Villepin wil het Franse referendum daarom houden vóór medio juni, wanneer de toetredingsonderhandelingen met Turkije beginnen. Het referendum belooft een geweldige casus voor demoscopen te worden: volgens de laatste peilingen is de helft van de Fransen niet eens geïnteresseerd in de EU-grondwet.

Nederland

Nederland (1 juni 2005, niet bindend)

Cruijff als promotor van de Europese grondwet; waarom heeft Nederland daar zelf niet aan gedacht? In Nederland geen Bekende Nederlanders, maar een commissie van wijze mannen en één vrouw die de kiezer op neutrale wijze zou moeten voorlichten. De regering dacht alvast een voorschotje te nemen door anderhalf miljoen euro uit te trekken voor een «Ja»-campagne, maar dit misbruik van be lastinggeld werd door negatieve publiciteit voorkomen.

Het Nederlandse referendum is mogelijk gemaakt door de motie Karimi/Dubbelboer/ Van den Ham (GroenLinks, PvdA, D66), waar door een ad-hocwet voor een raadgevend referendum over de EU-grondwet werd aangenomen. Het referendum wordt, na enig tegensputteren van vooral de VVD, nu door iedereen als bindend opgevat. De reden is dat er al genoeg onvrede heerst over Europa, over de Brusselse regelgeving en het kwakkelende Stabiliteitspact; waarom de potentiële kiezers voor het hoofd stoten door hen het idee te geven dat hun stem niet doorslaggevend is?

Tegenstanders van de grondwet zijn de kleine christelijke partijen, de SP en de turkofoob Wilders. De laatste neemt het in Europa unieke standpunt in dat Turkije – «dat dadelijk het grootste Europese land zal worden» – een onevenredige invloed zal hebben op onze na tionale wetten. Inderdaad stelt de EU-grondwet dat nationale wetten in overeenstemming moeten zijn met Europese wetten en dat het Europese recht voorrang heeft boven het nationale recht. Dat is voor ons land echter niet nieuw: artikel 94 van de Nederlandse grondwet stelt al dat onze wetten ongeldig zijn als ze niet overeenstemmen met verdragen die we hebben gera tifi ceerd.

De SP let vooral op de centen: de partij is tegen de liberale Europese markt en vindt een eventueel op te richten Europees leger «peperduur». Bovendien, zo meldt de partij strijdbaar op haar website, «strookt de breed in ons land gedeelde wens ‹nooit meer oorlog› niet met Europa als militaire grootmacht».

Luxemburg

(10 juli 2005, niet bindend)

Luxemburg was het eerste land dat de EU-grondwet tekende, en het zal die ook zeker ratificeren. Alle Luxemburgse partijen, van de Groenen tot de pensioenpartij ADR, zijn blij met Europa, blij met de Europese Unie en blij met de voorgestelde grondwet. Het feit dat de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker onlangs werd benoemd tot semi-permanent voorzitter van de ministers van Financiën van de eurozone geeft al aan welke positie binnen het nieuwe Europa men voor zichzelf in gedachten heeft. Dezelfde die Luxemburg sinds jaar en dag inneemt: gesubsidieerd wandelparadijs annex finan ciële draaischijf.

Polen

(herfst 2005, bindend)

Om de toetreding van Polen tot de Europese Unie te vergemakkelijken, waren nog zalvende woorden van de paus nodig. Hij hield zijn landgenoten voor dat de Polen Europa nodig hebben en Europa de Polen nodig heeft. En hij doelde niet op aspergesteken. Na hun aanvankelijke euroscepsis zijn de Polen van Europa gaan houden, niet in de laatste plaats omdat ze tweemaal zo veel geld uit Brussel krijgen dan ze ernaartoe sluizen.

Een Pools «Ja» voor de Europese grondwet ligt voor de hand, mits de opkomst bij het referendum minimaal vijftig procent is. En mits de Polen het eens worden over wat er in het verdrag staat, want de nu circulerende versie bevat meer dan veertig ernstige vertaalfouten. Opkomst en uitslag kunnen ook nog worden beïnvloed door de interne spanningen in het Poolse minderheidskabinet na het door schandalen geforceerde vertrek van de socialistische president Miller. De vrees bestaat dat politieke partijen het referendum aan zullen grijpen om onderlinge verschillen uit te vechten.

Daar staat tegenover dat veel Polen «beseffen dat ze geen splijtzwam in de Europese Unie moeten worden», zoals president Aleksander Kwasniewski meent. Kwasniewski, afkomstig uit de socialistische regeringspartij SLD, gaf in oktober al aan wel vertrouwen te hebben in het referendumdebat. Het referendum wordt wat hem betreft komende herfst gehouden, tegelijk met de Poolse presidentsverkiezing en vlak voor de parlementsverkiezing, zodat de kiezer meteen weet «welke kandidaten voorstanders zijn van een Europa dat verenigd is in diversiteit». Grootste kanshebber bij die parlementsverkiezing is het centrumrechtse Civiel Platform (PO), pro Europa, maar geenszins van plan te veel macht af te staan aan Brussel of zich door Frankrijk of Duitsland de worst van het brood te laten eten. Als de minimum opkomst van vijftig procent bij het referendum niet wordt gehaald, moeten beide huizen van het parlement het verdrag met tweederde meerderheid ratificeren. De gezamenlijke eurosceptische partijen zouden de ratificatie dan alsnog kunnen blokkeren.

Portugal

(voorjaar 2006, bindend)

Eigenlijk had Portugal in plaats van Spanje het referendumspits moeten afbijten. Volgens onderzoeken is het – wellicht niet geheel toevallig – de «minst geïnformeerde natie» als het gaat om Europese kwesties. Het enthousiaste voornemen kwam niet verder dan de formulering van de referendumvraag, die zo vaag was dat meer dan de helft van de drieduizend deelnemers aan een steekproef hem niet begreep.

Omdat de centrumrechtse regering van premier Santana Lopes in problemen kwam, werd besloten eerst maar eens vervroegde parlementsverkiezingen te houden. De sociaal-democraat Santana Lopes is net als zijn voorganger Barroso, die in september naar Brussel vertrok om de Europese Commissie te gaan voorzitten, groot voorstander van de grondwet. De stembusstrijd van afgelopen zondag werd echter gewonnen door de Socialistische Partij van José Sócrates, die een stuk minder enthousiast is. Sócrates vindt dat het referendum op z’n vroegst volgend voorjaar mag plaatsvinden. Zijn reden voor het uitstel is pragmatisch: om een regeringsmeerderheid te halen, heeft Sócrates de steun nodig van het Linkse Blok van Francisco Louça, die tegen de grondwet is. Vandaar dat Europa nauwelijks een rol speelde in de verkiezingsstrijd, evenmin als de kwestie van het Turkse EU-lidmaatschap.

Van een echt debat over de grondwet is dus nog geen sprake. Portugal heeft sinds zijn toetreding in 1985 veel baat gehad bij zijn lidmaatschap, maar tegenwoordig tikt de Commissie het land steeds vaker op de vingers vanwege zijn overschrijding van de normen van het Stabiliteitspact, ongeoorloofde megafusies in de energiesector en inbreuken op de Europese milieuwetgeving. Alle partijen zien de nadelen van de voorgestelde grondwet, maar durven niet de kont tegen de Europese krib te gooien uit angst voor verlies van de Brusselse subsidies. Alleen de communisten en een kleine rechtse afsplitsing van de christen-democraten zijn openlijk tegen de grondwet die volgens hen leidt tot overheersing van de EU door een paar landen.

Denemarken

(datum onbekend, bindend)

De Denen hebben altijd slagen om de arm gehouden als het ging om Europese verdragen. Zo heeft Denemarken «opt-out»-regelingen op het gebied van de euro, het supranationale Europese rechtsbeleid, Europees burgerschap en de vorming van een Europees leger. De meeste van die regelingen zijn vastgesteld bij de ondertekening van het verdrag van Maastricht in 1992. De meeste Denen vinden die regelingen nu niet meer zo nodig, maar de Europese grondwet klinkt velen in de oren als een onverdraaglijk verlies van soevereiniteit, een sprong in een diep gat dat Federatie Europa heet.

De Deense premier Fogh Rasmussen (Venstre, Denemarkens liberale partij) is een groot voorstander van de Europese Unie en van de vrijemarkteconomie die in de grondwet wordt verankerd. Ook de conservatieve coalitiepartij (KF) is voor deze grondwet. De enige verklaarde tegenstander is de eurosceptische Deense Volkspartij (DF), die de Unie verwijt een neoliberale agenda voor Europa te promoten en die Denemarken zelfs helemaal uit de Europese Unie wil terugtrekken. De Sociaal-Democratische Partij en de Socialistische Volkspartij, die zojuist de parlementsverkiezingen hebben verloren, zijn er nog niet uit of ze voor of tegen zijn. Toch zit in die hoek niet het gevaar voor de eurofielen. De grootste risicofactor is het Deense volk zelf: hoewel in het verleden behaalde resultaten geen garantie voor de toekomst zijn en het spectaculaire Deense «Nee» van destijds tegen het verdrag van Maastricht waarschijnlijk niet herhaald wordt, kunnen de voorstanders pas de dag na het referendum opgelucht ademhalen. «Er is te veel ruis op de lijn», aldus de liberale voorzitter van de Deense parlementscommissie voor Europa: «Om zeker te zijn van een ‹Ja›, moeten we het besluit opschuiven naar een zo laat mogelijk moment in 2006.»

Ierland

(2006, bindend)

De Ieren zijn het aan hun eigen politieke kaste bijna verplicht om vóór de Europese grondwet te stemmen. Het was tenslotte onder Iers voorzitterschap dat alle lidstaten overeenstemming bereikten over Bunreacht na a, zoals de Europese grondwet er heet. De verwachting is dat tweederde van de Ieren vóór stemt. Het gaat Ierland economisch voor de wind sinds zijn toetreding tot de Europese Unie, de Ieren zijn een Europa-lievend volk en zowel de regeringspartijen Fianna Fail en de Progressieve Democraten als de grootste oppositiepartij Fine Gael hebben toegezegd een «Ja»-campagne te voeren.

De enige dissonant te midden van de Europese éénzang is Sinn Féin. De partij die jarenlang vocht tegen de Britse overheersing van Ierland ziet instemming met de Europese grondwet als een verdere afbrokkeling van de Ierse soevereiniteit. Sinn Féin is niet tegen Europa, betoogt voorman Gerry Adams, «maar we willen deel zijn van een Europese Unie die een voorbeeldrol vervult op het gebied van mensenrechten, demilitarisatie en conflict bemiddeling». Het is de vraag of de partij een verschil kan maken.

Perikelen zoals rond het Verdrag van Nice worden ditmaal niet verwacht. Bij het referendum van 2001 was een tweede ronde nodig om de Ieren te overtuigen groen licht te geven aan het verdrag dat diende als basis voor de nu voorgestelde grondwet. De stem van Ierse burgers is namelijk bindend. En als het gaat om de overdracht van nationale soevereiniteit, op welk gebied dan ook, is een referendum in Ierland bovendien verplicht.

Tsjechië

(2006, bindend)

De meeste lidstaten zetten het referendum in om instemming van hun burgers te krijgen. In Tsjechië was het de oppositie die met een wetsvoorstel opriep tot een volksraadpleging. En wel zo snel mogelijk, want een langdurig debat over de Europese grondwet zou een negatieve uitkomst maar kunnen bemoeilijken.

Premier Stanislav Gross van de sociaal-democratische regeringspartij CSSD stemde in met het referendum, waarvan de uitkomst na bekrachtiging door het Constitutionele Hof bindend is. Gross wil het referendum laten samenvallen met de landelijke verkiezingen in juni 2006, in de hoop dat Tsjechië niet achterblijft als alle andere lidstaten al «Ja» hebben gezegd.

Volgens de twee grootste oppositiepartijen valt er aan dat «Ja» nog wel te tornen. President Vaclav Klaus, spreekbuis van de Burger democraten (ODS), laat alle subtiliteit varen en verwerpt de Europese federatiewens met een verwijzing naar de achtereenvolgende communistische en nazistische overheersing van Tsjechië. In zijn woorden weten de Tsjechen «maar al te goed wat het betekent om soevereiniteit te verliezen en te wachten op instructies uit verafgelegen steden».

De communistische KSCM vindt in de woorden van europarlementariër Miloslav Ransdorf dat de grondwet niet ver genoeg gaat in het «bevorderen van sociale integratie». Wie het hart links draagt, wordt nu eenmaal niet warm van binnen bij het lezen van de grondwetsbepalingen die de Europese binnenmarkt geheel willen liberaliseren.

De spannende ontknoping van de Tsjechische referendumstrijd zou wel eens na de zomer van 2006 kunnen vallen, mocht het Constitutionele Hof in Praag besluiten dat de Europese grondwet niet in overeenstemming is met de Tsjechische. Dan zijn amendementen nodig op de eigen grondwet en bestaat de kans dat Tsjechië ontaardt in een onafzienbaar ratificatieslagveld.

Groot-Brittannië

(2006, bindend)

Een referendum is in Groot-Brittannië niet verplicht. «Politieke zelfmoord,» oordeelde The Economist toen in april bekend werd dat Tony Blair toch een referendum over de Europese grondwet wilde houden. Het geeft nog altijd weer hoe de Europese vlag er in Groot-Brittannië bij hangt. Bij het aantreden van Blair in 1997 bestond er hoop dat hij, na het verdwijnen van de in anti-Europees gekonkel verzonken Tories, Europa weer op de Britse agenda kon zetten. Maar tijdens de discussie over deze grondwet blijkt dat Britse nationale thema’s het nog altijd beter doen dan Europese, en dat de kiezers een referendum wellicht zien als een middel om hun onvrede met Blairs binnenlandse beleid en zijn Iraakse avonturen te laten blijken.

Tegenstanders van de grondwet, de conservatieve Tories en de kleine United Kingdom Independence Party, grijpen het referendum aan om al hun onvrede met Europa te ventileren en hun nationalisme te benadrukken. De meeste Britten zijn nog altijd ronduit verbolgen dat er landgenoten bestaan die de pond zouden willen opgeven voor de euro. Een website van tegenstemmers verwoordt het krachtig: «Zeg NEE tegen de verraders die ons door buitenlanders zouden laten regeren. Hier in Groot-Brittannië willen we een vrije, democratische en onafhankelijke samenleving met ons eigen geld en bestuurd door onze eigen wetten.»

Mochten de Britten in het voorjaar van 2006 tegen stemmen, dan is de uitslag niet bindend, maar zal deze wel worden overgenomen door de regering. Gezien de overweldigende eurosceptische houding van de Britten is een tweede referendum om het volk alsnog over te halen tot een «Ja» vrijwel uitgesloten.