Tentoonstelling: North & South

De Europese Unie anno 1215

In de tentoonstelling North & South in Museum Catharijneconvent in Utrecht doemt een Europa op dat ooit van Hammerfest tot Syracuse één cultuur kende: die van het katholieke christendom.

Detail van het altaarfrontaal in de kerk Sant Cebrià de Cabanyes in Sant Fost de Campsentelles, Catalonië, eerste helft veertiende eeuw. Bisschoppelijk Museum van Vic, Catalonië © Foto’s Museum Catharijneconvent

Op het Estse eiland Saaremaa (wat? bent u daar nog nooit geweest?) staat bij het dorp Linnaka een stevig kerkje, de ‘Karja kirik’. Gebouwd ergens in de dertiende eeuw. Sober en robuust. Er zijn her en der nog vroegmiddeleeuwse frescootjes te zien, met half-heidense motiefjes, en er is het een en ander aan fijn beeldhouwwerk. In de buitengevel staat een grote steen met een Kruisigingsgroep. Binnen, aan een van de pijlers, is de heilige Catharina afgebeeld, temidden van een grappige groep engelen en duiveltjes, en er is een vergelijkbaar beeld van Sint-Nicolaas onder een baldakijntje, vergezeld door een monnik die een scheepje vasthoudt.

Het eiland Saaremaa is, met alle respect, een uithoek van een land dat zelf, met alle respect, een uithoek van Europa is. Estland werd pas in de dertiende eeuw door de Teutoonse Orde gekerstend, en de bewoners van Saaremaa stribbelden lang tegen, wat alleen al blijkt uit het voortleven van die heidense beeldentaal in zo’n kerkje. Je ziet er in het gewelf het ‘triskelion’, een teken bestaand uit drie rennende benen, dat in de Middeleeuwen doorging als symbool van de Drie-eenheid, maar voor de Noormannen – en dus ook voor de gewone eilandbewoners, neem ik aan – als het teken van Odin.

De Esten waren niet de laatsten die overgingen naar het christendom. De Litouwers gingen pas in 1387 door de knieën. Daarmee was de triomf van de katholieke kerk in Europa compleet. Zoals de inleiders van de tentoonstelling North & South schrijven: ‘Als er ooit sprake is geweest van een voorloper van wat de Europese Unie vandaag de dag wil zijn, dan kan die zonder twijfel worden gevonden in de katholieke kerk tijdens haar eigen gouden eeuw.’

De tentoonstelling in het Catharijneconvent probeert in kort bestek een beeld te geven van de homogene christelijke cultuur die zo’n drie eeuwen lang het continent van noord naar zuid domineerde. Men concentreert zich op de periode 1100-1350; in het midden daarvan zit het Vierde Lateraans Concilie van 1215, ook wel het Grootste Concilie genoemd, waar paus Innocentius III zo’n vijftienhonderd bisschoppen en abten uit de hele christelijke wereld bijeenbracht. Daar werd vastgelegd wat de enig juiste manier was om de mis te vieren, en wat de zeven sacramenten waren; daar werd bepaald dat de gelovige ten minste eenmaal per jaar moest biechten en eenmaal per jaar ter communie moest gaan. In de laatste zitting van het Concilie werd ook de leer van de transsubstantiatie opgetekend: van toen af aan begrepen christenen dat bij de viering van de eucharistie de ‘substanties’ brood en wijn veranderden in het lichaam en bloed van Christus.

Zo stond de macht van de kerk dus op papier. De heldere inleiding van de catalogus legt uit hoe die vervolgens vorm kreeg. Gesteund door de paus en wereldheren her en der breidden kerken en kloosters zich over heel Europa uit, als een ‘witte deken’. Het klooster van Cluny, nabij Mâcon, was bijzonder actief: monniken vestigden overal in Europa nieuwe dependances, allemaal gemodelleerd naar het moederklooster en dus allemaal met dezelfde liturgische en theoretische grondslagen, waarbij je ook kunt vermoeden dat die in één stijl waren geïllustreerd. Bovendien ontwikkelden de monniken zich binnen dat netwerk tot bisschoppen en kardinalen die in heel Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk nieuwe kerkgebouwen en hun liturgisch meubilair vormgaven.

Dat betekende dus, volgens de makers van de tentoonstelling, dat een willekeurige Spaanse reiziger rond het jaar 1300 bij het bezoeken van een plattelandskerk in donker Noorwegen of zonnig Estland geen enkele moeite moet hebben gehad om de misviering te begrijpen: ‘De liturgie, aankleding van het altaar en de taal waren immers gelijk.’ Dat kan ook verklaren hoe in die verre uithoek op Saaremaa de lokale schilder en de lokale steenkapper wisten hoe ze de kruisiging van Christus moesten vormgeven, wat de attributen van Catharina van Alexandrië waren en waarom je bij Sint-Nicolaas het liefst een schip afbeeldt.

Van die Europa-omspannende cultuur is heel weinig meer over. Kerken zijn in de loop van de tijd – als ze al niet afbrandden of werden geplunderd – vernieuwd en uitgebreid. Oude altaren werden uiteengenomen, verzaagd en in stukken verkocht, vervangen door nieuwe; de stugge Romaanse beeldtaal werd vervangen door zwieriger vormen in de gotiek of de barok.

In het bijeenbrengen van die uiterst zeldzame vroege stukken is de tentoonstelling opzienbarend. Het Catharijneconvent leende voorwerpen – beelden, schilderingen, textiel, liturgisch vaatwerk – uit musea waar je niet dagelijks komt: het Bisschoppelijk Museum van Vic, Catalonië, het Universiteitsmuseum van Bergen, het Historisch Museum van de Universiteit van Oslo en de kathedraal van Trondheim. De overeenkomsten zijn treffend. Een Catalaans altaarscherm uit het laatste kwart van de twaalfde eeuw, met een tronende Maria en scènes uit het leven van de heilige Margaretha, lijkt in structuur, kleur en stijl sprekend op een altaarscherm uit de mid-dertiende eeuw uit Bergen – alsof de Noorse en de Spaanse schilders hetzelfde schema voor hun neus hadden, 2200 kilometer van elkaar verwijderd.

Het is onaardig om dat soort kunst ‘primitief’ te noemen, maar dat is het toch wel, met name de sculpturen: deze Maria’s en gekruisigde Christussen zijn houten klazen met stijve schouders, verkrampte armen, verschrikte grote ogen, grof gestileerde oogkassen, grote neuzen. Er is nog niets van de sierlijke menselijke schwung van wat we nu gotiek noemen. Er is ook helemaal niets klassieks aan, en dat blijft een rare gewaarwording: er was in de twaalfde eeuw in Europa kennelijk geen enkele ambachtsman meer die wist hoe je uit een goeie boom of een flink stuk steen een geloofwaardige menselijke figuur kon beitelen. De grote Romeinse traditie in beeldhouwkunst moet volkomen onbekend zijn geweest.

De Romeinse traditie in beeldhouwen moet in de twaalfde eeuw volkomen onbekend zijn geweest

Was het misschien dat de klassieke kunst als onchristelijk werd gezien? Karel de Grote was in 814 in Aken bijgezet in een grote Romeinse sarcofaag uit het eerste kwart van de derde eeuw, maar in 1182 werd zijn gebeente in een nieuwe houten kist gelegd, die deel werd van de ‘gouden schrijn’, nog altijd in de Dom te zien. Qua ceremonieel ging Karels gebeente erop vooruit, maar artistiek gezien haalt die schrijn het niet bij die oude sarcofaag. Men was iets compleet verleerd, en dat moest herleerd worden, en dat heeft eeuwen geduurd.

Dat wil niet zeggen dat er in deze periode geen artistieke dynamiek bestond. Daar zit meteen de belangrijkste uitdaging voor de samenstellers van deze tentoonstelling: het is duidelijk dat er grote overeenkomst bestaat tussen de visuele cultuur van ver uiteenliggende gebieden als Noorwegen en Catalonië, en ook dat die twee goed als pars pro toto voor een verdwenen Europese cultuur kunnen gelden, maar het is ondoenlijk om het grote netwerk waarbinnen die cultuur tot stand kwam ook echt in kunsthistorische zin te reconstrueren.

Dat is geen verwijt; dat kan nu eenmaal niet anders. Het materiaal is dun gezaaid, documentatie is nauwelijks bewaard, datering kan vaak alleen gebeuren op basis van stilistische kenmerken, en uitgerekend in afgelegen gebieden bleven tradities in beeldtaal en stijl soms eeuwen voortbestaan – wat stilistische datering extra moeilijk maakt. En dus kun je moeilijk vaststellen of een artistieke beïnvloeding van A naar B verliep, of van B naar A, of van A naar C via B, en waar A dan wel geweest moet zijn. Estse kunsthistorici vermoeden bijvoorbeeld dat de werklieden die aan het Karja-kerkje werkten Duitsers waren, die misschien via Zweden in Estland terecht waren gekomen, maar de nieuwe artistieke vormen die ze introduceerden hadden hun wortels nog veel verder weg, in Frankrijk.

Detail van het Olav-altaarfrontaal in de Nidaros Dom, Trondheim, Noorwegen, ca. 1300 © Foto’s Museum Catharijneconvent

Het blijft ook in deze tentoonstelling raadselachtig hoe die verbreiding feitelijk in zijn werk ging. Een geschilderd altaarfront door de Meester van Ulvik uit Bergen lijkt op een blad uit het Amesbury Psalter uit Engeland, wat kan wijzen op overdracht van Engeland naar Noorwegen, ‘misschien in de vorm van een handschrift of een miniatuur’. Een kleine Christus, op schoot bij zijn moeder in een Mariaschrijn uit IJsland, volgt een type ‘dat zowel in het Maasland alsook in Noord-Frankrijk, Engeland en Noorwegen verspreid raakte’, maar het hele idee van een Maria in een tabernakel komt weer uit het Middellandse-Zeegebied.

De ‘Hove Madonna’ lijkt op een Engels type uit Winchester maar ook op een Madonna uit Sint-Omaars, in Noord-Frankrijk. En passant zegt een auteur dat de beeldtaal ‘was ontstaan in Frankrijk met Parijs als artistiek centrum’, maar dan is er ook vaatwerk uit het Rijnland te zien, er zijn elementen die typisch Italiaans zijn, er zijn details die wijzen op contact met Arabisch Spanje, het kistje met de relieken van Thomas Becket komt uit Limoges en de stof van de ‘koorkap van Bonifatius’ uit Dokkum komt uit Syrië of Egypte.

Zo er dus iets duidelijk is, dan is het wel dat er in die vroege Middeleeuwen veel meer gereisd en uitgewisseld werd dan je misschien zou denken. Canterbury lag ver weg, maar er was een directe doorgaande weg van daar naar Rome, en van daar naar de handel met de Levant, China, de islamitische wereld, enzovoort. Ook Saaremaa lag ver weg, maar niet buiten bereik.

Was dat een vroege Europese Unie? Wat de tentoonstelling in elk geval duidelijk maakt is dat dit hele cultuurgebied en deze periode alleen kunnen worden gezien met wat Henk van Os eerder in dit blad, in 2004, ‘de groothoeklens van het Europese perspectief’ noemde. Er was één kerk, één mis, één missaal; overal in Europa werden kunstenaars dus voor dezelfde artistieke opgaven gesteld. Overal schilderden schilders christelijke onderwerpen, overal waren altaarstukken nodig. Denken in ‘nationale scholen’ heeft daarbij geen enkele zin. De catalogus zegt vaak dat het trekken van scheidslijnen tussen het ene gebied en het andere volkomen ondoenlijk is.

De tentoonstelling legt het einde van die ‘gouden eeuw’ bij 1350. Misschien dat het Westers Schisma van 1378 nog meer een breekpunt vormde, als het begin van het einde van die Europese Eenheid, toen er twee pausen waren, de ene in Rome, met steun van de Engelsen, de andere in Avignon, met steun van de Fransen. Pas daarna werd de kunst van Christus ook een zaak van nationaal gevoel.


North & South, t/m 26 januari in Museum Catharijneconvent in Utrecht, catharijneconvent.nl