Het onuitstaanbare optimisme van het bucketlistisme

‘De Everest beklimmen! Natuurlijk, waarom niet?’

Wat wil je doen voordat je doodgaat? We zijn het leven gaan zien als een serie ervaringen die we moeten afvinken. Zelfs het beklimmen van de Everest wordt daarmee een tussendoortje, op weg naar het volgende.

22 mei, Mount Everest. Er waren klimmers die vier tonnen voedsel de berg op lieten slepen, hompen vlees en pakken wijn. Een picknick © Nirmal Purja / @Nimsdai Project Possible via AP / HH

Laten we beginnen met de eerste held van de Everest, George Mallory. Geboren in 1886, zoon van een dominee. Hij deed zijn best op school, blonk uit in fysieke activiteiten en won een beurs voor een exclusieve kostschool. Vervolgens werd hij toegelaten tot de universiteit van Cambridge en eenmaal daar werd wel duidelijk dat Mallory niet in zijn vaders voetsporen zou treden.

Mallory werd agnost, omarmde het socialisme van de Fabians, was solidair met de suffragettes, liet zijn haar lang groeien. Via via belandde hij bij Cambridge Apostles, een wat geheimzinnig herengezelschap dat officieel een discussieclub was, maar vooral de mooiste jongens uitnodigde. Homoseksualiteit werd niet alleen getolereerd (want het was nog officieel verboden), maar ronduit verheerlijkt. Bertrand Russell was lid, John Maynard Keynes, E.M. Forster, de biograaf Lytton Strachey, Leonard Woolf – de latere man van Virginia. Mallory werd nooit volwaardig lid, maar werd door de leden aanbeden. E.M. Forster baseerde een van de hoofdpersonen van zijn A Room with a View op hem. Via hen raakte hij in contact met wat later de Bloomsbury-groep genoemd werd.

Mallory zou zijn vader schrijven dat zijn generatie vluchtte in kunst en esthetiek omdat de moderne beschaving, met alle onderdrukkende regels, zo kwaadaardig was geworden: esthetiek had zo een spiritueel reinigende waarde. De groep zelf was meer in Mallory’s esthetiek geïnteresseerd dan in zijn spiritualiteit. Hij was een object, om te bewonderen. ‘Mallory ziet eruit, wordt genoemd als, en is blijkbaar een arthuriaanse held’, schreef Maynard Keynes. Lytton Strachey kon zich niet inhouden: ‘O hemeltje! Hemeltje!… Hij is zes voet groot, met het lichaam van een atleet van Praxiteles, en het gezicht met het mysterie van Boticelli, de delicate verfijning van een Chinese print, de jeugd en de nasmaak van een onvoorstelbare Engelse schooljongen… Voor de rest; hij zal wel een schoolmeester worden en zijn intellect is niet noemenswaardig. Maar wat doet dat ertoe?’

Overigens was Lytton te laat. Zijn broer James Strachey ging met de prijs aan de haal. Het werd geen succes. Na maandenlang eromheen gedraaid te hebben, gingen ze met elkaar naar bed. Beide mannen kwamen er zo ongeveer getraumatiseerd uit; homoseksualiteit als esthetisch idee is één ding, om het daadwerkelijk in de praktijk te brengen moet het toch meer dan alleen een idee zijn. Mallory trouwde kort daarna en kreeg drie kinderen. James trouwde later, verhuisde naar Wenen, ontdekte psychoanalyse en haalde Freud naar Engeland.

De oorlog veranderde alles. In tegenstelling tot de meeste Bloomsbury’s was hij geen consciëntieuze dienstweigeraar. Hij meldde zich in 1915 vrijwillig en zag in de Franse loopgraven hoe de fine fleur van zijn generatie anoniem werd neergemaaid. In het begin choqueerde de dood van vrienden hem nog, maar dat wende. Zijn eigen leven ging hij zien als forfait. ‘Ik verwacht niet, voor het weinige dat dat ook nog mag betekenen, het einde levend te halen’, schreef hij een vriend. Maar hij overleefde, met meer geluk dan wijsheid, zoals zo’n beetje iedereen die de barrage van de Somme overleefde.

Al in zijn jeugd klom Mallory graag. Toen was het een passie, na de oorlog was het een uitlaatklep. De bergen waren een plek om alleen te zijn. Posttraumatisch stresssyndroom bestond nog niet, überhaupt waren gevoelens geen prominent gespreksonderwerp. Mallory klom, zodat hij alleen aan klimmen hoefde te denken.

Voor de oorlog wilden gerenommeerde instituten als de Royal Geographical Society en de Alpine Club al eens een poging wagen de Everest te beklimmen. Diplomatiek lag dat lastig, aangezien Tibet een grensgebied was tussen India en China. Maar na de oorlog kwam er toestemming vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken. Er zat een zuiver patriottistisch element in: Engeland was altijd gek op ontdekkingsreizigers geweest, en een Union Jack op het dak van de wereld was een hoopgevend idee voor een land dat uit de diepe depressie van de oorlog kwam. ‘Het beleg van de Everest’, werd het genoemd. Het moest geleid worden als een militaire operatie, met militaire klimmers. Zo kwamen ze bij Mallory terecht.

Niet dat Mallory nog patriottistisch was. En de rest van de deelnemers ook niet. Guy Bullock, Henry Morshead en Oliver Wheeler hadden allemaal aan het front gediend, expeditieleider Charles Howard-Bury had zijn twee zoons verloren. Het waren afgestompte mannen, mannen die gezien hadden hoe weinig een mensenleven waard kon zijn, hoe makkelijk het afgenomen kon worden. Leven of dood maakten niet zo heel veel meer voor ze uit, dus ze wilden het risico van de berg best nemen.

De eerste expeditie mislukte. De deelnemers waren te onbekend met hoe te overleven op grote hoogte. Fysioloog Alexander Kellas stierf aan een hartaanval, sherpa’s stortten de diepte in; de rest van de expeditie knipperde er nauwelijks van met hun ogen. Ze probeerden het een jaar later weer. Weer tevergeefs. En uiteindelijk deed Mallory in 1924 zijn ultieme poging de top te halen.

De mens is een optimist. Zijn motto zou ‘Plus ultra’ moeten zijn: altijd verder, altijd langer, altijd meer. Als de mens een mogelijkheid in zijn hoofd toelaat, weet hij dat het uiteindelijk de realiteit wordt. Records zijn er om verbroken te worden. Natuurlijk wordt die marathon straks onder de twee uur gelopen, natuurlijk gaan we naar Mars. De mogelijkheid staat in zijn hoofd gelijk aan de werkelijkheid.

Een ander motto zou kunnen zijn ‘Ik ook’. De mens ziet een ander mens een bepaalde prestatie verrichten en denkt dat hij dat toch ook zou moeten kunnen.

Vergelijk de afgestompte Mallory eens met de bergbeklimmers van dit seizoen. Afgelopen mei verscheen er een foto die van de Mount Everest een duin buiten Bergen aan Zee maakte op de mooiste dag van de zomer. Het was 23 mei. Bergbeklimmers stonden in een lange rij naar de top toe, alsof een superster daarboven zat te signeren. Een soortgelijke foto verscheen een paar weken later, vanaf de flanken van de Mont Blanc. Massatoerisme op duizenden meters.

In de NRC stond een interview met de Nederlandse alpinist Wilco Dekker, die die dag op de Everest stond. Zelf had hij met autobanden door mul zand gezeuld, hij had bergen op alle continenten beklommen en vijf jaar voor de Everest getraind. Dekker beschreef hoe hij vlak onder de top stond te wachten op een vrouw die zo onhandig klom, dat haar sherpa’s haar voort moesten duwen. Ze begreep niet hoe ze haar touwen en gespen moest gebruiken, zelfs haar Nepalese gidsen begonnen tegen haar te vloeken: ‘Come on!’

En dit dus op achtduizend meter, in de ‘Death Zone’, waar zo weinig zuurstof in de lucht zit dat je lichaam langzaam afsterft, en de kans op hallucinaties, hypoxie en bevriezingen met de seconde toenemen. Je kunt met flessen weliswaar drie liter zuurstof per minuut gebruiken, maar dan nog voelt het niet aan alsof je op zeeniveau rondloopt.

2019 was het drukste klimseizoen ooit. Nepal had 378 klimvergunningen afgegeven, voor elfduizend euro per stuk. Maar elk jaar is er maar een korte periode die een beklimming toestaan, de weken tussen de winter en de moesson in. En dus kreeg je filevorming. Met alle gevolgen van dien: elf mensen stierven die dag. Alleen de klimseizoenen van 2014, met zeventien doden, en 1996, met twaalf doden, waren erger. Maar dat kwam toen door lawines en sneeuwstormen.

Nu kwam het door zelfoverschatting, door rijke Europeanen en Amerikanen die in hun grenzeloosheid zichzelf bucketlist-doelen hadden gesteld.

Ooit leefden we voor geluk, schrijft essayist Mark Greif in Against Everything (2005). Maar geluk is vaag en ongrijpbaar. Ervaringen daarentegen zijn haalbaar, ze zijn definitief en cumulatief. We zijn de boog van ons leven gaan zien als een serie ervaringen. En in deze ervaringen zijn we ambitieus. Wat wil je doen voordat je doodgaat? ‘De Mount Everest beklimmen!’ Natuurlijk, waarom niet? Al honderden mensen gingen me voor. Waar zou ik dat niet kunnen?

Het is een lege ambitie, iets willen om het kunnen

Zodoende is er sinds de eerste pogingen van Mallory en zijn veteranen een hele industrie rond de berg ontstaan, die deze wens faciliteert. De goedkoopste expedities kosten zo’n dertig- à veertigduizend dollar, de luxere daar een veelvoud van. Waar je vroeger jaren ervaring moest hebben, worden er steeds meer verzorgde expedities de berg op georganiseerd, waarbij getrainde sherpa’s je nog net niet aan de hand omhoogtrekken. (Sherpa is een etniciteit, geen, zoals veel mensen denken, taakomschrijving; het is een nomadenvolk van een kleine driehonderdduizend personen, die het genetisch beter op grote hoogte kunnen volhouden). Wilco Dekker vertelde over een klimmer die ter plekke een pak had gehuurd, waardoor hij geen idee had hoe het werkte als hij zijn behoefte moest doen – en iedereen op hem moest wachten. Er waren Italianen die vier tonnen voedsel de berg op lieten slepen, hompen vlees en pakken wijn. Een picknick.

Het is de reden waarom de Everest – door de Nepalezen Sagarmatha genoemd, oftewel ‘Heilige moedergodin’ – als de grootste vuilnisbelt van de wereld wordt gezien. Er komen geen vuilnismannen duizenden meter hoogte, al het afval blijft liggen. Net als de lichamen van de klimmers die het niet redden.

Mount Everest-expeditie in 1921, rechtsboven George Mallory © George Leigh Mallory / Royal Geographical Society via Getty Images

Wat zeg je als je zegt dat je naar de top van Everest wilt? Toen George Mallory ooit werd gevraagd waarom hij de Everest wilde beklimmen antwoordde hij fameus: ‘Because it’s there.’ Omdat hij daar is.

Die korte frase wordt gezien als het levensmotto van veel alpinisten. Er is geen verklaring waarom ze de berg willen beklimmen, het is maar een berg, er ligt geen pot goud op de piek, en toch wagen ze hun leven om er te komen. In alle interviews met Alex Honnold, over wie vorig jaar de Oscar winnende documentaire Free Solo verscheen, komt hij amper tot een antwoord waarom hij El Capitan (in Yosemite Park, Californië) zonder touwen wilde beklimmen. Zelden of nooit kunnen alpinisten dat: ze spreken over een brandend verlangen, een uitdaging met zichzelf. Het is een lege ambitie, iets willen om het kunnen.

Volgens Mallory’s latere biograaf Wade Davis was ‘Because it’s there’ geen beginselverklaring, maar een laconieke opmerking van iemand die een serie speeches in Amerika moest geven om geld in te zamelen voor de derde Everest-expeditie, en dat met een gruwelijke tegenzin deed. Behept met de verfijnde sociale mores van de Bloomsbury-set vond hij Amerikanen saai en vulgair; hij noemde New York ‘a splendid gesture against a background of emptiness’. Waarschijnlijk zei hij het om af te komen van ‘a bore who stood between him and a much needed drink’.

In 1924 ging Mallory voor de derde keer de berg op. Inmiddels hadden de bergbeklimmers geleerd hoe ze kleine kampementen konden maken op de berg, waardoor er gerust kon worden. Na twee mislukte pogingen voor de top vertrok Mallory met een student, Andrew ‘Sandy’ Irvine. Vanuit een lager gelegen kamp, op 8 juni, zag een metgezel tijdens een wolkeloos moment Mallory en Irvine richting de top bewegen. Ze lagen uren achter op hun schema, maar leken zelfverzekerd. De wolken kwamen terug en de twee werden nooit meer gezien.

De media maakten er een volkstragedie van en Mallory en Irvine werden als nationale helden gezien. Een eredienst in St. Paul’s Cathedral werd bijgewoond door koning George V en het voltallige kabinet. Kranten speculeerden eindeloos over Mallory: was hij gestorven voordat hij de piek had bereikt of op de terugweg? Had hij als eerste mens op het dak van de wereld gestaan?

In 1999, 75 jaar na zijn verdwijning, zocht de Amerikaanse klimmer Conrad Anker naar het lichaam van Sandy Irvine. Van Irvine was ooit de ijsbijl teruggevonden en Anker had op basis van de vindplaats van de bijl een theorie waar diens lichaam zou kunnen liggen. Anker liep door een rotsachtig, half besneeuwd gebied, op driekwart van de berg en kwam, zoals dat nu eenmaal gaat bij de Everest, verschillende lichamen tegen waarvan hij aan de kleding kon zien in welke periode ze waren gestorven. Er staan beelden van op YouTube. Opeens ontdekte hij in de sneeuw een derde lichaam in gedateerde kleding. Dat moest Irvine zijn, dacht Anker. Goraks, raven in de Himalaya, hadden wat vlees van het lichaam gegeten, de huid op zijn gezicht was wit maar gaaf, alsof het van marmer was gemaakt. Pas toen Anker in zijn nek keek zag hij een ingenaaide etiket met een naam staan: Mallory.

Er is nog steeds geen consensus waar Mallory precies ten val is gekomen, maar naar alle waarschijnlijkheid is hij gevallen voordat hij de top bereikte: anders zou zijn lichaam niet op die plek liggen. De echte eerste keer boven blijft op naam staan van de Nieuw-Zeelander Edmund Hillary, kort gevolgd door sherpa Tenzing Norgay, op 29 mei 1953.

Het bekendste boek over de Everest is Into Thin Air van Jon Krakauer. Het is een klassieker, al meer dan twintig jaar in druk. Op 10 mei 1996 stond Krakauer op de top van de berg, met zijn ene voet in China en zijn andere in Tibet. Zo’n beetje zijn hele leven had hij naar dit moment uitgekeken, en nu het zover was kon het hem eigenlijk niets schelen.

Dit sentiment – of gebrek aan – ligt niet aan Krakauer. Je komt het in veel verslagen van beklimmingen tegen. De klim is zo uitputtend en de omstandigheden zijn zo zwaar (alsof je onder water loopt, schrijft Krakauer) dat er geen jubelstemming is. Je klimt totdat er geen berg meer is om te beklimmen, er wacht geen parade voor je. Als je slim bent weet je dat de top halen slechts de helft van het avontuur is, de andere helft is weer veilig beneden komen.

Krakauer had zijn hele jeugd geklommen, op grote en kleine bergen. Eigenlijk lag de Everest buiten zijn bereik als alpinist, maar inmiddels was hij begin veertig, maakte hij als reisjournalist naam voor zichzelf, had hij het jaar daarvoor een bestseller met het later verfilmde Into the Wild, en had Outside Magazine aangeboden zijn kosten te betalen. Dus hij sloot zich aan bij een expeditie van Adventure Consultants van de gerenommeerde Nieuw-Zeelandse bergbeklimmer Rob Hall, waar de deelnemers zo’n 65.000 dollar per persoon moesten betalen om naar de top geleid te worden.

Die 65.000 dollar bleek uiteindelijk een doodskaart. Krakauer kwam boven, met vlak achter hem een Texaanse beurshandelaar die in zijn vrije tijd graag vloog. Krakauer zag een blauwe lucht met in de verte wat wolken, de Texaan herkende als piloot dat het niet zomaar wolken waren, en dat ze maar beter als de sodemieter konden gaan afdalen. Maar de deelnemers die nog nooit op de top hadden bereikt hadden geen zin nu hun poging af te breken. Ze hadden tienduizenden dollars betaald en de meer onervaren gidsen durfden hen simpelweg niet terug te sturen.

De storm sloeg toe met twintig mensen op de berg, van wie de helft geen professionele klimmers waren. Een paar gidsen werden nooit meer teruggevonden, een Japanse zakenvrouw vroor dood waar iedereen bij zat en niemand die er iets aan kon doen. Leider Rob Hall overleefde de nacht vlak onder de top en sprak de volgende dag urenlang over de radio met de mensen beneden. Hij zou zo aan zijn afdaling beginnen, moest nog even zijn veters strikken, even zijn bril van de sneeuw ontdaan, even op adem komen. Maar elke keer als ze hem belden zat hij er nog. Uiteindelijk reageerde hij niet meer op radiocontact, zijn lichaam ligt nog steeds op de berg.

Een van de doden neemt Krakauer voor zijn rekening. Als hij afdaalt trekt hij een stukje op met Andy Harris, die nog meer met sneeuwblindheid en zuurstofgebrek worstelt dan hij zelf. Hij praat een paar keer met hem, ziet hem een paar honderd meter van een ijswand af vallen en wonder boven wonder weer opstaan en naar een van de bergkampen lopen. Krakauer vertelt iedereen dat Andy safe is aangekomen en is even verbaasd als iedereen wanneer ze hem de volgende dag nergens in het kamp kunnen vinden. Pas maanden na de expeditie spreekt hij met een andere deelnemer, Martin. Die beschreef dat hij door iemand was geholpen precies zoals Krakauer Andy had geholpen, en van een ijswand af was gevallen precies zoals Andy. Martin was ervan overtuigd dat hij met iemand anders dan Krakauer had gesproken; Krakauer was ervan overtuigd dat hij Andy had gezien, niet Martin. Beiden zaten ernaast. Alleen Andy’s ijsbijl is ooit teruggevonden.

In zijn bestseller Thinking, Fast and Slow werpt Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman een interessant dilemma op: stel, je mag op vakantie, alles wordt voor je betaald en geregeld en het zal de vakantie van je leven zijn. Maar, er worden geen foto’s genomen en na afloop zul je je er niets van herinneren. Is het dan nog een aantrekkelijke ervaring?

Het klinkt misschien vreemd, schrijft Kahneman, maar ‘I am my remembering self, and the experiencing self, who does my living, is like a stranger to me.’ De herinnering neemt voorrang boven de ervaring.

Mark Greif denkt dat de kwaliteit van een ervaring niet uitmaakt. Het nastreven van bepaalde ervaringen gaat om de kwantiteit, om het nuttigen van ons leven. ‘It can only be had or missed, life only used or wasted.’ De mensen die in mei met zijn honderden tegelijk op de flanken van de Everest stonden, stonden daar niet als actieve deelnemers aan hun leven. Maar als passieve; het ging ze uiteindelijk om de herinnering, om het ‘bucketlistisme’ van het-gedaan-hebben. Weer een ervaring om af te strepen, weer een anekdote erbij.

Natuurlijk stonden er ook mensen als Wilco Dekker tussen, die leven voor de klim en die interne, onformuleerbare noodzaak voelen die top te halen, maar die zullen steeds meer de minderheid worden. De bucketlisters op de berg willen best tienduizenden dollars betalen voor een bijzondere ervaring, maar ze willen er niet jarenlang voor leven; de ervaring is geen kroon op een jarenlange queeste, het is gewoon een tussendoortje, op weg naar het volgende. De bucketlist is een concept dat ons vervormt van onze ‘experiencing selves’ naar ‘remembering selves’. Het is een manier van achteruit leven.

Op een bepaalde manier is het lot van Into Thin Air cru. Het behoort in het rijtje boeken dat vanuit een nobel idee is geschreven, maar precies het tegenovergestelde bereikt. In het voorwoord van zijn klassieker Slaughterhouse Five (1969) schrijft Kurt Vonnegut hoe hij een vriend vertelt dat hij aan een boek over de oorlog werkt. Vonnegut maakte als krijgsgevangene van de Duitsers het bombardement op Dresden mee, dat moet het onderwerp worden. De vriend trekt een wenkbrauw op en vraagt of het dan zeker een anti-oorlogsboek is. Tuurlijk, zegt Vonnegut.

Weet je wat ik altijd zeg als mensen een anti-oorlogsboek willen schrijven? vraagt de vriend. ‘Dan zeg ik: waarom schrijf je geen anti-ijsbergboek?’

Vonnegut begrijpt wat hij bedoelt. Er zullen altijd oorlogen zijn, en je kunt ze net zo makkelijk tegenhouden als dat je een ijsberg tegenhoudt. Een boek maakt niks uit. Into Thin Air wil beschrijven hoe gevaarlijk het is om de Everest te beklimmen als expert, laat staan als amateur. Maar waarschijnlijk zal meer dan de helft van die toeristen op de flanken van de Everest het hebben gelezen. Ze zullen de sterftecijfers hebben gelezen, het eindeloze afzien, de onpeilbare risico’s en ze zullen gedacht hebben: wauw, als ik dat overleef, wat een sterk verhaal zou dat wel niet zijn!