HET MANIPULEREN VAN DE EVOLUTIE

De evolutie is nooit af

Met nieuwe technieken kan de mens steeds dieper ingrijpen in zijn eigen evolutie. En dat is goed. Want waarom zou de huidige schakel in de evolutieketen als heilig en onaantastbaar moeten worden beschouwd?

ALS SUPERIEURE WEZENS uit de ruimte ooit de aarde bezoeken, zullen zij zich, om het niveau van onze beschaving in te schatten, als eerste afvragen: ‘Hebben ze de evolutie al ontdekt?’ Aldus Richard Dawkins in zijn beroemde boek The Selfish Gene. Intelligent leven, waar dan ook, wordt volgens Dawkins pas volwassen als het de oorzaak van zijn bestaan heeft doorgrond. Wij op onze planeet hebben dat inzicht – en onze volwassenheid – aan Darwin te danken. Darwin heeft onze blik op de wereld en op onszelf voorgoed veranderd. Hij heeft ons een nieuw tijdperk binnengeloodst. Wij begrijpen het proces dat ons het bestaan heeft geschonken en hierdoor is de evolutie zich, misschien wel voor het eerst in het heelal, van zichzelf bewust geworden.
Het feit dat wij het mechanisme hebben doorgrond waaraan wij ons bestaan hebben te danken, brengt echter ook met zich mee dat wij dit proces bewust kunnen sturen. Wij bezitten de kennis en, sinds kort, ook de middelen om actief en effectief in te kunnen grijpen in het evolutieproces. We kunnen de evolutie – waar nodig – bijsturen, afbreken of versnellen. De middelen die ons hierbij van dienst kunnen staan, zijn alom bekend: biotechnologie, genetische manipulatie, embryoselectie, gen- en stamceltherapie, klonen, prenatale diagnostiek en wat dies meer zij. Waar zieners en filosofen al eeuwenlang van dromen, ligt nu binnen handbereik: het telen van een nieuwe en ‘betere’ mensensoort. Sommigen zien in deze ontwikkeling niet alleen een groot gevaar, maar ook een zekere paradox: door de evolutie actief te sturen, bijt het proces zichzelf als het ware in de staart. Als wij in staat zijn ons eigen genoom aan te passen, niet aan de natuurlijke omstandigheden maar aan onze eigen wensen, verliest de evolutie haar zelfreinigende vermogen. Het natuurlijke proces is dan kunstmatig geworden. Door de doos van Pandora te openen, bespoedigen we onze eigen ondergang.
Kortom, we zitten ogenschijnlijk met een dilemma opgescheept. Enerzijds moeten we constateren dat het natuurlijke selectieproces steeds verder wordt uitgevlakt en beknot. Mensen die in vroeger tijden ten dode waren opgeschreven, omdat ze bijvoorbeeld lichamelijk of verstandelijk gehandicapt waren, kunnen tegenwoordig overleven en zich voortplanten. Het moge duidelijk zijn dat dit de kwaliteit van de menselijke soort niet ten goede komt. Degeneratie tast de vitaliteit van onze gene pool aan.
Darwin zelf was zich hier al terdege van bewust. In zijn boek De afstamming van de mens (1871) schrijft hij: ‘Wij beschaafde mensen (…) doen ons uiterste best om het eliminatieproces tegen te gaan; wij bouwen gestichten voor de imbecielen, de verminkten en de zieken; wij voeren armenwetten in, en onze medische mensen zetten al hun vakkundigheid in om iedereen het leven te redden tot aan het laatste moment. Er is reden om te geloven dat vaccinatie duizenden heeft behouden, die vroeger door hun zwakke constitutie aan de pokken zouden zijn bezweken. Op die wijze planten de zwakke leden van de beschaafde samenlevingen hun aard voort. Niemand die zich bezig heeft gehouden met het fokken van gedomesticeerde dieren zal betwijfelen dat dit zeer schadelijk moet zijn voor het menselijk ras.’
Anderzijds, als we de verzwakking en degeneratie van de menselijke soort willen tégengaan, zijn we genoodzaakt gebruik te maken van allerlei praktijken die regelrecht tegen onze menselijke natuur indruisen. De moderne, beschaafde mens kan niet anders dan de zieken en de hulpbehoevenden een helpende hand reiken. Volgens Darwin zitten we met een ‘sympathie-instinct’ opgescheept. Mededogen en empathie zitten bij ons ingebakken, en tegen dit gevoel ingaan zou moreel verwerpelijk zijn. Zie hier de paradox: een nieuwe mens kweken is onmenselijk. Volgens Darwin moeten we het feit dat de zwakken overleven en zich voortplanten daarom zonder morren aanvaarden. Als we de zwakke, zieke en hulpeloze medemens aan zijn lot overlaten, zouden we immers ‘het edelste deel van onze aard bederven’. Ingrijpen in de menselijke evolutie lijkt daarom hoe dan ook verkeerd.

Er valt echter het een en ander in te brengen tegen het dilemma dat hierboven werd geschetst. Ten eerste is het niet zo dat we pas sinds kort de mogelijkheid hebben om het evolutieproces bij te sturen. We zetten de evolutie al duizenden jaren naar onze hand. Door kunstmatige selectie, het doorfokken van dieren met bepaalde gewenste eigenschappen, hebben we het genoom van honden, paarden, koeien, schapen, duiven, katten en talloze andere dieren ingrijpend veranderd. We hebben door veredeling honderden verschillende rassen gecreëerd, speciaal om in onze behoeften te voorzien. Hetzelfde geldt voor het genoom van gedomesticeerde plantenrassen zoals tarwe, rijst, kool, aardappel, maïs, enzovoort. We hebben de genen van al deze organismen gemanipuleerd door ze eeuwenlang te zuiveren van ongewenste eigenschappen.
Toegegeven, het is waar dat deze manipulatie van genen al die tijd ‘van buitenaf’ gebeurde. We hebben het genoom van genoemde organismen veranderd door selectieve voortplanting: alleen de individuen met de gewenste kenmerken konden zich voortplanten. Tegenwoordig kunnen we het genoom van organismen echter ook ‘van binnenuit’ veranderen door rechtstreeks in de genen in te grijpen. Genetische modificatie maakt het mogelijk om stukjes DNA van het ene organisme te verplaatsen naar het andere, waardoor een zogenoemd ‘transgeen’ organisme ontstaat. Denk bijvoorbeeld aan de stier Herman, in wiens erfelijk materiaal een stukje menselijk DNA werd ingebouwd waardoor zijn vrouwelijke nakomelingen melk met het ontstekingsremmende eiwit lactoferrine zouden produceren. Genetische modificatie is een stuk sneller en efficiënter dan het beproefde kruisen en veredelen, maar een wezenlijk onderscheid is er niet. Genetische modificatie is ook niet ‘onnatuurlijk’. Het overbrengen van stukjes DNA van het ene naar het andere organisme gebeurt bijvoorbeeld ook volop door de activiteit van bacteriën en virussen.
Ten tweede, en dit punt is in de huidige context misschien van meer gewicht, is het ook niet zo dat het bijsturen van de evolutie en het sleutelen aan organismen moreel verwerpelijk zou zijn. Integendeel, er valt zelfs iets te zeggen voor de stelling dat het onze morele plicht is om de mens te verbeteren. De filosoof John Harris, hoogleraar bio-ethiek aan de Universiteit van Manchester, stelt bijvoorbeeld dat we tegenwoordig de middelen hebben om niet alleen zieke mensen, maar ook gezonde mensen ‘beter’ te maken. In zijn recente boek Enhancing Evolution houdt Harris dan ook een pleidooi voor mensverbetering: door de evolutie bewust te sturen, kunnen we een nieuwe, ‘verbeterde’ mens laten ontstaan. Dat we daarbij onvermijdelijk in allerlei kwalijke eugenetische praktijken zouden vervallen, is volgens Harris een hardnekkig misverstand. En ook de hele discussie over de vermeende ‘tegennatuurlijkheid’ van bepaalde ingrepen is aan hem niet besteed. Als het ‘tegen de natuur in gaat’ om een mens gezond of beter te maken, dan is elk medicijn, elk vaccin en elk ziekenhuis in feite tegennatuurlijk. Belangrijke technologische vernieuwingen zoals de aanleg en het gebruik van sanitair en riolering, of de ontdekking en toediening van vaccins en antibiotica, hebben in de negentiende en twintigste eeuw talloze mensenlevens gered. Het zou absurd zijn om deze ontwikkelingen ‘tegennatuurlijk’ te noemen.
Volgens Harris hebben we de morele plicht om onze (bio)technologie te gebruiken om de menselijke evolutie naar een volgende, hogere fase te leiden. Wie zal immers betwisten dat de evolutie van slimmere, gezondere en sterkere mensen een belangrijke stap vooruit is? Harris’ ethische uitgangspunt is het utilitarisme: het idee dat de morele waarde van een handeling wordt bepaald door het nut (utilis) ervan. Een utilitarist streeft naar het hoogst haalbare geluk voor de mensheid als geheel, en het lijdt volgens Harris geen twijfel dat dit ideaal dichterbij komt wanneer we de mens intelligenter, gezonder en sterker maken.
Om de evolutie van de nieuwe mens mogelijk te maken, moeten we volgens Harris afstand nemen van het idee dat het menselijk genoom en het menselijk DNA ‘heilig’ en daarom onaantastbaar zijn. Volgens critici zou elke inbreuk op en aantasting van het humane genoom aanleiding geven tot een gevaarlijk ‘hellend vlak’ waarvan de vele gruwelijke consequenties niet zijn te overzien. Om dit hellend vlak te voorkomen, moet er volgens de critici paal en perk worden gesteld aan het ‘verbeteren’ van de mens. Met het menselijk genoom mag niet worden geknoeid!
Harris meent echter dat dit argument niet deugt, en hij besteedt een aanzienlijk deel van zijn boek aan het weerleggen ervan. Zo voert hij een gedachte-experiment op, ontleend aan het essay Gaps in the Mind van Richard Dawkins. Het gedachte-experiment gaat, hier in iets gewijzigde vorm, als volgt. Stelt u zich een hedendaagse vrouw voor op de Dam in Amsterdam. Deze vrouw houdt met haar linkerhand haar moeders rechterhand vast. De vrouwen staan zij aan zij. De moeder op haar beurt houdt met haar linkerhand de rechterhand van haar moeder vast, en zij weer die van haar moeder, enzovoort. Elke vrouw neemt ongeveer een meter ruimte in, terwijl ze, hand in hand, in de mist van het verleden verdwijnen. Wanneer we deze imaginaire keten ongeveer 450 kilometer zouden volgen, ruwweg de afstand van Amsterdam naar Parijs, dan zijn we uitgekomen bij de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee. De dochter die zij aan haar rechterhand vasthoudt, is degene van wie wij afstammen. Maar aan haar linkerhand houdt onze oermoeder ook een dochter vast. Deze dochter is de voorouder van de moderne chimpansee. Deze dochter houdt met haar linkerhand haar dochter vast, en deze dochter weer haar dochter, enzovoort. Als we deze tweede keten tot op de Dam in Amsterdam zouden volgen, treffen we twee hedendaagse ‘vrouwen’ aan die tegenover elkaar staan en elkaar aankijken. De een is een moderne mens, de ander een moderne chimpansee. Ze zijn allebei verbonden met hun verleden, in een ononderbroken keten die naadloos terugvoert op onze gemeenschappelijke voorouderaap.
Het gedachte-experiment illustreert niet alleen het feit dat mens en chimpansee een gemeenschappelijke voorouder hebben, maar ook, en hier is het eigenlijk om te doen, dat het absurd is te denken dat een bepaalde evolutionaire fase speciaal is en daarom tot in alle eeuwigheid geconserveerd moet blijven. Als je langs de keten van mens tot aapmens zou lopen, zou je nergens een scherpe onderbreking aantreffen. Elke dochter lijkt op haar moeder en vice versa, omdat kinderen nu eenmaal op hun ouders lijken. Het is daarom op z’n zachtst gezegd merkwaardig dat de tegenstanders van evolutionaire manipulatie de huidige schakel in de evolutieketen als heilig en onaantastbaar beschouwen, aldus Harris. Als het aan hen ligt moeten de menselijke natuur en het menselijke genoom precies, en voor altijd, zo blijven zoals ze nu zijn. Deze conservatieven zijn te vergelijken met vroege voorouders in de imaginaire keten ergens tussen Amsterdam en Parijs, die meenden dat de evolutie ver genoeg was voortgeschreden en dat zij de laatste schakel van de ketting waren.
Kortom, de boodschap van Harris luidt: elk genoom is een evolutionaire tussenstand, want de evolutie is nooit af. Als je een bepaald genoom zou willen beschermen, zou je het eigenlijk alleen nog mogen klonen, omdat elk genoom door seksuele voortplanting voortdurend wordt veranderd. Het hele idee dat een biologische soort niet veranderd mag worden, grijpt in feite terug op pre-evolutionaire tijden waarin de natuur werd voorgesteld als bestaande uit verschillende eeuwige en onveranderlijke ‘typen’ of ‘essenties’. Darwins evolutietheorie maakte echter een resoluut einde aan deze doctrine: biologische soorten zijn niet statisch maar veranderlijk. Zij vloeien in elkaar over.

Het idee dat de samenleving door ‘genetische manipulatie’ kan worden verbeterd, is letterlijk ouder dan de weg naar Rome. De Spartanen in het Oude Griekenland hadden bijvoorbeeld al de gewoonte om zwakke of gehandicapte baby’s in het ravijn te gooien opdat de bevolking gezond en sterk zou blijven. Eugenetische ideeën vinden we ook bij de filosoof Plato. In zijn dialoog De staat (459-460) stelt de wijsgeer voor om het vrije huwelijk af te schaffen. Om de kwaliteit van het ras te waarborgen, dienen de heersers er volgens Plato zorgvuldig op toe te zien dat enkel mannen en vrouwen met ‘goede eigenschappen’ zich voortplanten. Mochten er desondanks inferieure borelingen ter wereld komen, dan moeten die ‘stil en in het geheim’ uit de weg worden geruimd.
Soortgelijke ideeën duiken in latere eeuwen telkens opnieuw op. Aldous Huxley’s roman Brave New World uit 1932 is een briljante en afschrikwekkende satire op dit vooruitzicht van de maakbare mens. Huxley beschrijft een toekomstige ‘heilstaat’ waarin de overheid kunstmatig mensen kweekt en in verschillende klassen onderverdeelt. Alleen de eliteklassen mogen hun eigen persoonlijkheid behouden: zij zijn voorbestemd om het totalitaire systeem te leiden. De lagere klassen zijn geprogrammeerde arbeiders zonder individualiteit, initiatief en emotie. Tijdens het naziregime in Duitsland werd het kweken van de nieuwe mens het verst en het gruwelijkst doorgevoerd. Volgens de perfide nazi-ideologie moest ‘inferieure’ individuen en rassen het recht op voortplanting worden ontnomen, en moesten die op de lange termijn worden vernietigd.
Harris laat zich echter niet afschrikken door zulke doemscenario’s. In zijn ogen zal niet slechts een speciale elite, maar iedereen profiteren van de nieuwe ontwikkelingen. Mooiere, betere en slimmere mensen vormen immers geen bedreiging, maar een belofte. En bovendien, de overgang naar de nieuwe, verbeterde mens zal net zo naadloos verlopen als de overgang van aapmens naar mens.
Harris is overigens niet de enige die er recentelijk voor heeft gepleit om de evolutie van de mens in eigen handen te nemen. Denk bijvoorbeeld aan het beruchte pamflet Regels voor het mensenpark van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Rond de eeuwwisseling ontstond, met name in Duitsland, een fel debat over het vermeende ‘fascistoïde’ karakter van Sloterdijks uitlatingen. In zijn pamflet betoogde de wijsgeer dat het humanisme, dat sinds de Verlichting het westerse denken lange tijd heeft gedomineerd, op een dood spoor is geraakt. Omdat het humanistische beschavingsproject is mislukt, zijn ook de traditionele middelen om de – in wezen – bestiale mens te ‘temmen’ uitgeput. Volgens Sloterdijk biedt de moderne wetenschap echter een hoopvol alternatief: de ‘disciplinering’ van de mens met behulp van biotechnologie. De nieuwe mens kan misschien kunstmatig worden gekweekt.
De publieke verontwaardiging in Duitsland was echter overtrokken, want Sloterdijks betoog was lang niet zo explosief als sommige commentatoren wilden doen geloven. Zo worden er nergens concrete aanbevelingen gedaan ten aanzien van bio-ethiek of gentechnologie. Sloterdijk ziet de snelle ontwikkelingen in de biotechnologie in het algemeen als een ingrijpend proces dat op de lange termijn enorme, en onvoorziene, consequenties kan hebben. De mens is een zichzelf domesticerende soort die leeft in een zelfontworpen mensenpark. Het is verstandig – ook Harris moet dit beamen – om over de toekomstige regels van dit park na te denken voor het te laat is en we per ongeluk toch in Plato’s Staat of Huxley’s Brave New World zijn aanbeland.

Dr. Chris Buskes is als wetenschapsfilosoof verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2007 ontving hij voor zijn boek Evolutionair denken: De invloed van Darwin op ons wereldbeeld (Amsterdam, Nieuwezijds) de Socrates Wisselbeker, een jaarlijkse prijs voor het meest prikkelende Nederlandstalige filosofieboek