Doorbraak in de klimaatzaak

De excuses zijn op

Het gerechtshof, het IPCC, De Nederlandsche Bank, allemaal onderstreepten ze vorige week dezelfde boodschap: de politiek moet nú aan de slag om de CO2-uitstoot terug te dringen. En dat gaat niet lukken door te polderen.

Vaak is het nieuws over klimaatverandering om mismoedig van te worden: een opeenstapeling van alarmerende rapporten, een eindeloze stroom berichten over smeltende ijskappen, ontregelde ecosystemen of dodelijke hittegolven en telkens maar weer de gekmakende discrepantie tussen de mooie woorden en het gebrek aan daadkracht bij politici. Maar er zijn van die spaarzame momenten waarop er een sprankje hoop gloort. Momenten waarvan je hoopt dat ze de geschiedenisboeken in gaan als een doorbraak. De uitspraak in het hoger beroep van de ‘klimaatzaak’ van stichting Urgenda, was zo’n moment. In 2020 moet de CO2-uitstoot van Nederland 25 procent lager liggen dan in 1990, bepaalde het hof. Fraaie beloftes zijn niet genoeg, de daad moet bij het woord worden gevoegd.

Wijk aan Zee. Met name aan de industrietafel lopen de onderhandelingen stroef © Bas Beentjes/de Beeldunie

Het vonnis kwam een dag nadat het Intergovernmental Panel on Climate Change (ipcc) in zijn nieuwste rapport nogmaals de ernst van de situatie had onderstreept. Normaal gesproken krijgt het klimaatpanel van de Verenigde Naties een paar jaar de tijd om een grondige overzichtsstudie te maken, maar ditmaal moesten de auteurs haast maken. Ze wilden namelijk onderzoeken of het nog haalbaar is om de opwarming van de aarde tot anderhalve graad te beperken, en hoe langer dat duurde, hoe groter de kans dat het antwoord daarop ‘nee’ zou zijn. Nu probeert het ipcc de moed erin te houden. Volgens de wetten van de natuurkunde is het nog mogelijk om een klimaatcatastrofe te voorkomen, al stemt de politieke realiteit een stuk somberder. ‘De komende jaren worden waarschijnlijk de belangrijkste in onze geschiedenis’, zei Debra Roberts, mede-auteur van het rapport.

Vandaar dat de uitspraak in de ‘klimaatzaak’ zo’n mijlpaal is. In 2015 boekte Urgenda al een historische overwinning, toen ze de overheid via de rechtbank tot strenger klimaatbeleid wist te dwingen. In plaats van zich met het schaamrood op de kaken neer te leggen bij de uitspraak en alles in het werk te stellen om de CO2-uitstoot te verminderen, ging de staat in hoger beroep. Het zou onverstandig zijn om te ver op de troepen vooruit te lopen, want zinvolle actie is alleen mogelijk in internationaal verband. En trouwens, waar bemoeit de rechter zich mee? Dit is een zaak van de politiek. In een vernietigend oordeel veegde het hof de argumenten stuk voor stuk van tafel. De overwinning van Urgenda blijft overeind en staat alleen maar steviger.

Het is de moeite waard om het baanbrekende vonnis eens goed onder de loep te nemen. Vooral omdat het verweer van de staat stoelt op drogredenen die alomtegenwoordig zijn in het klimaatdebat. Zo betoogde de landsadvocaat dat een klein landje als Nederland zo’n wereldomspannend probleem niet in zijn eentje kan oplossen. Dat mag dan zo zijn, erkende de rechter, maar dat ontslaat de overheid nog niet van haar zorgplicht. Als zijn onderdanen gevaar lopen door klimaatverandering, mag je van de staat verwachten dat die er alles aan doet om bescherming te bieden. Enkel de dijken verhogen is niet voldoende, want zolang we onverminderd doorgaan met het uitstoten van CO2, blijft dat dweilen met de kraan open.

Soms leek het of de landsadvocaat zijn argumenten had overgeschreven uit het boekje van industriële lobbygroepen. Hij waarschuwde voor ‘carbon leakage’ en wees op het belang van een ‘level playing field’. Nederland kan wel het braafste jongetje van de klas willen zijn, maar als vervuilende bedrijven vervolgens naar het buitenland verhuizen, schiet de planeet daar niets mee op. Bekende retoriek, maar het gerechtshof was niet onder de indruk. De staat bood namelijk geen enkele onderbouwing voor die vermeende risico’s. En klopte het kabinet zichzelf tijdens de presentatie van het regeerakkoord niet op de borst omdat het meer wil doen dan de Europese Unie vraagt? Toen was dat argument ‘kennelijk niet doorslaggevend’, constateert het hof droogjes.

Bovendien is Nederland op dit moment bij lange na niet het braafste jongetje van de klas. Eerder een van de vieste. Als het op klimaatbeleid aankomt kunnen we een voorbeeld nemen aan landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Frankrijk. In Nederland is de CO2-uitstoot nog altijd even hoog als in 1990. Dat de totale emissies toch met dertien procent zijn gedaald, komt doordat de uitstoot van krachtige broeikasgassen als methaan en lachgas zijn teruggebracht dankzij eenvoudige en goedkope ingrepen. Verder is er amper vooruitgang geboekt. Op de lijstjes voor hernieuwbare energie bungelt Nederland al jarenlang onderaan.

Het is niet alsof politici in Den Haag klimaatverandering ontkennen. Dat de uitstoot omlaag moet, staat niet ter discussie. Maar op het moment dat het over concrete maatregelen gaat, worden de coalitiepartijen nerveus. Dan komen steevast de economische bezwaren op tafel, want we willen wel dat de planeet leefbaar blijft voor toekomstige generaties, maar het mag de huidige generatie niet te veel kosten. Keer op keer legt het langetermijndenken het af tegen de kortetermijnbelangen. De ‘tragedie van de horizon’, zo noemde Mark Carney, de gouverneur van de Bank of England, deze frustrerende impasse. Politici die na vier jaar worden afgerekend op hun prestaties lijken maar niet in staat om over die horizon heen te kijken en schuiven lastige, maar noodzakelijke beslissingen voor zich uit. Gelukkig kan de rechter helpen om deze patstelling te doorbreken.

Klimaattafels? ‘Je laat de kalkoen toch ook niet meebeslissen over het kerstdiner?’

Ingrijpende klimaatmaatregelen vergen weliswaar financiële offers, erkende het hof, maar die vallen in het niet bij de risico’s als we niets doen. Wat heb je aan stijgende beurskoersen, als de planeet onleefbaar dreigt te worden? Onze ‘internationale concurrentiepositie’ is er ook niet mee geholpen als de helft van Nederland onder de zeespiegel verdwijnt. Er is een New Yorker-cartoon die de absurditeit van deze redenering mooi blootlegt. In een postapocalyptische setting zit een man in een verfomfaaid pak bij een kampvuur tegenover drie kinderen. ‘Yes, the planet got destroyed’, zegt de man. ‘But for a beautiful moment in time we created a lot of value for shareholders.’

Hoe langer we wachten met helder klimaatbeleid, hoe abrupter de schokken en hoe hoger de kosten, zo waarschuwde De Nederlandsche Bank vorige week. dnb had een speciale ‘klimaat-stresstest’ ontwikkeld voor banken, pensioenfondsen en verzekeraars, want klimaatverandering brengt allerlei economische risico’s met zich mee, zo begrijpen beleggers. Niet voor niets besluiten steeds meer investeringsfondsen hun geld terug te trekken uit de fossiele industrie. Behalve dat het moreel discutabel is om te investeren in een branche die de planeet beschadigt, is het ook gewoon een riskante belegging. Het is niet ondenkbaar dat de beurskoersen van kolenbedrijven of oliemaatschappijen als een plumpudding in elkaar zakken, zodra overheden hun mouwen opstropen om de doelen van ‘Parijs’ te halen. Als we de koolstofzeepbel niet gecontroleerd laten leeglopen, zal hij vanzelf een keertje knappen.

Blijft de vraag hoe we de financiële offers verdelen die nú gebracht moeten worden. cda-leider Sybrand Buma vreest dat ‘het klimaat’ het nieuwe polariserende thema wordt, waarbij de minder welvarende Nederlanders hun hakken in het zand zetten, omdat zij met een hogere gasrekening worden opgezadeld. Groen moet geen elitaire hobby worden, waarschuwde hij in een interview met Elsevier. Een volkomen terecht punt. ‘Klimaatrechtvaardigheid’ is een thema dat nota bene door Milieudefensie op de agenda is gezet, en ook de linkse oppositie heeft het tot een speerpunt gemaakt.

Het grote verschil is dat Buma de dreiging van een ‘revolte’ gebruikt als een excuus om op de rem te trappen. Bij hem volgt geen pleidooi om de kosten van de energietransitie eerlijk te verdelen, maar een waarschuwing dat Nederland vooral niet te hard van stapel moet lopen. Daarmee schetst hij een vals dilemma. Want natuurlijk is het niet onvermijdelijk dat de mensen met de kleinste portemonnee het hardst geraakt worden. Als je burgers laat betalen voor dure warmtepompen en vervolgens multinationals matst met belastingvoordelen, is het inderdaad niet vreemd dat er volkswoede ontstaat. Maar dat is een kwestie van politieke keuzes, niet van ‘het klimaat’.

Als de Urgenda-zaak, het ipcc-rapport en de stresstest van dnb één ding duidelijk maken, dan is het wel dat de excuses om te treuzelen zo onderhand op zijn. Het is tijd voor doortastende actie. De grote vraag is of dat lukt door te polderen. Een jaar geleden werd Rutte III nog jubelend onthaald als het ‘groenste kabinet ooit’ en wie vluchtig door het regeerakkoord bladerde zag inderdaad stevige ambities. Het venijn school, zoals vaak, in de details. Of beter gezegd in het ontbreken daarvan, want er werd dan wel verkondigd dat de CO2-uitstoot in dertien jaar met 49 procent zou worden teruggebracht, hoe dat precies moest gebeuren bleef onduidelijk. Daarover moest eerst ‘met alle partijen’ onderhandeld worden. Dus werden er ‘klimaattafels’ in het leven geroepen, waaraan bedrijven, milieuclubs en deskundigen gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Ouderwets polderen, dus.

De voorlopige resultaten van dat polderoverleg zijn, op z’n zachtst gezegd, nogal teleurstellend. Een definitief klimaatakkoord zal er voor het einde van dit jaar niet meer komen. Met name aan de industrietafel lopen de onderhandelingen stroef, terwijl daar nu net het meeste te winnen valt. Door handig ‘mee te stribbelen’ weten de grote vervuilers de boel te vertragen, zo blijkt uit de reconstructie in De Groene Amsterdammer van vorige week. Met als gevolg dat het voorlopige klimaatakkoord, dat afgelopen zomer werd gepresenteerd, niet verder komt dan vage plannen en onuitgewerkte ‘streefbeelden’. ‘Het is nog onduidelijk welke concrete stappen worden genomen door welke partijen in welk tijdsbestek’, constateerde het Centraal Planbureau in zijn analyse.

Misschien wordt het tijd om onder ogen te zien dat we geen serieuze vooruitgang kunnen boeken zolang de belangenbehartigers van de industrie een plekje aan tafel krijgen. ‘Je laat de kalkoen toch ook niet meebeslissen over het kerstdiner?’ zei oud-kroonlid van de ser Klaas van Egmond onlangs tegen de Volkskrant. De route door de polder is wat hem betreft een ‘heilloze weg’: ‘Al dat gepraat, ik zeg het maar netjes, over het oppompen van autobanden en de verplichte dikte van spouwmuren (…) Dit is een kleinbierfestival aan het worden, en aan het grote bier komen we nooit toe.’

Een soortgelijke conclusie trok oud-milieuminister Pieter Winsemius (vvd) vorige week in een essay in Trouw. Net als Van Egmond heeft hij genoeg ervaring met de Haagse poldercultuur om te begrijpen dat die mentaliteit in dit geval geen redding zal brengen. ‘Het traditionele overleg, via bijvoorbeeld klimaattafels, is onvoldoende om tot nieuw denken te leiden’, schrijft Winsemius. Er is een radicale omwenteling nodig en die komt niet dichterbij door waterige compromissen. De transitie naar een duurzamer Nederland zal winnaars en verliezers kennen, maar het probleem is dat de partijen die het meest te verliezen hebben zich een krachtige lobby kunnen veroorloven, waarmee ze elke doorbraak dwarsbomen.

Uiteindelijk is de overheid de enige die écht kan doorpakken. Door kolencentrales te sluiten, bijvoorbeeld. Of door een stevige koolstofprijs in te voeren. Natuurlijk bestaat er geen silver bullet en is de klimaatcrisis niet eenvoudig op te lossen, maar beleidsmakers kunnen zich niet blijven verschuilen achter de vermeende complexiteit. In de kern is het immers vrij simpel. De aarde warmt op doordat er te veel broeikasgassen in de atmosfeer worden gepompt en als we die opwarming een halt toe willen roepen, zullen we de CO2-uitstoot moeten terugdringen. Niet pas in 2030, maar nú. Rechters, wetenschappers, economen – allemaal snappen ze wat er moet gebeuren. Het wachten blijft op de politiek. 