Britten kunnen wel/niet weg uit Irak

De exit-paradox

Volgens peilingen vindt meer dan de helft van de Britten het hoog tijd voor een Britse aftocht uit Irak. Maar het is ondenkbaar dat Blair zijn soldaten terugtrekt voordat de Amerikanen dat doen.

«We zijn hier om Irak te bevrijden, niet om het te veroveren. Irak is doordrenkt van geschiedenis; het is de bakermat van de Hof van Eden, van de Zondvloed en van de geboorteplaats van Abraham. Pas dus op waar je loopt. Zo woest als we ertegenaan gaan in de strijd, zo ruimhartig moeten we zijn na de overwinning.»

Met die woorden zond de Britse kolonel Tim Collins in het voorjaar van 2003 zijn mannen over de grens met Irak. Delen van zijn toespraak werden door Britse en Amerikaanse zenders regelmatig herhaald, als vormden ze op zichzelf het bewijs voor de goede bedoelingen van de binnentrekkende legers. Dezelfde woorden achtervolgen Tony Blair nu al tien dagen – om precies te zijn: sinds het moment waarop Britse pantserwagens een gevangenis in Basra omver reden en een nabijgelegen bungalow overvielen om twee van hun soldaten te bevrijden uit handen van een plaatselijke militie.

Het incident in Basra bewees dat het Britse gezag onder de plaatselijke bevolking minder sympathie geniet dan Whitehall tot voor kort meende. De «arrestatie» van de twee Britten door de Iraakse politie en hun uitlevering aan de militie was waarschijnlijk een poging tot gijzeling. Een dag eerder waren namelijk enige plaatselijke aanvoerders van het Mahdi-leger van de militante sjiïetenleider Moqtada al-Sadr door de Britten aangehouden. Die aanhoudingen waren weer het antwoord op diverse aanslagen in Basra en omgeving die vermoedelijk door het Mahdi-leger waren gepleegd. De diplomatiek redacteur van The Sunday Herald schreef: «Het incident bewijst dat Irak niet op weg is naar eendracht en verzoening, maar op de rand van de anarchie wankelt.»

Niet alleen de nauwe band tussen politie en militie, ook de straatgevechten waarmee de Britse bevrijdingsactie gepaard ging tonen aan dat de «relatieve rust» in de sector, waarop de Britten meer dan twee jaar prat gingen, al die tijd niet meer dan een dun vernisje is geweest. Terwijl de rond achtduizend Britse soldaten zo ontspannen mogelijk door de straten patrouilleerden, maakten sjiïtische milities zich mees ter van de nieuwe Iraakse politiemacht en zelfs van het openbare leven in delen van de stad. Er gaan hardnekkige geruchten dat het legertje van Al-Sadr in delen van Basra reeds zijn eigen rechtspraak op basis van de sharia heeft geïntroduceerd. Britse officieren zeiden in The Independent dat ze nu de prijs betaalden voor het toelaten van militieleden in de nieuwe Iraakse veiligheidsdiensten: «Er was nauwelijks een toelatingsbeleid. De gedachte was dat het sjiïeten en anti-Baath-mensen waren en dat het dus wel goed zat.»

Tegelijk verbrak de Basra-crisis ook de bedrieglijke rust die sinds 2003 binnen de Britse regering en legertop heerste. Het resultaat is dat de Britse regering gevangen zit in een paradox van eigen makelij. Het Britse leger ziet zich in Basra voor een onmogelijke taak geplaatst. Het is ondoenlijk om met achtduizend man een vreedzame, democratische wederopbouw van het gebied te garanderen terwijl milities, Iraanse infiltranten en onwillige of incapabele Iraakse veiligheidsdiensten alle pogingen frustreren. Tony Blair wil hun terugtrekking echter pas overwegen wanneer die vreedzame democratische wederopbouw is veiliggesteld. Daarentegen wijzen de gebeurtenissen van afgelopen week erop dat de aanwezigheid van de Britten zelf langzamerhand de grootste bedreiging voor de plaatselijke veiligheid vormt. Minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw zei dat zelfs met zoveel woorden in een interview.

Omdat Straw bovendien hardop nee heeft gezegd tegen eventuele Amerikaanse plannen voor een aanval op Iran terwijl Blair die mogelijkheid angstvallig openhoudt, is de spanning tijdens hun besprekingen op Downing Street 10 momenteel om te snijden. Hoge ambtenaren van Buitenlandse Zaken voelen zich opgelaten wanneer ze met Blair en Straw in één kamer moeten verkeren. Ook bij Defensie is de sfeer definitief omgeslagen. De legerleiding deelt zonder reserves de mening van kolonel Collins, inmiddels buiten dienst, die net als de meeste andere «bevrijders» openlijk twijfelt aan het nut van de Britse militaire aanwezigheid in Irak.

De voormalige plaatsvervangend stafchef-generaal Anthony Walker noemt de bezetting van Irak een «kolossale mislukking» en een hoge officier in Basra liet weten dat «we de komende weken het geluid gaan horen van boontjes die om hun loontje komen. We proberen al veel te lang de situatie in de hand te houden met een legermacht van brigade niveau die belachelijk klein is in vergelijking tot de taak die haar is opgedragen. We hebben een paar verdomd goeie dingen gedaan, maar de waarheid is dat we onze ogen hebben gesloten voor ontzettend veel dubieus gedrag van de milities – moord, omkoping, stembusfraude.»

Volgens Collins heeft het land de ogen gesloten voor nog een paar onaangename waar heden, bijvoorbeeld dat de invasie de wereldolieprijs heeft opgejaagd in plaats van verlaagd, en dat «Irak» de beste propaganda is die Al- Qaeda zich kan wensen. Net als de meeste analisten zoekt hij de oorsprong van het probleem in de onbezonnen wijze waarop de campagne werd doorgedreven. «Wat mijn mannen en ik bij het overschrijden van de Iraakse grens niet beseften», schrijft hij in een opinieartikel in The Guardian, «was dat er op de hogere niveaus niet echt een plan klaar lag om ter plaatse iets te veranderen, dat er sprake was van een simplis tische en fantasieloze overschatting van het vermogen tot vernietiging en bruut militair vertoon. We moesten de Irakezen verslaan. Zo simpel lag het. Daarna zou alles vanzelf op zijn plaats vallen.»

Maar dat was tweeënhalf jaar geleden. Momenteel breekt heel Groot-Brittannië zich het hoofd over de vraag waaraan de Amerikaanse publieke opinie ogenschijnlijk nog niet toe is: hoe maken we zo snel mogelijk een eind aan dit mislukte avontuur? Zelfs Boris Johnson, de populaire dieptrom van de Conservatieve Partij, sprak zich vorige week onomwonden uit voor terugtrekking: «Wat we ook bereiken in Irak, we zullen de wereld niet veiliger hebben gemaakt of het risico op terrorisme verminderd: het tegendeel is waar. De bewering dat deze invasie deel uitmaakte van de oorlog tegen het terrorisme was een leugen.»

De vraag is dus niet langer óf, maar hóe en wanneer de Britse troepen met goed fatsoen naar huis kunnen. Een belangrijk aspect is natuurlijk het bondgenootschap met de Amerikanen, die de Britten met lede ogen zullen zien vertrekken. Wat de kwestie nog gecompliceerder maakt, is dat ze enerzijds is verbonden met het politieke lot van Tony Blair en anderzijds met het terrorisme van Britse bodem dat afgelopen zomer zo luidruchtig van zich deed horen. Op de Labour-conferentie in Brighton van de afgelopen dagen liet Blair weten niet te peinzen over terugtrekking. Het is eenvoudig ondenkbaar dat Blair de Britse troepen terugtrekt voordat de Amerikanen dat doen.

Minister van Defensie John Reid kondigde zelfs in de marge van de conferentie aan dat hij de 25.000 man sterke Iraakse politiemacht in Basra in zijn geheel wil ontbinden en vervangen door een paramilitaire eenheid die trouw is aan het Britse gezag. Krantenberichten over een plan voor een spoedige Britse terugtrekking, dat na het grondwetsreferendum aan het Iraakse parlement zou worden voorgelegd, werden door Blair en Reid hardnekkig ontkend. Zoveel is dus duidelijk: een eenzijdige Britse terugtrekking zou moeten samenvallen met het ontslag van Blair als minister-president.

Blair zou dus tussentijds moeten worden vervangen door ofwel Jack Straw, ofwel vice-premier Gordon Brown, de huidige minister van Financiën die zich op de Labour-conferentie wederom presenteerde als solide opvolger van Blair, maar met geen woord refereerde aan diens buitenlands beleid. Het blijkt wel dat niemand in de top van Labour bereid is de Amerikanen voor het hoofd te stoten. «Het is een vies werkje», aldus een BBC-commentator, «en niemand offert zich op om het te klaren.» Daar komt bij dat Blair in Brighton liet weten dat hij deze regeringsrit wil uitzitten. Ook al is volgens peilingen meer dan de helft van de Britten van mening dat het hoog tijd is voor een aftocht, de kans daarop is dus bijzonder klein.

In arren moede put de Britse pers zich uit in doemscenario’s. Volgens sommige commentatoren glijdt Irak onherroepelijk af naar een burgeroorlog, volgens andere is het allang zo ver. Indien ze blijven, zullen de Britse troepen in het zuiden alleen in staat zijn zichzelf te verdedigen, niet de prille Iraakse «democratie» waarop een enkeling nog zijn hoop vestigt, niettegenstaande het feit dat de inwoners van Basra in grote meerderheid hebben gestemd op fanatieke en met de milities verbonden sjiïtische partijen. De leiders van de grote partijen klampen zich bij gebrek aan een alternatief vast aan de gedachte dat een onmiddellijke terugtrekking zou resulteren in «chaos» in Irak.

Zodoende wordt, na de «inlichtingen» over Saddams massavernietigingswapens, nu een tweede leugen tegen beter weten in door het gehele politieke establishment ondersteund, aldus de ervaren commentator Simon Jenkins in The Guardian: «De troepen moeten in Irak blijven ‹totdat› ze de orde hebben hersteld, de infrastructuur weer opgebouwd en de democratie gevestigd. Let op het woordje ‹totdat›. Het verbergt een bloedovergoten halve eeuw van westerse zelfbegoocheling en arrogantie. De Amerikanen lieten Vietnam en Libanon aan hun lot over. Ze overleefden. Wij hebben Aden, Maleisië, Cyprus verlaten, vaak niet zonder bloedvergieten. We vonden terecht dat ze het zelf moesten rooien. Evenzo behoort Irak aan de Irakezen toe. We hebben daar wel genoeg rotzooi gemaakt.»