Kunst: De Grote Verandering

De Ezelstaart

Het Bonnefantenmuseum heeft met De Grote Verandering een uitzonderlijke tentoonstelling binnen de muren, samengesteld door Evgenia Petrova, de directeur van het Russisch Museum te Sint-Petersburg, en Sjeng Scheijen, de biograaf van Diaghilev, eerder verantwoordelijk voor de tentoonstelling De Sovjet Mythe in Assen.

De twee tentoonstellingen sluiten op elkaar aan: De Grote Verandering toont de uitbundige dynamiek van de Russische kunst in de twee decennia voor de Revolutie, de Asser tentoonstelling laat zien wat er daarna gebeurde, of liever: niet gebeurde.

De Grote Verandering is echter vooral te zien, lijkt mij, als de tegenhanger van de succesvolle Matisse tot Malevich-_tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam in 2010. Daar werd getoond hoe de Russische elite in de decennia voor en na de eeuwwisseling grote hoeveelheden West-Europese kunst – van Picasso, met name – naar Rusland bracht, om er de hoofden van jonge Russische kunstenaars mee op hol te brengen. De tentoonstelling in Bonnefanten poneert de tegen-stelling dat ‘de grote verandering’ in Rusland zich juist op eigen kracht voltrok, en dat veel Russische kunstenaars ten onrechte als provinciale epigoon worden gezien. De dynamo in dat betoog is het werk dat Diaghilev al in de jaren negentig van de negentiende eeuw in Rusland verzette om een eigen kunstdiscours en een eigen tentoonstellingsciruit met eigen tijdschrift(en) en manifesten te doen ontstaan. In die fase waren mannen als Roerich, Vrubel, Bakst, Serov en Kuindzhi al uitgegroeid tot authentieke, zelfs zonderlinge kunstenaars; na 1900 valt de Russische kunstwereld in allerlei stromingen en stroompjes uiteen, meestal onder de kortstondig wapperende vaandeltjes van tijdschriften als _De Ruitenboer of De Ezelstaart. In de twintig jaren die de tentoonstelling bestrijkt is opeens alles mogelijk. Malevich is wel het beste voorbeeld daarvan: er zijn kubistische schilderijen (met koe), studies voor honingzoete Toorop-achtige fresco’s, een grappig schilderijtje van dames in witte jurken op een groen grasveld én een keuze uit zijn briljante suprematistische doeken, die van de muur af spatten.

Het is moeilijk om in die veelheid een lijn te ontdekken, en ik geloof dat dat ook de bedoeling is: hier wordt het suprematisme van Malevich nou juist niet als het onvermijdelijke einde van een radicalisering naar abstractie getoond, maar juist als een van vele oplossingen en richtingen, die uit die periode opwelden. Zijn abstracte composities hangen tegenover die van Kandinsky, maar ook naast de drakerige art-deco van Pavel Filonov. In de veelheid zitten enkele rare zwakke plekken, en er zijn wat schilders die het verdiend hadden met een beter schilderij te worden vertegenwoordigd (Serov, met name), maar er zijn ook klinkende verrassingen onder – de grote intensiteit van Masjkov, bijvoorbeeld, wiens mansportret de poster siert, of de schilderes Elena Guro, nooit eerder van gehoord. Ontroerend en briljant is het abstracte schilderij van Olga Rozanova, één groene baan over een wit vlak, krachtig als een Rothko, verdorie, en dat afkomstig uit het minuscule museum van ­Rostov-Kremlin. De reis waard zijn echter vooral de twee mini-exposities binnen het grotere geheel: Michail Vrubel en Natalja Gontsjarova. Vooral de laatste is onthutsend goed, speels en direct en geestig en vinnig, doet alles, is nergens bang voor. Het is 1911 en het lijkt wat op ‘Picasso’, maar zeg dat niet: het is een volstrekt eigen verbeeldingskracht, eerder ‘oosters’ dan ‘westers’.


De Grote Verandering: Revoluties in de Russische schilderkunst 1895-1917, t/m 11 augustus 2013. www.bonnefanten.nl