De familiegeschiedenis van Wilders leest als een Indische noodlotsroman

Geert Wilders ziet Donald Trump als voorbeeld, onder meer in zijn Twitter-manie. Maar waarin hij radicaal van hem verschilt is de rol die hij in het politieke bedrijf ziet weggelegd voor zijn familie.

‘RTL is ongelooflijk laaghartig tuig’, twitterde Geert Wilders medio februari, ‘om mijn familie bij de campagne te betrekken. Walgelijk.’ Zijn broer Paul was door RTL benaderd voor een interview. In de relatief ontspannen ambiance van een Omroep MAX-talkshow, Tijd voor MAX, raakte Wilders zichtbaar door paniek bevangen toen Paul ter sprake werd gebracht: ‘Ik ga niets zeggen over mijn broer.’ Over zijn ouders heeft hij nooit veel meer kwijt gewild dan dat het ‘hele harde werkers waren. Doorzetters. Gewend aan doorgaan, ook bij tegenslagen.’

Medium hh 62600243
Den Haag Geert Wilders PVV partij voor de vrijheid Tweede kamer 2-2-2017 © Jaco Klamer

Wilders ziet Donald Trump als voorbeeld – onder meer in zijn Twitter-manie – maar waarin hij radicaal van hem verschilt is de rol die hij in het politieke bedrijf ziet weggelegd voor zijn familie. Waar Wilders contact of bemoeienis van journalisten met zijn verwanten ziet als ‘walgelijk’ (een vreemde associatie, met ondertonen van onrein, onaanraakbaar, haram), omringt Trump zich zo zichtbaar mogelijk met zijn kinderen en aangetrouwde familie. Dat deed hij in zijn campagne en dat zette hij voort in de Oval Office. Er wordt over gespeculeerd door de media, die het opvalt hoe openlijk Trump laat zien dat hij zich toeverlaat op zijn inner circle. In The London Review of Books onderzocht journalist Sidney Blumenthal de werkwijzen van grootvader Frederick en vader Fred Trump, die zwendelaars, bordeelexploitanten en gewelddadige racisten bleken te zijn, gelieerd aan de maffia; een onthutsend beeld van Trumps ‘ideologische erfenis’. Afrekenen met Trump betekent volgens Blumenthal: afdalen naar de plek die hem heeft gemaakt tot wie hij is.

Als puber raakte de jonge Trump vervreemd van zijn acht jaar oudere broer Fred Jr. en gedroeg hij zich als een kleine tiran; ‘he would throw the cake at the birthday parties’. Donalds wil was wet. De verleiding is groot om een vergelijking te trekken met Wilders, die als baby verwend was en als puber ‘onhandelbaar’, volgens zijn tien jaar oudere, vervreemde broer Paul, die ook liet weten dat wie Geert tegenspreekt, heeft afgedaan – familie of niet. ‘Hij is altijd gek geweest op macht.’

Afdalen naar de plek die Wilders gemaakt heeft tot wie hij is, heeft nu, na de opkomst van Trump en aan de vooravond van de Tweede-Kamerverkiezingen, een omineuze lading gekregen. Het ligt minder voor de hand om de zoektocht naar de ‘diepe’ oorzaken en grondslagen van Wilders’ missie los te zien van de gelijktijdige opkomst van Trump en figuren in Europa als Le Pen, Farage en Orban. Maar toch: een hier eerder gepubliceerd stuk (in 2009) liet al zien dat net als bij Trump de grootouders in Wilders’ leven van doen kunnen hebben gehad met de deining waarop zijn bootje zou blijven dobberen.

Hun displacedness heeft overigens overeenkomsten met die van de familie Trump. Frederick Trump, die op jonge leeftijd vanuit Beieren naar Noord-Amerika emigreerde en daar fortuin maakte, wilde zich na zijn huwelijk met de jonge Beierse Elizabeth uiteindelijk weer in hun geboorteland vestigen – zij kon niet wennen aan het leven in New York en leed vreselijk aan heimwee. Maar het stel werd met hun dochtertje niet lang na aankomst in Beieren het land uitgezet: Frederick werd ervan beschuldigd zijn militaire dienstplicht met opzet te hebben ontlopen, waardoor hij zijn nationaliteit kwijtraakte. Voor Elizabeth betekende dit dat ze nooit meer in haar moederland zou kunnen leven, te midden van haar Beierse familie; ze werd veroordeeld tot een bestaan in de VS.

Hetzelfde gebeurde in de familiegeschiedenis van Wilders. Ook zíjn grootvader, Johan Ording, werd met zijn gezin voorgoed het land uitgezet waar zijn Indische echtgenote Annie Meijer was geboren en getogen: Nederlands-Indië.

Small 0906 01 stationsstraat  rievers ber

Ording, die adjunct-inspecteur van overheidsfinanciën was in Oost-Java, werd ontslagen nadat werd ontdekt dat hij betrokken was bij grootschalige fraude en corruptie in de dienst. Maar een jaar voordat hij daadwerkelijk ontslagen zou worden was hij – zojuist voor de derde maal failliet verklaard – eerst met vrouw en zeven kinderen met verlof naar Europa gestuurd. Het stel vestigde zich eerst in Nice, waar hij nog een groot bedrag als voorschot wist los te krijgen op het Nederlandse consulaat. Ording kreeg het ontslagbesluit per telegram pas overhandigd in het arme en geïsoleerde Grubbenvorst in Noord-Limburg, waar hij en zijn vrouw heen waren getrokken toen het geld eenmaal op was – omdat hij daar ‘goedkooper meende te kunnen leven dan in Frankrijk’, volgens een ambtelijke missive.

Aan de spoorverbinding Nijmegen-Venlo lag het station Grubbenvorst. Het lijkt erop alsof het echtpaar zich wilde verstoppen. Hun totale schuld in Indië bedroeg bijna honderdduizend euro, omgerekend naar de huidige waarde.

Omdat híj niet geboren was in Nederlands-Indië kregen de 42-jarige Ording en zijn gezin na het ontslag geen passage terug naar Indië vergoed. Voor Annie moet dit nieuws rampzalig zijn geweest. Ze was een tropenkind en ze was sinds haar trouwen gewend geraakt aan een leven in luxe, letterlijk omringd door bedienden. Nu was er geen zicht meer op terugkeer. Het gezin, dat na een tijdje geen geldelijke steun meer kreeg, raakte aan de bedelstaf en dreigde uit de huurwoning te worden gezet. Ording moest zich aanmelden bij het Nationaal Crisis Comité om zijn gezin uit de ’broodnood’, zoals hij het noemde, te helpen.

Bij de fraudezaak die hem werd aangerekend waren waarschijnlijk ook topambtenaren betrokken, de reden waarom Ording snel weg moest én hem de hand boven het hoofd werd gehouden – het was niet de bedoeling dat hij een boekje ging opendoen over de precieze gang van zaken op het Provinciekantoor van Oost-Java. Alleen enkele van zijn ondergeschikten werden gearresteerd, zo rond de datum van zijn vertrek naar Nice. De opvolger van Ording, die in de kwestie als eerste aan de bel had getrokken, durfde jarenlang geen gebak aan te nemen van zijn personeel uit angst dat hij vergiftigd zou worden. De zeer ingewikkelde rechtszaak diende pas in 1939.

Small collectie tropenmuseum portret van leden van het indo europees verbond voor hun clubgebouw in buitenzorg tijdens de iev campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen tmnr 60042110
Portret van leden van het Indo-Europees Verbond voor hun clubgebouw in Buitenzorg, tijdens de IEV campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen © Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Annie moet op dat moment geheel zijn afgekickt van haar comfortabele Indische bestaan. De ironie wil dat ze in de kolonie bestuurslid was geweest van verschillende liefdadigheidscomités voor aan lager wal geraakte Indo’s, zoals het ‘Soerabajase Brokkenhuis’. Toen haar man op nonactief was gesteld en het gezin van Soerabaja verhuisde naar het verre Soekaboemi – waar Wilders’ moeder als zevende kind werd geboren – trad de hoogzwangere Annie toe tot het plaatselijke bestuur van het Indo Europees Verbond Vrouwen Organisatie, de vrouwenafdeling van deze grote sociale en politieke beweging ter emancipatie van Indo’s. Gelijkheid van alle rassen was het belangrijkste speerpunt van deze club, gevolgd door een autonome status voor Nederlands-Indië, met een eigen plek voor Indo’s.

Wat verbazing wekt is dat Ording – in 1919 in de kolonie gearriveerd als gedetacheerde beroepsmilitair in de rang van eerste luitenant in het Nederlandse leger – in 1927 voorzitter werd van de plaatselijke afdeling van het Indo Europees Verbond in de provincieplaats Bondowoso. Dat een totok (nieuwkomer), die pas acht jaar in de Oost was, tot zo’n stap kwam is alleen te begrijpen als wordt stilgestaan bij de twijfels en angsten die hij en zijn vrouw moeten hebben gehad over de toekomst van hun kinderen. Het was voor hen niet ondenkbaar dat ze – als Indo’s – hun geboorteland zouden worden uitgezet als de nationalisten aan de macht kwamen – de politieke onrust in Nederlands-Indië nam in die tijd buitengewone vormen aan.

In de zeven maanden dat het gezin in Soekaboemi verbleef werden er voor omgerekend vijftienduizend euro schulden gemaakt. Ording verklaarde dat dit op het conto te schrijven was van zijn tien jaar jongere echtgenote, die ‘tijdelijk niet geheel toerekeningsvatbaar’ was; misschien een verwijzing naar haar zwangerschap.

De onverwachte verwisseling van het tropische decor voor een boerse en achtergestelde provincie-uithoek, het verlies van haar Indische familie en context en haar drastisch verminderde sociale status moeten hard aangekomen zijn bij Annie. In april 1934, nog in Nice, was ze zwanger geraakt van haar achtste kind. Ze moest in een koude wintermaand gaan bevallen zonder de hulp van haar baboes, zonder de vertrouwde, intieme middeltjes en rituelen van de Indische kraamkamer. En zonder enige luxe.

‘Gesprekken met allerlei onbenullige wezens, die hún gevoelens over rang en positie moeten uiten, dat is eenzamer dan een paradijsvogel in een strontput.’ Zo vatte de schrijver E. du Perron zijn eerste maanden in Indië samen, nadat hij in 1936 zijn land van herkomst na vijftien jaar weer had opgezocht. Zoals altijd draaide alles om geld. Bij het handjevol intellectuelen dat zich in Nederlands-Indië bevond bestond weerzin tegen de vanzelfsprekende aanspraak op voornaamheid bij de nieuwe koloniale klasse, die zich na de Eerste Wereldoorlog had aangediend.

Vóór alles was Indië een klassenmaatschappij. Johan Ording was een gewone onderwijzerszoon uit Utrecht met een goed stel hersens, die een paar mooie kansen had gekregen in Indië – zijn superieuren bleven tot het einde over hem schrijven dat zijn capaciteiten ‘niet ongunstig’ waren. Maar hij en Annie hadden de aanspraak op respect verloren, daar én hier. Ze hadden er op los geleefd, volgens zijn bazen, en dat wilde wat zeggen in Indië. Hij leefde ‘vér boven zijn stand’; hij gaf zich onterecht uit voor ‘Inspecteur van Financiën’ om krediet los te krijgen bij leveranciers; hij ‘nam de zaken licht op’; na zijn drie faillissementen maakte hij nog ‘overal in Soekaboemi schulden’ en lichtte hij het consulaat in Nice op – want al voor zijn afgedwongen vertrek had het gouvernement hem laten weten dat hij niet hoefde te rekenen op een gelijkwaardige functie na afloop van zijn verlof.

Johan en Annie Ordings retraite in de Limburgse provincie weerspiegelt zich in het barre sociale isolement waarin hun kleinzoon Geert Wilders leeft; aangenomen mag worden dat Grubbenvorst anno 1934 en een safehouse in 2017 in de kern hetzelfde betekenen. Ording en Wilders aanvaardden allebei de sociale buitensluiting die volgde op een extreme levensstijl. Voor de grootvader duurde die uitsluiting twaalf jaar, voor de kleinzoon – die er politiek garen bij spint – nu ook. Het is een positie die hem niet moeilijk valt, want zoals hij in zijn autobiografie liet weten was hij op jonge leeftijd al iemand die weinig met gezag van doen had. Een recalcitrant kind. Als nakomertje werd hij vertroeteld. Hij noemde zichzelf een ‘aandachttrekker’, thuis gewend om zijn zin te krijgen. Als elfjarige richtte hij op school een politieke partij op met als programma: ‘Er mag niet meer over het schoolplein worden gefietst. Ook met het door de tuin rennen moet het afgelopen zijn. De mensen denken dat ze alles mogen en kunnen.’

Hoe heeft Annie Ording zich die eerste jaren staande gehouden in Noord-Limburg? Het gezin was al in 1935 verhuisd naar een buitenwijk van Venlo. Het laatste faillissement werd pas eind 1940 beëindigd; het eerste wat Annie deed was een advertentie plaatsen voor een ‘dienstbode, koken geen vereischte’. Haar zeven dochters hoefden niet langer te helpen in de huishouding.

Vér van Indië zouden er geen faillissementen meer volgen. Voorheen waren die – net als de zwangerschappen – een terugkerend refrein geweest in haar huwelijk. De eerste keer dat haar failliete boedel werd geveild was ze pas 23. Annie’s hang naar comfort en luxe had ze vanaf haar huwelijksdag de vrije loop gegeven; haar uitzet bevatte een peperdure Columbia Grafonola – een geïnnoveerd, uit de VS ingevoerd grammofoonmeubel – ‘met 53 uitgezochte platen’, afgezien nog van alle gebeeldhouwde meubelstukken, het kristalwerk, porseleinen serviezen, ‘Japansche pullen’, aquarellen en schilderijen en een ‘muurfontein’ – een lange lijst van overvloed. Haar echtgenoot lijkt een eenvoudiger smaak te hebben gehad: hij was op zijn vrije zaterdagmiddagen in Batavia op het voetbalveld te vinden, in scheidsrechterstenue.

Feitelijk was Johan Ording eind 1913 voor het eerst in Nederlands-Indië gearriveerd, niet als militair, maar op eigen gelegenheid – hij was vertrokken direct nadat de nalatenschap van zijn overleden vader failliet was verklaard. Een halfjaar na aankomst trouwde hij met zijn verloofde Jo Regenbogen, weliswaar ‘met de handschoen’, zoals dat heette (zij – het ‘handschoentje’ – was nog in Den Haag toen het huwelijk werd voltrokken, met een plaatsvervanger voor Johan. Op deze manier konden jonge vrouwen zonder begeleiding op een ‘fatsoenlijke’ manier de oversteek wagen). Jo was een klassiek geschoolde zangeres en zou een succesvolle Indische podiumcarrière tegemoet gaan. Maar binnen een paar weken na haar aankomst in Batavia moest Ording plotsklaps weer terug naar Nederland: de Eerste Wereldoorlog stond op uitbreken en hij was reserve-officier. De oorlog verhinderde het weerzien tussen de twee en in 1917 was ze van hem gescheiden. Een half jaar na Ordings terugkeer naar Indië als reserve-officier trouwde hij in Batavia de zeventienjarige Annie, die heel blij moet zijn geweest met haar pursang.

De turbulente Indische geschiedenis van Johan en Annie Ording was in zekere zin al geschreven. In 1890 publiceerde de befaamde journalist P.A. Daum H. van Brakel, Ing. B.O.W., een koloniale roman over een capabele, Hollandse, pasgetrouwde ingenieur Burgerlijke Openbare Werken, die als gevolg van een met zijn Indische vrouw gedeelde riante levensopvatting te veel schulden maakt, te veel kinderen krijgt, zijn comfortabele levensstijl niet wil opgeven, vervolgens gaat ‘knoeien’ (frauderen) en ten slotte op de rand van ondergang raakt: het gezin verkoopt de laatste bezittingen onderhands en trekt stilletjes in een huisje bij de kampong – ver van de Europese wereld vandaan.

P.A. Daum, een totok, is een sociaal pragmaticus genoemd. Hij kende de Indische samenleving waarover hij schreef door en door; hij had geen illusies daarover, maar ook geen cynisme en vanwege zijn diep doorvoelde realisme werd hij later gewaardeerd door schrijvers als E. du Perron en Menno ter Braak.

Johan en Annie Ording hadden geen idee dat hun leven samen verliep als een eind-negentiende-eeuwse Indische noodlotsroman.

Dat ligt anders bij hun kleinzoon Geert, die zijn leven bewust lijkt te modelleren naar een thriller of avonturenboek, waarin híj de hoofdrol speelt. Als zeventienjarige voor halve dagen aan het werk in de moshav –een soort kibboets – Tomer, in Israël, vond hij in de bus zitten al een beleving, want ‘er zaten altijd wel een paar reservisten bij met mitrailleurs in de hand’. Hij begaf zich volgens eigen zeggen in gevaarlijke situaties: ‘Hoe vaak ik niet in een schuilkelder heb gezeten’, schreef hij (hij zat graag in de schuilkelder omdat die in gebruik was als café, waar iedere vrijdagavond werd ingedronken door de jonge werkers). ‘Ik herinner me ook dat ze mensen van de berg afknalden ’s nachts, nadat er magnesiumbommen werden gegooid, waardoor de hemel verlicht werd. Ik heb daar geen trauma’s aan overgehouden’, aldus Wilders.

Maar niemand anders herinnerde zich Tomer en omgeving destijds als gevaarlijk of de naburige Palestijnen als bedreigend. Wel werd Geert na een tijdje aangemerkt als een autoritaire en asociale egotripper, een ‘baasje’, door zijn kamergenoten. Een andere werker herinnerde zich hem als arrogant en ontoegankelijk.

Het gezin waarin het kind Geert opgroeide was de eerste testground geweest voor zijn fantasieën over dominantie en grandiositeit; in de moshav, te midden van zijn zon zoekende en feestende leeftijdgenoten, stilde hij zijn honger naar alleenheerschappij al op grotere schaal. Zijn volgende project zou de PVV worden: een politieke partij met een grote aanhang en hemzelf als het enige lid.

Johan Ording had een ambtenarenbaan aanvaard en zijn gezin gehuisvest in een bescheiden woning in Venlo, van waaruit de oudste dochter in 1941 trouwde. Pas sinds eind 1940 kon hij weer beschikken over zijn volledige salaris, tot dan toe een zeldzaamheid in zijn getrouwde leven.

Toen gebeurde er iets waardoor zijn leven radicaal zou veranderen – een ommekeer die P.A. Daum niet gauw zou hebben opgevoerd in zijn romans.

In juli 1942 werd Ording op een dag meegenomen door de Duitsers en gevangen gezet als gijzelaar in het Noord-Brabantse kamp Sint Michielsgestel. De bezetter was met gijzelen begonnen in 1940, als represaille voor de internering van Duitsers in Nederlands-Indië. Deze groep ‘Indische gijzelaars’, bestaande uit prominente industriëlen, politici, bestuurders, wetenschappers en kunstenaars, kreeg nu gezelschap van honderden andere mannen uit de vaderlandse midden- en bovenlaag, ditmaal om af te dwingen dat er geen verzetsdaden meer zouden worden gepleegd. Ording is mogelijk geselecteerd als gijzelaar vanwege zijn gouvernementsfunctie in Indië.

Om te tonen dat het ze ernst was executeerden de Duitsers in augustus vijf gijzelaars, na een (mislukte) aanslag van het verzet. Ording moet er getuige van zijn geweest hoe de beruchte SS-chef Rauter – Hitlers vertegenwoordiger in Nederland – persoonlijk op het ochtendappèl aan de gijzelaars kwam mededelen waarom de terechtstelling eerder die morgen had plaatsgevonden; tijdens Rauters optreden werden de mannen door tientallen mitrailleurs onder schot gehouden.

Maar terwijl hij moest leven met de dreiging van een plotseling einde kon Ording ook profiteren van alle contacten, leermomenten en cursussen die het kamp Sint Michielsgestel, bijgenaamd de ‘Volkshogeschool’, te bieden had (aan de gijzeling kwam in 1944 een einde). De gijzelaars hielden elkaar namelijk de hele dag op hoog niveau bezig, met discussies, lezingen, voorstellingen en diverse andere culturele genoegens – alles om de verveling en de wanhoop tegen te gaan. Er werden zodoende politieke allianties gesmeed, carrières gegrondvest en vriendschapsbanden voor het leven aangeknoopt. Zo zou Ording in het kamp de jonge Groningse gedeputeerde en advocaat Nico Bolkestein hebben kunnen leren kennen, wiens Indische vrouw An het met haar kinderen, onder wie zoontje Frits, alleen moest zien te rooien – net als Ordings Indische vrouw Annie met haar kroost. Frits Bolkestein werd een politicus van aanzien en zou later Ordings kleinzoon Geert inwijden in de rechtse landelijke politiek: als mentor, als coach en volgens sommigen zelfs als ‘creëerder’.

Zeker is dat Ordings carrière kort na de oorlog weer een gezwinde vlucht nam, ditmaal in het gevangeniswezen. In januari 1946 droeg het Militair Gezag de gevangenenkampen voor politieke delinquenten (‘foute’ Nederlanders) over aan het ministerie van Justitie. Ording kreeg diezelfde maand een leidinggevende functie in Fort Honswijk, bij Houten, waar NSB-leden waren gedetineerd (verrassend is dat ook Nico Bolkestein zich in 1946 ging bezighouden met de zuivering, namelijk bij het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden). Daarna werd Ording commandant in de strafgevangenis Scheveningen, waar hooggeplaatste NSB-leden en Nederlandse SS’ers en SD’ers vastzaten, evenals de nazi-elite, die op terechtstelling wachtte. Hij voerde er een nieuw bewakingssysteem in: felle verlichting van de ruimte tussen binnen- en buitenmuur en het bevel te schieten op alles wat bewoog. Het aantal ontsnappingen daalde drastisch. Ording deelde persoonlijk pasjes uit, een voorwaarde om de cellenbarakken in Scheveningen te betreden; ‘men begrijpt het groote belang dat juist hier het toezicht het scherpst wordt uitgeoefend’, meldde een krant. ‘Majoor’ Ording hielp het ontsnappen van foute Nederlanders later nog te voorkomen in strafinstellingen in Leeuwarden en in Norg.

In al deze inrichtingen heerste een nogal grimmig regime. Een terugblik uit 1951 op de Bijzondere Rechtspleging – nota bene door een van de uitvoerders – meldt dat de politieke delinquenten tijdens hun gevangenschap harder behandeld waren dan de zwaarste misdadigers. ‘Politiek-maatschappelijk zijn de berechting en bestraffing van “foute” Nederlanders uiterst effectief geweest. Humanitair waren de arrestatie en internering van de “foute” Nederlanders een catastrofe’, concludeerde onderzoeker J. Houwink ten Cate van het Niod.

Johan Ording is vereeuwigd in de memoires van Florrie Rost van Tonningen-Heubel – beter bekend als de Zwarte Weduwe –, Op zoek naar mijn huwelijksring (1997), waarin ze verhaalt over de terechtstelling van haar vriend Rauter, die zélf het commando ‘Feuer!’ had gegeven:

‘De directeur van de strafgevangenis te Scheveningen, de Heer Ording, die gevraagd had om aanwezig te mogen zijn bij de executie van SS-Obergruppenführer Rauter, sprak met diep bewogen woorden over de voorbeeldige militaire houding, waarmee deze man in de dood gegaan was, zoals afgesproken was hij noch geblinddoekt, noch gebonden.’

Een wending in Ordings geschiedenis, die vereeuwiging, die P.A. Daum vanwege de bombast zeker niet zou hebben aangestaan.

Geert Wilders heeft méér gemeen met Trump dan vreemde familieverhoudingen. Ze delen bijvoorbeeld de warme aandacht van David Horowitz, een Amerikaanse extreem-rechtse activist die Trumps Witte Huis aan de gevaarlijke ideoloog Steve Bannon heeft geholpen. Aan de PVV heeft Horowitz de laatste twee jaar circa 150.000 dollar gedoneerd.

Maar de belangrijkste overeenkomst is, niet toevallig, dat beide politici zich alleen voordoen en laten bestuderen als fenomenen: er is geen inhoud, geen verstandhouding, geen consistent betoog of zinvolle dialoog. Er is voornamelijk disruptie en (schijn)beweging: alleen van hun buitenkant kunnen ze bestudeerd en geanalyseerd worden. Daarom zullen de media zich als verslaafd op hun tweets blijven storten. Ze moeten wel. Het is via het – ongefilterde – Twitter dat het gedachtegoed van deze politici aan de oppervlakte komt.

Het is op Twitter dat Geert Wilders zich absoluut en ongehinderd heerser weet in zijn domein, de rechtse politieke arena.

Belangrijkste bronnen

Periodieken:
Nieuwe Venlosche Courant
Limburgsch Dagblad
Het nieuws van den dag
Soerabaijasch Handelsblad
Bataviaasch Nieuwsblad
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië
De Sumatra post
De Indische Courant
The New York Times

Publicaties:
Arthur Blok en Jonathan van Melle: Veel gekker kan het niet worden 2009
J. Houwink ten Cate: ‘De kampen voor ‘foute’ Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog’. 7/2001 Historisch Nieuwsblad
Lizzy van Leeuwen: ‘Wreker van zijn Indische grootouders’, 2009 De Groene Amsterdammer

Archieven:
Nationaal Archief: Archief Commissariaat van Indische Zaken
Persoonlijk archief fam. Van Dijk, Schiedam

Documentaire:
Marco de Vries: Wilders wilde haren 2017
YouTube

Websites:
Geni
Andere Tijden

Met dank aan Marco de Vries
Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877.