Politieke analyse

De fantoompijn van de PvdA

ROTTERDAM – Het heeft twee maanden geduurd. Maar op 7 mei is het dan zo ver. Fractievoorzitter Bert Cremers van de PvdA in Rotterdam zegt het tijdens de herdenking van Pim Fortuyn in de gemeenteraad: ‘Hij heeft de politiek terug in de huiskamer weten te brengen en hoop teruggebracht bij kiezers die hun vertrouwen in de gevestigde partijen hadden verloren.’ Zijn woorden krijgen niet echt veel aandacht, maar de betekenis is er niet minder om: voor het eerst sinds de zesde maart bekent de Partij van de Arbeid van Rotterdam haar nederlaag.

Staat Nederland sinds de zesde mei op zijn grondvesten te schudden, Rotterdam heeft al nauwelijks grondvesten meer. De duizenden Rotterdammers, wachtend voor de condo leanceregisters in dezelfde hal van hetzelfde stadhuis waar het politieke deel van het drama zich voltrok, voltooien de boodschap van 6 maart. Een halve eeuw sociaal-democratisch stadsbestuur: naar de mestvaalt ermee. Nergens is Pim Fortuyn voor het bestel zo’n obsessie als voor de PvdA in Rotterdam.

Een beeld uit betere dagen: Rotterdam, 6 februari. Een rode Engelse dubbeldekker draait weg van de stoep van het stadhuis, behangen met verkiezingsposters van de PvdA. Het is het begin van de gemeenteraadscampagne. Het politieke krachtenveld is helder. Als Fortuyn Rotterdam wint, ligt per 15 mei het ganse land voor hem open. Alleen de PvdA zal bij machte zijn hem tegen te houden. Hans Brinker aan de Maas. Lijsttrekker Els Kuijper, in een cape zo rood als de dubbeldekker, weet zich als geen ander kwetsbaar voor Fortuyns kritiek: de regentenpartij, de partij die alles wat er mis is in de stad zal worden aangerekend. Kuijper en fractievoorzitter Cremers zijn ontzaglijk Rotterdams down to earth en zullen alles doen om het regentenimago af te schudden.

Achter het Centraal Station pikken we Ad Melkert op. Energiek begeeft hij zich naar de bovenverdieping van de bus en neemt, door partijgenoten omringd, onmiddellijk de luisterhouding aan. In het Oude Noorden gaat het gezelschap op de foto bij de Marokkaanse fontein. De sfeer is ontspannen, vol relativering ook. ‘Samen! En Sterk!’, roepen ze in koor. ‘En niet ieder voor zich!’, vult Melkert aan. In de dubbeldekker heerst een uitgelaten stemming. Bekir Celik, gemeenteraadskandidaat nummer 15, meent dat ‘Fortuyn een enorme vergissing maakt als hij denkt dat de multiculturele samenleving nog een issue is in Rotterdam’. Matthijs van Muyen, zittend raadslid en kandidaat nummer 13, is wat voorzichtiger: ‘Fortuyn zou wel eens vijf tot zeven zetels kunnen halen.’

Buiten gaat Melkert voor het eerst zelf iets zeggen, in antwoord op lokale media. Wat vindt hij van het Oude Noorden? ‘Mooie-straat-veel-winkels-maar-er-moet-nog-veel-gebeuren.’ En Feyenoord? ‘Vier-nul moet het wel kunnen worden. Als Emerton zo mooi speelt als zondag.’ En samenwerken met Fortuyn? ‘Dat-zijn-weer-heel-andere-vragen’, wuift Melkert weg en stapt in de gereedstaande dienstauto. Dat is alles. Tot en met 6 maart zal hij zich hier niet meer laten zien.

Op een middag medio februari vertrekken Kuijper, Cremers en een deel van het campagneteam in de wethoudersauto naar het partijbestuur in Amsterdam. Het water staat ze tot aan de lippen. Fortuyn heeft de breuk met Leefbaar Nederland van Jan Nagel overleefd en breekt in de polls door alle grenzen heen. Er is versterking nodig. Er dreigt een dijkdoorbraak!

Ze keren met lege handen terug. De enige zandzakken die worden aangeboden, zijn bewindslieden en kamerleden. Geen extra geld, campagnemiddelen of menskracht.

Tot het laatst blijven ze in Rotterdam hopen op de ‘factor-Kok’. Tevergeefs.

Ruimhartig worden blikken bewindslieden en kamerleden opengetrokken. Ze vormen met raads- en deelraadsleden kleine groepjes die je door de stad ziet zwerven. Van het ene buurthuis naar het volgende wijkproject. Ze zijn afwisselend verrast en verbijsterd, alsof ze helemaal niet acht respectievelijk vijftig jaar aan de macht zijn. Ze persen zich vijftien man sterk in overbevolkte slooppanden. Het lijkt een inburgeringcursus voor startende politici.

Twintig jaar geleden legde landdrost Han Lammers al eens in deze krant uit hoe de PvdA het luisteren tot campagne zou moeten verheffen, vooral als ze haar oorspronkelijke achterban zag vertrekken naar elders. Een vertrek dat bijna altijd samenhangt met thema’s als ressentiment, multiculturaliteit en veiligheid op straat, gedrieën de achilleshiel van de partij. De kern van die luisterhouding is: laat de mensen zeggen wat ze vinden.

De hele campagne is er in Rotterdam op gericht. Een één-op-één-campagne naar Labour-model: geen zalen met spreker, maar kleinschalige activiteiten, werk- en wijk bezoeken, een paar duizend telefoontjes naar de doelgroepen. Desondanks is de meest gehoorde klacht bij de duizenden die Fortuyn herdenken: we mogen niet meer zeggen wat we denken.

Geen wonder. Nog afgezien van de tijdgeest die dwars door iedere verkiezingsstunt heenkijkt, blijken de één-op-één contacten gewoon de structuren te volgen die de partij toch al heeft opgebouwd. Omdat de meeste wijkinstellingen stevig in handen zijn van de PvdA komen de campagnevoerders vooral geestverwanten tegen. En ze zitten goed bij de allochtone gemeenschappen. Daarin is flink geïnvesteerd. ‘Het ligt veel moeilijker met de buitenwijken en randgemeenten waar de authentieke achterban van de PvdA woont’, zal Cremers pas na de verkiezingen toegeven.

Direct na de uitslag treedt plaatselijk PvdA-voorzitter Fred Burggraaf af. ‘Ik kan het gesprek met de Fortuyn-stemmer niet aan’, zegt hij. En dat is wel wat er nu moet gebeuren.’

De ‘Val van de Rode Burcht’, zoals politicoloog Rinus van Schendelen zijn informatieconclusie noemt, voltrekt zich in etappes. De eerste is de poging om na de uitslag alsnog bij Fortuyn aan boord te klimmen. Je kon de wending al zien aankomen op 7 maart, the day after, toen de fractie in shocktoestand bijeen kwam. Alle emoties konden niet verhinderen dat de belangrijkste conclusie was dat het verlies eigenlijk wel meeviel. ‘Er is structureel’, aldus scheidend wethouder Hans Kombrink, ‘eigenlijk niets mis met de wijze waarop tegen de PvdA wordt aangekeken.’ En Gerard Peet, eveneens herkozen als raadslid, zegt: ‘Met elf zetels en met de meeste ervaring zijn wij nog steeds een enorme machtsfactor.’ In de deelraden had de partij zich gehandhaafd en ‘een volledig door Fortuyn gedomineerd college kan het onze mensen in de deelraden knap lastig maken’. Daarom diende ‘binnen’ het college de vinger aan de pols te worden gehouden.

Wekenlang hadden Kuijper en Cremers in alle toonaarden verzekerd ‘dat we onder geen enkele voorwaarde, ook niet met een beroep op de bestuurbaarheid van de stad, met Leefbaar Rotterdam in één college gaan zitten’. Nu ging er een brief de deur uit die begon met ‘Geachte heer Fortuyn. Wij feliciteren u en uw partij en heten u van harte welkom in de Raad’. Er werden nog voorwaarden geformuleerd. Maar de strekking was duidelijk: hier werd een verkiezings belofte gebroken.

Het fractieweekend op 12 en 13 april in de Zuid-Hollandse duinen was bedoeld voor reflectie en zonodig persoonlijke consequenties. Die bleven vooralsnog minimaal. Kuijper en Cremers, de nummers 1 en 2, wisselden, zodat Cremers wederom fractievoorzitter werd, wat hij al was toen Kuijper in het college zat. Samen zouden ze als voorzitter en vice-voorzitter het fractiebureau stevig in handen krijgen.

Maar toen hield Peet, raadslid sinds 1994, het opeens voor gezien. In een persoonlijke afscheidsbrief schreef hij: ‘Ineens begon in de discussie een visie te domineren dat onze verkiezingsnederlaag alleen maar te wijten was aan de toevallige omstandigheid dat Pim Fortuyn in Rotterdam woont.’ Hoewel deelname aan het college allang een gepasseerd station was, werd maar halfslachtig voor de oppositie gekozen. Peet had meer ‘vleesgeworden volksvertegenwoordiging’ in het fractiebestuur willen zien, in plaats van ‘be stendiging van een koers die ook in de vorige periode al werd gevolgd’. Die koers had ertoe geleid dat voorstellen die hij in nauw overleg met buurten en bewoners had ontwikkeld en ingebracht, door PvdA-wethouders werden geblokkeerd. ‘We hadden ons nadrukkelijker de vraag moeten stellen of de verwijten dat we het contact met de stad hebben verloren al dan niet terecht zijn.’

Op 20 april, de eerste ledenvergadering na de verkiezingen, ging fractievoorzitter Cremers ruiterlijk voorop in de zelfkritiek. ‘We hebben de multiculturele samenleving, die wij blijven verdedigen, als een warme deken over de stad gelegd. Maar daar ook heel veel problemen onder geschoven. We kenden de problemen in de stad. Maar we zagen ze niet vanuit maatschappelijke urgentie. We zagen ze vanuit de bestuurlijke invalshoek: we zijn ermee bezig, we komen er wel uit. Dat is het gevolg van te lang besturen. Dat gaat in je aderen zitten.’ Maar meteen klonken weer de vijftig jaren opgerolde mouwen mee toen Cremers vervolgde: ‘We hoeven niet bang te zijn voor een grote wending, daarvoor is ons beleid te stevig verankerd in de stad.’ Het is een soort politiek-bestuurlijke fantoompijn: lijden aan iets waarvan je denkt dat je het nog hebt. De PvdA in Rotterdam waarschuwde Fortuyn voor de laatste keer.

De leden, eveneens nog lang niet toe aan het afscheid van de macht, lieten het ook bij kanttekeningen en welwillende commentaren. Een partijcommissie die de nederlaag zou onderzoeken, zal niet eerder dan in het najaar rapporteren. En verder werden de fractievoorzitter en de vice-fractievoorzitter, de afgetreden afdelingsvoorzitter en het afgetreden raadslid alsmede allen die het folderen en het flyeren ter hand hadden genomen ‘met veel respect’ bedankt. Troostend verwees Els Kuijper naar de Franse partijgenoten, die de veranderingen in de samen leving ook niet goed hadden gezien.

We waren dus niet de enige. Dat werd het plaatselijke zwarte schaap, deelraadvoorzitter Panachio uit Hillegersberg-Schiebroek, te gortig. Hij beklom het spreekgestoelte en nodigde de fractieleiding per motie uit om dan ook verder het voorbeeld van Jospin te volgen door af te treden. Geen applaus dit keer. Geen begrip en geen ‘respect’. Onder doodse stilte liep Panachio naar zijn plaats.