Jan Michael, De kunst van het vliegen

De fatale indringster

Jan Michael

De kunst van het vliegen

Uitg. De Geus, 123 blz., e 16,50

Een boek dat op de cover aankondigt een «openhartige autobiografische novelle» te zijn, zou ik niet gauw gaan lezen als ik de schrijversnaam niet herkende. Jan Michael schreef eerder Amsterdam Blues (1999), waarin Nederland in het algemeen en Amsterdam in het bijzonder wordt bekeken door het scherpe oog van de nieuwkomer, met een mengeling van afkeer en liefde («er wordt van je verwacht dat je op de stoep rechts loopt, zelfs wanneer er een bejaard iemand van de andere kant komt en je hem dus eigenlijk aan zijn buitenkant zou moeten passeren»). Het verhaal van de jonge Engelse vrouw die — na een gevangenisstraf te hebben uitgezeten wegens een kidnap — in Nederland een nieuw leven begint onder een andere identiteit, had iets verleidelijk extreems. Maar vooral viel de roman me op vanwege de radicaal naïeve verteltoon. Een vrouw houdt het hoofd boven water door zich zomin mogelijk mee te laten slepen in een sociaal bestaan. Ze troost zich desnoods met een mooie zwarte inbreker, maar haar devies is en blijft: afstand houden. Na haar verbroken relatie in Engeland is ze nooit meer verliefd geworden. «Dat doe je toch maar één keer? Ik haal seks en liefde nooit door elkaar, het is niet hetzelfde.»

Dezelfde radicale naïviteit kenschetst De kunst van het vliegen. Wat op het eerste oog een autobiografisch verwerkingsverslag van borstkanker lijkt, mondt uit in een bevreemdende persoonlijke afrekening. De compositie van het verhaal suggereert sereniteit en bespiegeling, terwijl steeds meer woede door de zinnen heen begint te klinken. Uiteindelijk is het dan ook de vraag hoe «openhartig» de schrijfster eigenlijk is.

In korte hoofdstukjes, steeds voorafgegaan door een motto (veel Aurelius en Prediker, maar ook Woody Allen en Tolstoj), schrijft Michael over de operatie die ze ondergaat, de reacties van vrienden en het leven erna. «In het begin was ik gewoon gelukkig. (…) Het deed pijn en ik zag er scheef uit, maar hoe vaak krijg je de kans om lovende grafredes te horen voor je dood bent?» Daarna slaan de angst en onzekerheid toe. «Het probleem is niet denken dat je misschien dood gaat; het is denken dat je misschien blijft leven.» Bijzonder aan de wijze waarop zij haar ziekte ondergaat, is allereerst haar aanvaarding. «Ik heb een fantastisch leven gehad en als dit de dood betekent, is het goed, ik kan me erbij neerleggen», zegt ze tegen de arts. Haar troost put ze onder andere uit Prediker: «Alles heeft zijn uur en ieder ding onder den hemel zijn tijd.» Over het feit dat ze «gelooft» (in Amsterdam Blues speelde religie ook een onnadrukkelijke, vanzelfsprekende rol) wordt verder weinig ophef gemaakt. («Andere mensen gingen naar psychologen. Ik ging naar de kerk. Los van God en verering en geloof, houd ik van de manier waarop dat alles in zijn perspectief zet, mijn gezondheid betrekkelijk maakt.»)

Tot zover lijkt De kunst van het vliegen dicht op de huid geschreven. De toon van Michael — nuchter en rücksichtslos tegelijkertijd — dwingt van meet af aan tot dóórlezen. Halverwege de novelle verschuift de aandacht van haar eigen ziekte naar die van haar voormalige geliefde Simon, die te lang met prostaatkanker blijkt te zijn doorgelopen. Hij kiest er, mede onder invloed van zijn nieuwe vriendin Alex, wél voor om het hele behandelingstraject te volgen. Juist omdat tot dan toe contemplatie zegevierde, lijken de passages die over Alex gaan geladen met agressie: «Hij had al verteld dat ze zich erg opmaakte, maar nog schrok ik. Ze was van onze leeftijd, maar volslagen anders, althans aan de buitenkant. Ze had een echt kapsel, een permanent zelfs, was goedgekleed, alles tot in de puntjes verzorgd en ik vermoedde dat ze er niet over zou piekeren om onopgemaakt de deur uit te gaan. Zo te zien zat ze goed in de slappe was. Allemaal van die ouderwetse termen die in me opkwamen, maar ze pasten bij haar. Ik had het gevoel alsof ik een generatie was teruggezet.» Alex betekent het einde van Michaels hechte vriendschap met Simon; ze krijgt hem niet meer te zien tijdens zijn ziekte en op zijn begrafenis mag ze niet bij zijn graf komen. «Mag je zo bezit nemen van een stervende?» vraagt ze zich retorisch af. Niet de kanker, maar de nieuwe geliefde blijkt de fatale indringster.

Het onzegbare van haar woede en verdriet over het verlies van een dierbare vriend doet Michael aanlopen tegen de grenzen van haar mededeelzaamheid. «Dit gedeelte, over Simons kanker, is een half verhaal. Het was erger, maar ik kan mezelf er niet toe brengen om het te vertellen, niet op schrift, niet aan iemand die ik niet kan zien.» Misschien onbedoeld maakt Michael onverwacht aanschouwelijk dat ook openhartig autobiografisch schrijven tot niet méér dan de halve waarheid leidt. Het geeft haar boek een scherp randje, al was het maar omdat je je gaat afvragen hoe het met Alex’ helft zit.