Twee piepjes

De fatale piep

F. van Dixhoorn
Twee piepjes
De Bezige Bij, 40 blz., € 12,90

Als een Nederlandse snelweg een baan smaller wordt, kom je op de linkerbaan de volgende borden tegen: ritsen over 500 meter, ritsen over 300 meter, ritsen over 100 meter en ten slotte: hier ritsen. Op de rechterbaan krijg je de mededeling: geef ritser ruimte. Ik neem aan dat als ik de dichter F. van Dixhoorn naast me in de auto zou hebben, hij geïntrigeerd zou raken door die ritsborden. Omdat ze absurd gearrangeerd aandoen en ook wel grappig zijn in hun ordehysterie.
Van Van Dixhoorn verscheen onlangs de bundel Twee piepjes, die bestaat uit één gedicht van dertig met weinig woorden gevulde pagina’s en leest als een in gebrekkig Nederlands vertaalde gebruiksaanwijzing. Je ziet allerlei woorden waartussen de samenhang lijkt te ontbreken. Die er zomaar neer lijken te zijn geplempt. Maar zo erg is het niet. Zo begint het:
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat
de wat

Deze ouverture wordt op de erop volgende pagina uitgelegd, want daar staat slechts één woord, namelijk: ‘hoed’. Op de pagina daarna lijkt het moeilijk te gaan worden:

ligt
op een dag

  1. naar beneden deel van een huis

Maar het valt allemaal wel mee. Dat cijfer 3 is slechts het vervolg op de titel van het gedicht. Na twee piepjes komt het derde. En zodra je doorkrijgt dat het gedicht als een muziekstuk is genoteerd, en wel een wals, in tegenstelling tot de opera Einstein on the Beach van Philip Glass, waarin een koor voortdurend ‘one two three four – one two three four five six – … two three four five six seven eight’ zingt, tot je er horendol van wordt, wordt het helder en zie je de samenhang wel, of laat je de drang naar samenhang los. En dan lees je hoe Van Dixhoorn beschrijft hoe iemand in zijn huis van de trap naar beneden kukelt en wat voor zich uit raaskalt.

I. van dat genoemde

  1. of bedoelde de aangesprokene het gevoel zelf op het idee te zijn gekomen spannend

En dan op de volgende pagina:
een keer
een onderzoek
mee te maken

  1. daar komt iemand aan

We belanden in het ziekenhuis, een plek vol piepjes, meters en onderzoeksapparatuur, en zien de zaalarts binnenlopen, die zijn patiënt een kwartslag draait en intern onderzoek gaat doen, hetgeen een vernederende exercitie is. Het lijdend voorwerp staart uit het raam en mijmert dan ook:

op een zij
de takken
van de bomen
beginnen lager
dan gewend
noteer een I.

Hij deelt wat hem overkomt op in maten, om orde te scheppen, zoals de autisten van Rijkswaterstaat dat doen met ritsborden, wanneer snelwegen een baan smaller worden.

  1. huid haren ogen
  2. glimlachen een signaal u heeft niets te vrezen kiest u maar en dan kiest u natuurlijk alle zestien

Het zijn stijfbevroren woorden waarbij je, zodra je als lezer in het minimale taalwalhalla van Van Dixhoorn bent binnengedrongen, de vraag wat er bedoeld wordt met ‘alle zestien’ onbeantwoord kunt laten. Behalve dan dat de notatie ‘zestien’ is en niet ‘16’, omdat het getal geen deel uitmaakt van de serie piepjes, maar synoniem is voor ‘een heleboel’. De zaalarts percipieert de patiënt wellicht als een hypochonder, maar beseft niet dat de man die als een vraagteken op zijn bed ligt niets kan met ‘u heeft niets te vrezen’. Omdat het niet concreet is. Omdat het geen maat kent, geen begin en geen eind. Omdat het derhalve een dreigende uitwerking op de toegesprokene heeft. Een politicus mag van zijn spindoctor ook nooit zeggen: ‘Ik ben niet corrupt’, en een wielerploegleider vervloekt zijn topman als deze uit het niets roept: ‘Ik gebruik geen doping.’ Omdat de ontkenning niet bij het publiek beklijft, maar de hete hangijzers ‘corrupt’ en ‘doping’ dat wél doen. Wat ik maar wil zeggen is dat de door Van Dixhoorn opgevoerde patiënt pas begint te vrezen als de zaalarts ’m zegt dat hij niets te vrezen heeft.

Met enig gepuzzel komen we er ook nog achter hoe het met de vermeende aansteller afloopt. Hij verzucht: ‘ik denk niet meer/ I. ik ben nu hier’. Die vaststelling is aangrijpend omdat hij schijnbaar gevoelloos wordt opgevoerd, door de toevoeging van een cijfer. Dat techno-emo komt ook om de hoek kijken aan het slot van het gedicht, dat bestaat uit een tweedelige ‘variatie’. Op de op één na laatste pagina staat:

I. of je terugkomt

  1. of uit noodzaak I. of je terugkomt

en op de laatste pagina:

  1. of uit noodzaak I. of je terugkomt
  2. of uit noodzaak

Het is een op het oog technische kwestie. Het eerste cijfer in de bundel is het cijfer 3, weet u nog? Na twee piepjes kwam het derde. Maar aan het eind van de bundel ontbreekt het cijfer 3. Dan zijn er alleen nog twee piepjes – ‘of je terugkomt’ en ‘of uit noodzaak’. En waarom is dat gegeven uiterst onheilspellend? Omdat we dan de twee woorden teruglezen die aan het begin van de bundel achter het cijfer 3 stonden.

  1. naar beneden

En dan weten we hoe het met de patiënt is afgelopen. De derde piep werd ’m fataal.