De favoriet

Luister naar dit artikel

Zie je niks aan me? Vijf woorden en de boel staat in de hens. Niemand ziet natuurlijk ooit wat aan je, alleen de dingen die je niet wil horen. Zo gauw er actief iets aan je gezien moet worden, is de ander al te laat. Voel je de vraag in je binnenste zelf opborrelen, houd ’m binnen, zoek een kussen.

Ik weet alles op theoretisch niveau, maar in de praktijk vroeg ik ’t gewoon net aan mijn zus. Of ze niks aan me zag.

Onze vader was vandaag zesentwintig jaar dood. Ze kwam hier de trap op gestiefeld. Je gaat stiefelen als je vader al zo lang dood is. En ze zag niks aan me. Terwijl: ik zag alles. Waarom zie je er opeens oud uit? Je bent mijn zusje. Wat is er met je ogen?

Ik wilde het aan haar vragen, maar in plaats daarvan zei ik dat ze er moe uitzag. Of er wat was, ik denk dat ik het gewoon vroeg, terwijl: wij vragen dat soort dingen niet aan elkaar.

Ik ben opeens gek op ‘terwijl’ met een dubbele punt erachter, het voelt alsof ik langzaam de taal aan het hervinden ben waar ik vandaan kom.

Er is altijd wat en dus nooit echt iets. Mijn zus heeft een dienstverlenend beroep en wordt elke dag voor kuthoer uitgescholden. Wel is ze inmiddels gevaccineerd.

‘Nee’, zei ze. Eigenlijk zei ze, zonder het te zeggen: Wat zou er moeten zijn?

Als ik een foto ergens van opzoek, of ’t een beetje stilletjes op een grienen zet, vraagt ze of ik soms in een sentimentele bui ben. Als ik niet op m’n vrolijkst de telefoon opneem, zegt m’n oudste broer dat ik me moet beheersen.

Na de tweede kop koffie – mijn zus is de enige persoon die ik ken die nog twee volle scheppen suiker in haar koffie wil, afgezien van mijn jongste broer, die wil er drie – zei ze: ‘Ik heb een nieuwe manier van mijn ogen opmaken.’

Ze trok haar onderste ooglid omlaag, of nee, dat wat je daaronder hebt.

‘Ik smeer er wat wits op’, zei ze. ‘Je ogen lijken er wat groter door.’

‘O ja’, zei ik. Ik dacht: je lijkt op onze oudste broer. Volgende gedachte: als jij op hem lijkt, op wie lijk ik dan?

Na twee koffie en een glas cola had ik mezelf herpakt. Kom op, het is mijn zus.

‘Ik weet het niet’, zei ik. ‘Het is misschien een beetje blekig.’

Mijn zus zei: ‘Ik heb een nieuwe manier van mijn ogen opmaken.’ ‘O ja’, zei ik. Ik dacht: je lijkt op onze oudste broer

We keken naar buiten, het sneeuwde opeens. Ik zou nooit ‘bizar’ zeggen, want dan zegt m’n zus ‘wat?’ De idioot bizarre dingen die zij meemaakt, terwijl: ze kent het woord ‘bizar’ niet.

‘Zesentwintig?’ zeiden we. ‘Is hij al zesentwintig jaar dood?’

We dronken koffie, cola, keken naar buiten waar het sneeuwde.

‘Hoor je nog weleens van…’

‘Wist je dat…’

Tot ons beider opluchting hield het ook weer op, ons samenzijn. Overal over gehad, of kunnen hebben. Ze was haar autosleutel aan het zoeken. Opeens toch dat geweerschot, mijnerzijds.

‘Zie je niks aan me?’

Meer blanco had ze me niet aan kunnen kijken. Ik schaamde me onmiddellijk. Ze zei: ‘Je hebt een bril op. Ik zag het meteen.’

Ik zweeg in stilte. Zij zocht haar jas, raakte even de mijne aan. ‘Leuke jas.’

‘Ik zal hem voor je bewaren’, zei ik. ‘Als ik hem niet meer draag.’

Ze stiefelde de trap weer af, ik hield de deur voor haar open.

‘Doe je voorzichtig?’

Ik denk dat we allebei denken dat we de favoriet waren van onze vader. Wie de favoriet van mijn moeder was, deed er niet zo toe.

Ik bleef naar haar kijken vanachter het glas. Ze liep om haar auto heen, het was opgehouden met sneeuwen. Altijd die dwangmatige gedachte: kijkt ze of ik nog kijk? En wat dan nog?

Opeens zag ik het, hoe ze het portier opende, haar tas op de bijrijdersstoel gooide. Ze rookte niet meer. Het moest haar ernst zijn, anders had ze het wel gezegd.