Jos Kusters, leraar geschiedenis op het Cambium College in Zaltbommel

De favoriete leraar van schrijfster Lieke Marsman

Ik kom nog wel eens een oud-leerlinge tegen, inmiddels in de vijftig, die ik ooit een nul-plus gaf op een toets. De eerste vraag had ze nog geprobeerd te beantwoorden, maar bij de tweede gaf ze het op en schreef ze: ‘Ik had dit weekend geen zin om te leren.’

Destijds accepteerde ik dat niet, vandaar het cijfer, maar een paar jaar later zou ik hebben gevraagd waar die tegenzin door kwam, naar een oplossing hebben gezocht. Je leert als docent al snel dat alle kinderen anders zijn, dat niet iedereen dezelfde achtergrond heeft. Het Cambium College is bijvoorbeeld een streekschool en veel kinderen komen uit kleine dorpen. Ze raken bedeesd wanneer ze ineens rondlopen op een school met twaalfhonderd andere kinderen. Zulke kinderen zakken weg als je ze niet laat weten dat ze gezien worden, wanneer je ze niet actief aan de beurt laat of ze niet groet bij binnenkomst.

Ik probeerde daarom altijd oog te hebben voor die sociale omgeving, kindgericht te zijn, maar het sloeg nooit om in pamperen. Kindgericht lesgeven kan immers ook betekenen dat je geen eisen meer stelt, want ‘het zou wel eens kunnen mislukken’. Nee, aandacht voor hun sociale omgeving betekent in veel gevallen júist dat je veeleisend moet zijn. Je wilt het beste uit een kind halen, het zelfstandig de wereld in durven sturen na hun schooltijd. Er zijn kinderen die niet opgevoed worden om zelf te leren en besluiten te nemen, laat staan dat ze het overzicht hebben om te zien wat er aan het eind van het jaar bereikt moet worden en met welke kleine stapjes ze daar komen. Pas als ze dat hebben, kun je als leraar loslaten. Het is een geleidelijk proces, waarin de lat steeds hoger komt te liggen en jij als leraar steeds meer naast de leerling komt te staan, als bondgenoot.

Veel leraren gebruiken ieder jaar dezelfde toets. Dat betekent dat een kind de opdrachten en hun antwoorden niet mee naar huis mag nemen, ‘anders weet zijn broertje volgend jaar wat er gevraagd wordt’. Op proefwerken kregen ze van mij nooit alleen een cijfer, maar ook aanwijzingen. Na de bespreking konden ze dan thuis de vragen en hun antwoorden nog eens bestuderen. Dan maakte ik het jaar erop een nieuwe toets.

Elke avond werkte ik tot tien uur, behalve op zaterdag. Proefwerken kregen ze binnen twee dagen terug en ik heb gestudeerd tot de laatste les. Je sociale leven staat, zeker in de periode dat er school is, op de tweede plaats. Daar moet je voor willen kiezen en het kan alleen als je omgeving je daarin steunt.