Tussen de bedrijven door verkocht hij zijn potserijen. Hij had het archaisch taalgebruik van Godfried Bomans anno 1936 - ‘Het wordt dof in mijn hof, maar ik blijf tuinieren.’ Als hij niet in het Torentje zijn zegeningen telde, zat hij op de fiets. Waarom eigenlijk? Hij had toch een auto- met-chauffeur bij de voordeur staan?
Fietsen, zei Van Agt, toen hij uiteindelijk in Japan was geparkeerd, was zijn grote passie, waar helaas niets meer van kwam. ‘Sinds mijn aankomst in Tokio heb ik geen minuut en geen meter meer gefietst en dat is een peilloos offer.’
Wij zijn al die jaren door Van Agt bedrogen. Het was een knetterende leugen. De waarheid stond in het blad De Medische Spiegel, dat de vertrekkende staatsman vlak voor zijn vertrek ondervroeg. Daarin bekende Van Agt dat de zogenaamde passie voor fietsen al die tijd een schijnvertoning is geweest. ‘Jarenlang heb ik het gebruik van het rijwiel gepropageerd. Maar in werkelijkheid zat ik er met tegenzin op, zeker als de weersomstandigheden er niet naar waren. Die maniakale liefde voor de fiets was beeldvorming die ik zorgvuldig heb laten voortleven, omdat zij mij electoraal goed van pas kwam.’