H.J.A. Hofland

De fiksers en de naamlozen

«Als we zo doorgaan, komt er nooit iets van de verandering van Nederland terecht», riep een van de revolutionairen vorige week. Ferry? Winnie? Cor? Mat? Herman? Het maakt geen verschil. Het gaat niet om de spreker maar om de inhoud. Het is een van de verhelderendste zinnen die ik uit deze kring heb gehoord. Ze geloven daar bij de LPF werkelijk nog dat Nederland per revolutie volgens het gedachtegoed van Pim kan worden veranderd. Blijven ze dat doen, dan wordt het helemaal niets met deze partij. Vallen ze van hun geloof, dan wordt het gewoon niets.

Voor een groot publiek is Fortuyn een ziener, een slagvaardig performer, een man met een instinct voor het moment, zelfs een verlosser geweest. De vorm overheerste de inhoud. Met de vorm heeft hij zijn doorbraak geforceerd. Een gemiddelde politicus die met precies hetzelfde programma was gekomen, had er niets van terechtgebracht.

Met de vorm heeft hij twee soorten kiezers aangesproken. De eerste soort bestaat uit een grote massa naamlozen die de moed hadden verloren. Ze voelden zich door «de politiek» irrelevant verklaard, lang voor dit woord in de mode kwam. En als irrelevant beschouwden ze zich ook in de organisaties, de bedrijven, de economische structuur van «de moderne maatschappij». De miljoenen misschien wel, die theoretisch «mondig» zijn verklaard en praktisch over hun lot niets te zeggen hebben. Totaal mondig, niets te vertellen. Just another brick in the wall.

De andere soort is die van de fiksers, die een principieel ander bestaan leiden. Ze hadden de politieke orde van vóór Fortuyn niet werkelijk nodig om hun hoofd moeiteloos ver boven water te houden. Ze runden hun eigen tent of toko, en terwijl ze daarmee bezig waren, hadden ze van de heersende politieke orde alleen last. Praktisch hadden ze, zoals Dahrendorf het noemt, de staat verlaten. Ze hadden de rollen omgedraaid: de staat irrelevant verklaard, zoals ze vaak metterdaad hebben laten zien.

Bij deze succesvolle tent- en tokorunners is daaruit een ambivalentie ontstaan. Ze hadden bewezen dat ze het beter konden maar dat werd door het politiek bestel niet erkend, terwijl nota bene dit bestel zelf «er niks van bakte». Ze kregen een ongelofelijke hekel aan de gevestigde politieke orde, met zijn hooghartige ontoegankelijkheid.

Toen verscheen Fortuyn en verrichtte het wonder. Hij ver enigde de twee zo ongelijksoortigen: de naamlozen die hun vertrouwen in de politiek al hadden opgezegd, en de fiksers die eindelijk de kans werd geboden om te laten zien dat ze het beter konden.

Fortuyn heeft nog gezien wat voor club hij achter zich had verzameld. Hij is ervan geschrokken. Hij, tovenaarsleerling, heeft overwogen «ermee te stoppen». Hij had de openbaring verricht, was van mening dat nu de beurt was aan zijn apostelen om te tonen wat die ervan zouden bakken. Het is een essentieel bestanddeel van het gedachtegoed, dat nu door de apostelen consequent wordt weggemoffeld. Volkert van der G. heeft méér op zijn geweten dan de moord. Hij heeft 1,6 miljoen kiezers de kans ontnomen Nederland met Fortuyn te ervaren. Dat land moet nu door een romancier worden beschreven.

De afgelopen weken hebben we de zelfontmaskering van de elite der fiksers beleefd. Als iemand met een profetische blik dit omstreeks eind mei had voorspeld — met citaten als «dikke lul» en «val dood» uit de denktanks van de LPF — waren de aanklachten wegens demonisering hem om de oren gevlogen; hij had zich de familie Spong, Hammerstein & Moszkowicz niet van het lijf kunnen houden.

De deconfiture zelf is overigens wel voorzien, bijvoorbeeld door Arie van der Zwan. Op 15 juni schreef hij in NRC Handelsblad: «Zal de door Fortuyn gemobiliseerde onvrede nu tot ingrijpende veranderingen leiden? Het ziet er niet naar uit. Het is de vraag of het Fortuyn zelf gelukt zou zijn, de verreikende beloften in te lossen. Zijn opvolgers wagen zich er niet aan.» En dan een paar alinea’s verder: «Dit moet op een deceptie uitlopen.»

Hij heeft gelijk gekregen, maar als je je in zulke bewoordingen uitdrukt, zal niemand dat opvallen. Een beetje schreeuwen, beledigen, demoniseren, een kort gedingetje dat op niets uitloopt — met minder kan een mens niet toe. Bekijken we een half jaar na zijn dood de neerslag van de geest van Pim, dan zien we een elite van elkaar naar de strot vliegende fiksers, verstomd gadegeslagen door de schare der naamloze gelovigen die op de LPF hebben gestemd en even naamloos zijn gebleven.

Het saldo van de LPF is dit. De zelfontmaskering van de fiksers. Een nationaal pandemonium van kleine haat. De naamlozen terug in de naamloosheid. En de eerste christelijke minister-president die zich door twee lekkere meiden laat ondervragen. Tel uit je winst. Eindelijk weer wat te beleven in de politiek.