De films van tegenwoordig

Ik zag met vriend Henk van hondje Bas een film. Hondje Bas was thuisgebleven, heel veel keurige, oudere Diemenaren niet. Mary Queen of Scots in de Omval te Diemen. Er worden overbodige films gemaakt en er worden héél erg overbodige films gemaakt. Die Mary en die Elisabeth, die kennen we nu wel. Dat was een machtsstrijd in de zestiende eeuw en één van de twee eindigt zonder hoofd. Het is niet zo dat zo’n film wordt gemaakt om bioscoopbezoekers iets totaal onbekends voor te schotelen. Na de eerste woordenwisselingen begon ik al te zuchten en Henk zuchtte mee. De keurige Diemenaren – nette kleren aan, de haren opgestoken, een avondje uit – keken ademloos toe. Dat zijn al twee dingen die je danig op de zenuwen kunnen werken, die je recalcitrant maken. Ik kan geen Engels meer horen, zie daarvoor mijn vorige column en een klakkeloos kijkend publiek maakt dat je wilt hoesten, niezen, schoppen. Er liepen op het scherm nogal wat donkere acteurs rond, de ambassadeur van Elisabeth werd nota bene gespeeld door Adrian Lester. Dat zat me dwars. Ik vroeg me af wanneer de slavernij was ingevoerd, ik kwam er niet uit, en ondertussen hadden acteurs en actrices in volstrekt ongeloofwaardige, moeilijke volzinnen allerlei gesprekken. Mopperend liepen vriend Henk en ik terug naar zijn huis. ‘Weet je nog?’ vroeg ik Henk. ‘Cate Blanchett die zegt: “Cat, I have become a virgin.”’ Ja, dat wist Henk nog. Dat waren nog eens tijden.

Later – in de Eifel, waar ik de ene na de andere avond naar rampen- en scifi-films kijk omdat ik daar zin in heb – wond ik me weer op. Waarom, in godsnaam, landen die ruimteschepen vol aliens altijd in de Verenigde Staten? Waarom komt er nooit eens zo'n ding in Lapland terecht? Of Portugal? En waarom zijn het dus ook altijd Amerikanen die de wereld redden? Onuitstaanbaar. Ergerlijk. Ik ben niet gek: ik begrijp het wel, het zijn films die in de VS gemaakt. Maar dan nog. Zo zag ik Independence Day Resurgence. Ik wist niet eens dat die ooit gemaakt was. 2016. Een ongelofelijk slechte, op emoties gemaakte film, vol voorspelbaarheid en vette clichés. Een overbodige film dus. Het enige lichtpuntje werd gevormd door Jeff Goldblum. Ik houd erg van Jeff Goldblum. Hij is één van mijn favorietste acteurs. Scène: Goldblum zit met een aantal andere mensen in een luchtvoertuig dat op de vlucht is voor de verwoesting die veroorzaakt wordt door een ruimteschip van gigantische proporties. Het luchtvoertuig kan in één minuut van de VS naar Engeland vliegen. Hij is doodsbang en toch zegt hij, als hij onder zich de Tower Bridge met veel geraas in ziet storten: ‘Yeah, they always go for the landmarks.’ Meesterlijk! Precies zoals hij een groepje mensen in Jurassic Park II het volgende meedeelt als er gevaarlijke, vleesetende dinosauriërs aan komen stormen: ‘This is as it always goes: first there is “ah” and “oh”, then there is running and screaming.’

De oplossing is, zoals ik de afgelopen weken gemerkt heb, je aandacht te richten op de zogenaamde arthousefilms. Ik ging er een paar zien, zuchtend, ik geef het toe, denkend: ‘Nou sleept zus en zo me weer mee naar zo’n moeilijke film, je zult zien dat-ie nog in zwart-wit is ook.’ In een ver verleden heb ik me intensief beziggehouden met arthousefilms en na die periode wilde ik alleen nog maar blockbusters zien en beroemde acteurs en instortende gebouwen. Ik raakte ontroerd bij Shoplifters en ik verveelde me verre van bij Lazarro Felice. Films over een Japanse familie – maar wie is nu het kind van wie en wie is met wie getrouwd? – die steelt en over een Italiaanse jongen die als een Winnie de Poeh door het leven stapt, van een berg valt en een jaar of veertig later ineens weer opkrabbelt. ‘Lazarro’, zei mijn filmmaat, ‘dat is natuurlijk Lazarus.’ Aha, dacht ik. Geen overbodige films. Tips zelfs, als ik zo vrij mag zijn. Nog te zien in diverse filmtheaters.