Louis van Gaal tijdens een trainingssessie van het Nederlands elftal op het Qatar University trainingscomplex op 6 december 2022 in Doha, Qatar © Koen van Weel / ANP

PSV’er Peter Hoekstra kreeg in de winter van seizoen 1995-1996 telefoon. Of hij bij Ajax wilde komen voetballen, vroeg Louis van Gaal. De Amsterdamse club had net de Europa Cup I en de wereldbeker gewonnen, maar was ontmanteld op de linkervleugel, Marc Overmars had zijn voorste kruisband afgescheurd en buitenste meniscus beschadigd, en zei tegen Trouw dat Ajax zo snel mogelijk een andere Nederlandse spits moest vinden. Dat moest Peter Hoekstra worden, maar niet voordat Van Gaal met Hoekstra’s echtgenote had gesproken, herinnert toenmalig Ajax-voorzitter Michael van Praag zich.

Van Praag kijkt guitig over zijn montuur, probeert een lach te onderdrukken. ‘Ik zal het nooit vergeten’, zegt hij tijdens een gesprek in een café aan de rand van het Amsterdamse Bos. ‘Peter Hoekstra was een heel goede linksbuiten en door onze scouts wisten wij natuurlijk allang hoe hij speelde, maar hij moest van Louis eerst met zijn echtgenote op gesprek komen. Op een gegeven moment hoorde ik Louis door de dunne wandjes van De Meer iets te hard aan haar vragen: “En, houd je écht van hem?”’

‘Na afloop vroeg ik Louis waarom Hoekstra’s vrouw ook op gesprek moest komen. Hij zei: “Als een vrouw niet achter zijn man staat in alles wat hij doet, gaat hij minder presteren, dan kan het thuis onhandig of ongemakkelijk worden. Stel dat ik op vrijdag beslis om zaterdag op trainingskamp te gaan, dan kan hij niet met de kinderen op pad of met zijn vrouw naar een jurkje kijken, dus je moet zeker weten dat zijn vrouw achter het beroep van haar man staat en dat ze niet moeilijk doet als hij weer naar Ajax of het buitenland moet.” Dat is de precisie waarmee Louis te werk gaat en waardoor hij dus ook enorm veel sympathie en goodwill bij die speler en zijn echtgenote kweekt.’

Op een foto van een paar maanden later, genomen op 28 april 1996, houdt Louis van Gaal met twee handen een zilverkleurige schaal vast. Hij zit in zwart pak met rode das op een houten kleedkamerbankje en leunt met zijn rug tegen pisgele vierkante tegeltjes. Rechts van hem zit Jari Litmanen, links Marcio Santos, Patrick Kluivert en Peter Hoekstra. Als je de foto ziet, ruik je het bier dat vlak daarvoor over het glas van Kluivert moet zijn gegutst, de opgedroogde champagne op de plakkerige handen van Litmanen, de natte scheenbeschermers en sokken van Hoekstra. Ajax had net de laatste competitiewedstrijd van Willem II in De Meer gewonnen en was landskampioen. Hoekstra gaf de assist voor het tweede doelpunt – hij speelde een weergaloos eerste half jaar bij de Amsterdammers, was de perfecte vervanger voor Overmars. Van Gaal kreeg gelijk.

Er zijn talloze momenten waarop Louis van Gaal onder het mom van het totale-mensprincipe een situatie naar zijn hand zet, denk bijvoorbeeld aan het boottochtje dat Oranje in Qatar maakte na de achtste finale. Andere trainers willen dat hun spelers vooral met voetbal bezig zijn, maar Van Gaal niet. Het totale-mensprincipe is misschien wel het voornaamste argument om hem ervan te verdenken een groter licht te zijn dan zijn collega’s. Maar in diverse interviews, documentaires en boeken over de Tulpengeneraal wordt het totale-mensprincipe veelal gereduceerd tot ‘de mens achter de speler’, of beter: hoe de randvoorwaarden zo kunnen worden ingevuld dat een voetballer maximaal presteert.

Eigenlijk is het totale-mensprincipe veelomvattender dan die oppervlakkige strekking. Filosoof Thijs Lijster schrijft bijvoorbeeld in het openingshoofdstuk van zijn boek De grote vlucht inwaarts dat door Van Gaals visie het privé-leven van een voetballer ‘schaamteloos wordt geëxploiteerd ten behoeve van de winst’. De omgeving van een speler staat als het ware in dienst van de prestatie, waardoor elke relatie van een Totaalmens betekenisvol moet zijn en rendement moet opleveren, het liefst in de meest pure vorm: een magistrale omhaal of katachtige redding. Eigenlijk is een Totaalmens dus per definitie geen goede vriend of echtgenoot, maar eerder een profiteur van zijn entourage.

Na de eerste WK-wedstrijd laste Van Gaal een familiedag in, na de tweede groepswedstrijd tegen Ecuador deed hij hetzelfde, net als tijdens het WK in 2014. Om de druk van de ketel te halen, een moment van ontspanning te creëren, waardoor de voetballers de eerstvolgende wedstrijd boven zichzelf zouden uitstijgen, in een flow zouden komen, het gevoel hadden niet alleen profvoetballer te zijn maar ook echtgenoot, vader en zoon. De mens achter de voetballer een beetje ruimte te geven, dat hij wordt gewaardeerd om meer dan zijn baltechniek, dat er van hem wordt gehouden, zoals Van Gaal expliciet aan Hoekstra’s echtgenote vroeg.

Maar dat is voor een Totaalmens niet genoeg, alle bijzaken moeten zo worden ingericht dat er niets meer te willen valt. In het boek De hand van Van Gaal beschrijft journalist Hugo Logtenberg hoe Hotel Huis ter Duin, waar Oranje regelmatig verblijft, in 2012 grondig werd verbouwd op aandringen van Van Gaal. ‘Anders gaan we hier weg’, zou de bondscoach tegen de hotelleiding hebben gezegd. De wifi moest worden opgevoerd, zodat de spelers konden gamen en netflixen, en er werd een spelletjesruimte ingericht om het teamgevoel te versterken. In Zomergasten zei Van Gaal over die verbouwing dat de spelers ‘tijdens de vrije uren de dingen kunnen doen die ze ook thuis doen’. Van Gaal regelde een eigen kantoor op de bovenste etage, die hij tot de ‘West Wing’ doopte – naar de vleugel van het Witte Huis waar de Amerikaanse president kantoor houdt.

Het doet allemaal verdacht veel denken aan de vermaarde piramide van Maslow. De twintigste-eeuwse Amerikaanse psycholoog stelt in zijn theorie dat iedereen dezelfde behoeftes heeft en bij voldoening van die behoeftes een niveau op zijn piramide stijgt, met nieuwe dromen en verlangens. Op Maslows laagste niveau draait het nog om voldoende slaap, eten en drinken, elk niveau hoger hunkeren we steeds minder naar fysieke bevrediging en meer naar intellectuele ontplooiing. Pas aan de top van de piramide, een staat die Maslow ‘zelfactualisatie’ noemt, zijn we zo verzadigd dat we kunnen denken aan zaken die op het laagste niveau nog irrelevant leken – wereldkampioen worden kan alleen als Totaalmens.

Maslows piramide zou opgaan voor elk mens, en dus zouden we volgens zijn theorie tot op zekere hoogte allemaal streven naar een niveau van Totaalmensschap. Een blik op sociale media en we zien in elk geval dat we er alles aan doen om de ander ervan te overtuigen dat we Totaalmensen zijn. Denk aan ellenlange updates over een nieuwe baan op LinkedIn, foto’s van avocadotoast en havermelkcappuccino’s op Instagram. Of – minder zichtbaar – we trekken ons terug op een stilteretraite of gaan naar yogales. Allemaal om de beste versie van onszelf te worden, of te doen alsof we dat al zijn. Misschien dat het daarop stukliep tegen Argentinië in de kwartfinale, dat onze jongens in Oranje voor de buitenwereld Totaalmensen waren, op een rustdag foto’s van hun minicruise deelden op sociale media en zeiden te geloven in het wereldkampioenschap, maar in werkelijkheid hadden ze het hoogste niveau van Maslow nog niet bereikt.

Als coach van Ajax geeft Van Gaal aanwijzingen op het trainingsveld, 1993 © Giovanni Piesco / ANP

De Franse filosoof Michel Foucault introduceerde in 1976 de term biopolitiek in La volonté de savoir, het eerste deel van de vierdelige studie L’histoire de la sexualité. Biopolitiek kan worden opgevat als een dominante lijn binnen de westerse politiek die de beheersing van het lichaam centraal stelt om zo het volk in het gareel te houden. Het lijf werd onderworpen aan de macht, een opvatting die Van Gaal er ook op nahoudt: zijn totale-mensprincipe is een moderne exponent van Foucaults gedachtegoed.

Louis van Gaal stelt zijn elftallen niet zozeer samen door te kiezen voor de beste voetballers, maar door voetballers te selecteren die het best in zijn tactische systeem passen. Hij wil zijn spelers normeren en disciplineren. Tijdens een WK leven de voetballers en technische staf in een uiterst streng regime waarin elk detail is uitgedacht, van wie er als eerst mag dineren tot welke kleding er gedragen moet worden. De parallellen met Foucaults biopolitiek kan je ook hier trekken: hij schreef dat overheden hun inwoners dwangmatig onder controle wilden houden, door zo veel mogelijk gegevens te noteren, bij te houden, om burgers het gevoel te geven dat ze onder compleet toezicht stonden en niet zouden rebelleren.

Van Gaal gebruikt daarvoor onder meer het ‘Action Type’, een pseudowetenschappelijke typologische analyse die werd ontwikkeld door volleybalcoach Peter Murphy. Het werkt ongeveer zo. De spelers van Oranje vullen een vragenlijst in, met stellingen als ‘u bent georganiseerd en netjes’ of ‘u bent ongeorganiseerd en slordig’, ‘u bent gewoon’ of ‘u bent uniek’, ‘u staat met beide benen op de grond’ of ‘u bent fantasievol’. Aan de hand van de antwoorden wordt een speler in een van de zestien persoonlijkheidsstijlen ingedeeld. Louis van Gaal is bijvoorbeeld een ‘veldheer’, wat volgens de theorie betekent dat hij onder meer houdt van structuur en controle, dat hij eerlijk en vastberaden is.

Van Gaal gebruikt die analyse vervolgens om een uitgebalanceerde, diverse ploeg samen te stellen. Die pluriformiteit moest het team op het WK resistent maken tegen verschillende onverwachte situaties en tegenslagen, zoals toen de ploeg op achterstand kwam tegen Argentinië en terugsloeg. Een diverse ploeg is over het algemeen beter in staat crisissituaties op te lossen dan een homogeen gezelschap, zoals een hoge biodiversiteit meer weerstand kan bieden tegen een plaag.

In de trainingsleer van Van Gaal herken je de hand van Foucault, zoals de hele samenleving inmiddels doordrenkt is met biopolitiek. Het is zelfs geïnternaliseerd in het hele topsportbestaan. ‘They must take pain that look for any gain’, schreef de Britse dichter Nicholas Breton al in 1577. Ofwel: ‘no pain, no gain’. Om te excelleren, moet een sporter fysiek en mentaal eerst lijden. Dat stipt meteen een ander selectiecriterium van Van Gaal aan: hij kiest de spelers die het meest in vorm zijn, zowel fysiek als mentaal. Ook in dat geval is het lichaam van een voetballer ondergeschikt aan de platneuzige veldheer. Spelers moeten ‘leveren’, hun taak in het teambelang volgens zijn kader vervullen, alleen dan is er plek. Iedereen die zich daaraan conformeert wordt opgenomen in de groep, krijgt alle vertrouwen (neem doelman Noppert). De ketters worden buitengesloten, zoals Cillessen en Wijnaldum overkwam.

Van Gaal gaf twee jaar leiding aan het Duitse Bayern München, 2010 © Mladen Antonov / AFP / ANP

Foucaults biopolitiek wordt verder doorgevoerd in de Van Gaal-doctrine. Ex-profvoetballer Grétar Steinsson ontleedde die methode eens in drie delen: monoloog, dialoog, aanpassen. Als je onder Van Gaal wil voetballen moet je bereid zijn om alle stadia te doorlopen. In het eerste stadium moet een speler zich nederig opstellen, vooral secuur naar hem luisteren, met als doel om een voetballer mentaal af te breken – om een Totaalmens te worden, moet het ego eerst worden gekrenkt. Het team is belangrijker dan het individu, vandaar dat Van Gaal ook de keeper opsomt in zijn opstelling – Oranje speelde in Qatar geen 5-3-2-systeem, maar een 1-5-3-2-systeem.

Het afbreekstadium heeft wat weg van een opleiding aan een militaire academie. Onderzoeken naar dat soort leerstijlen tonen aan dat mensen zich daardoor cognitief snel ontwikkelen en ontvankelijker kunnen worden voor hun omgeving, een beetje meer Totaalmens worden. Nadat het ego is gebroken gaat Van Gaal in gesprek, hij probeert zich te verplaatsen in de speler, zijn persoonlijke levenssfeer te begrijpen, zoals hij bijvoorbeeld deed tijdens het gesprek met Hoekstra’s echtgenote. In het laatste stadium is er ruimte om bij te sturen, afspraken te maken en een team te smeden. Zo creëert Van Gaal uiteindelijk een veilige omgeving waarin iedereen zichzelf kan zijn en boven zichzelf kan uitstijgen, een Totaalmens kan worden, bovenin op de piramide van Maslow terecht kan komen aan de hand van Foucault.

In Zomergasten legde Van Gaal zijn pedagogiek op zijn eigen manier uit. Er is een leerfase, waarin iemand ‘onbewust onbekwaam’ is: het zelfbeeld van een speler is op dat moment nog niet zo ver ontwikkeld dat hij in staat is naar Van Gaals wensen te voetballen. Het uiteindelijke doel is om ‘onbewust bekwaam’ te worden: een speler moet op de automatische piloot voetballen, uit zichzelf de juiste keuzes maken, een robot worden, zoals Van Gaals idool Rinus Michels het noemde. Een voetballer is pas een Totaalmens als hij onbewust bekwaam is, niet meer nadenkt over in welke hoek hij een strafschop schiet, en dat is nou precies wat er tijdens de penaltyreeks tegen Argentinië wel gebeurde: de spelers waren blijven steken in de tussenfase ‘bewust bekwaam’, ze waren in staat die strafschop te nemen maar deden dat niet op de automatische piloot. Het waren nog niet allemaal Totaalmensen.

Wie langer naar Van Gaal kijkt dan gezond is, ziet dat zijn biopolitieke opvatting en totale-mensprincipe zo diep met elkaar verweven zijn dat het eigenlijk een diepe controledrift verhult. Op zijn werkkamer in Stadion De Meer, waar het gesprek met Hoekstra’s echtgenote plaatsvond, hing een bordje aan de wand met daarop de tekst ‘het toeval uitsluiten’ – zijn lijfspreuk, zei hij eens.

De oorsprong van die controledrift ligt in zijn jeugd. Van Gaal werd streng katholiek opgevoed, in een gezin met negen kinderen, zijn ouders hielden er een duidelijke structuur op na, met regels en schema’s, om te voorkomen dat het huis een rommel werd. In Van Gaals vroege tienerjaren stierf zijn vader na een lang ziekbed, zijn eerste vrouw Fernanda liet het leven ook jong. Hij zei daarna herhaaldelijk niet in meer in God te geloven, maar in kwetsbare situaties klampt hij zich nog altijd angstvallig vast aan eeuwig repeterende patronen, om zichzelf tot rust te manen, onbewust bekwaam te blijven, een Totaalmens te zijn.

Je kunt het soms zien gebeuren tijdens persconferenties, als hij in mentaal maliënkolder achter zijn microfoon plaatsneemt en onverwachte vragen afwendt door die als ‘dom’ te bestempelen en vervolgens niet te beantwoorden. Het blijkt uit zijn vertrouwen in data en een pseudowetenschappelijk instrument, de technische staf die tegenstanders op zijn aandringen tot in den treuren analyseert. Niets wordt onder Van Gaals bewind aan het toeval overgelaten, en dat geldt ook voor zijn privé-leven.

Maar zelfs een intrigerende controlfreak als Van Gaal moet soms afbreuk doen aan de normen die hij zelf heeft gesteld. Er was in zijn directieve coachmodel tot nu weinig ruimte voor zijn eigen gevoel, zijn eigen kwetsbaarheid. Dat veranderde toen hij werd gediagnosticeerd met prostaatkanker. Hij zei dat hij zijn ziekte zou ‘managen als een elftal’. In de documentaire Louis zien we hem tegen het eind van de film in een rolstoel achter in een mindervalidebusje zitten. Hij heeft zijn heup gebroken en wordt naar huis gereden, Oranje heeft zich zojuist geplaatst voor het WK. Na een hobbel op de snelweg kermt hij van de pijn, vloekt op de Nederlandse wegen die volgens hem zo slecht onderhouden zijn. Iedereen weet dat de pijn niet door de wegen komt, maar Van Gaal wendt voor het laatst zijn eigen kwetsbaarheid af.

Vanaf dat moment zien we zo nu en dan een ontroerde 71-jarige man, het soort bejaarde dat je het liefst een knuffel wil geven omdat je ziet dat hij eigenlijk nog niet oud wil zijn. Zijn prostaatkanker is de eerste, harde confrontatie met de vergankelijkheid van zijn eigen lichaam, zijn bestaan, hij is misschien kwetsbaarder dan hij altijd dacht. Dat brekende paradigma lijkt door te werken in zijn hele zijn. Van Gaal verzacht, laat soms even zien wat er onder die laag van het totale-mensprincipe en de biopolitiek werkelijk schuilgaat: een emotionele man die eigenlijk zijn hele leven wordt achtervolgd door angst voor controleverlies.

Uiteindelijk is Van Gaal een spiegel voor ons allemaal. We hebben onze angsten die we proberen te managen met drank, vertier of voetbal. We willen de beste versie van onszelf zijn, een Totaalmens worden, bovenin de piramide van Maslow klimmen. We proberen de wereld te begrijpen door ons te onderwerpen aan cijfers, taal, targets of onze partner. Het liefst verbloemen we ons ego totdat dat niet meer mogelijk is, tot we moeten toegeven dat we kwetsbaarder zijn dan we hoopten. Eigenlijk loopt iedereen rond met een flardje Louis, leven we volgens zijn filosofie, en daarmee is hij misschien wel een groter denker dan we ooit dachten. Een professional en idioot in één gedaante, zoals Hugo Borst hem eens beschreef. Of, in elk geval, de beste bondscoach die we ooit hebben gehad.