De filosoof, de macht en het genot

Hans Dijkhuis en Michel Onfray beweren dat de geschiedschrijving van de antieke wijsbegeerte wordt gedomineerd door bange zedenmeesters en platonisten met het hoofd in de wolken. Maar dat beeld weten zij niet omver te werpen.

De wereld is geen goede plek, maar wij hebben het relatief goed voor elkaar. We leven in een democratie, hetgeen inhoudt dat we onszelf besturen, we kunnen onze diepste zielenroerselen aan de openbaarheid prijsgeven zonder opgesloten te worden, en onze materiële welstand grenst aan het absurde, als ik tenminste mag afgaan op de overbodigheid van vrijwel alles waarvoor reclame gemaakt wordt. We zouden dus volmaakt gelukkig moeten zijn, behoudens onze vatbaarheid voor ziekte en de dood. Helaas is de werkelijkheid een andere. De politieke speelruimte van overheden wordt ingeperkt doordat we rekening hebben te houden met ons omringende landen en doordat het wereldwijde netwerk van het Grote Geld bepaalt wat we eten, welke lucht we inademen en met wie we ruzie hebben. Bovendien is de bestuurlijke infrastructuur in Nederland en Europa dermate ingewikkeld geworden dat niemand weet hoe beslissingen tot stand komen en welk effect ze hebben. Staatslieden met visie zijn zeldzaam geworden – want wat zouden ze kunnen uitrichten? – en de middelmaat regeert. Misschien verdienen we niet beter. Geert Wilders is een narcistische gek die de vrijheid van expressie misbruikt, de mannenbroeders in het kabinet zouden hem het liefst de mond snoeren en dan in ene moeite door alles verbieden wat indruist tegen hun benepen moraal. Kunnen we niet omgaan met het kleine beetje vrijheid dat ons nog rest? Plato had voor dergelijke problemen een probate oplossing: schaf de democratie af, laat de polis besturen door filosofen die zich eigenlijk liever zouden wijden aan metafysische bespiegelingen, zorg ervoor dat het land permanent in een staat van koude oorlog met de rest van de wereld verkeert en bied de gemuilkorfde onderklasse gelegenheid zich over te geven aan seks en schranspartijen, mits ze de economie draaiende houdt. De ziel van de samenleving, net als die van de mens, bestaat immers uit drie delen, die Plato heeft vergeleken met een span van twee paarden, Lust en Moed, in de hand gehouden door de strenge menner Verstand. De onderbuik is slechts geïnteresseerd in het bevredigen van lage begeerten, het hart bruist van op zichzelf prijzenswaardige dadendrang maar kent zijn eigen grenzen niet, slechts het koele intellect heeft, krachtens een onfeilbaar inzicht in de Waarheid, het vermogen te bepalen wat goed en slecht is.

Hoewel ik soms hartstochtelijk verlang naar wat meer intelligentie en wijsheid in Tweede Kamer en regering ben ik toch blij dat Balkenende een koopman is in plaats van een filosoof, dat Rouvoet de grondwet respecteert en Klink vooralsnog niet de macht heeft ons het roken en drinken te verbieden. Als we naar Deep Throat willen kunnen kijken, zullen we echter ook de pornografie van Peter R. de Vries en Geert Wilders voor lief moeten nemen. En wie verstandig is, zet zo nu en dan de televisie uit. Het kennisnemen van lelijkheid en domheid is niet verplicht.

Onlangs zijn er twee boeken verschenen die pretenderen een alternatieve geschiedenis van de Griekse filosofie te schetsen. Uit de traditionele handboeken komt het beeld naar voren van een min of meer logische opeenvolging van wijsgerige scholen die steeds voortbouwen op elkaars denken, waarbij metafysische, logische en ethische problemen steeds subtieler geanalyseerd worden. De presocratische natuurfilosofen zochten naar de grondslagen van kosmos en materie, Sokrates zette het Hoogste Goed op de agenda, Plato vond de transcendente Ideeën uit, Aristoteles dacht na over causaliteit, de hellenistische scholen – vooral Stoa en Epicurisme – ontwierpen methoden om tot gemoedsrust te komen, en ten slotte bevredigden neoplatonisme en christendom de behoefte aan mystieke eenwording met het goddelijke. Doordat het christendom uiteindelijk gewonnen heeft, is onze perceptie van de antieke filosofie in sterke mate bepaald door wat de kerkvaders interessant genoeg vonden om te bestuderen. Plato, Aristoteles en gematigde stoïcijnen als Seneca en Marcus Aurelius konden door de beugel, Diogenes de Cynicus, Aristippos de hedonist en Epikouros de materialist vielen af. Daar komt bij dat het christelijke denken in de allereerste plaats gericht is op een spirituele wereld die losstaat van de alledaagse werkelijkheid. Augustinus en Thomas van Aquino, Leibniz en Kant houden zich niet bezig met neuken en eten, maar ook niet met amendementen en tolpoortjes. Thales van Milete viel in een put toen hij naar de hemel keek, Demokritos verwaarloosde zijn tuin, Empedokles sprong in de Etna om zijn onsterfelijkheid aan te tonen en Plotinos schaamde zich voor het feit dat hij een lichaam had. De filosofie is wereldvreemd.

Hans Dijkhuis wil laten zien dat er ook een ander verhaal te vertellen valt. In zijn boek staan de contacten tussen filosofen en machthebbers centraal. We weten dat Pythagoras betrokken was bij het bestuur van de Zuid-Italiaanse stad Kroton, Perikles was bevriend met Anaxagoras, Sokrates werd door een democratische jury ter dood veroordeeld, Plato probeerde invloed uit te oefenen op de tirannen van Syracuse, Aristoteles gaf les aan Alexander de Grote, die op zijn veldtocht werd vergezeld door de filosofen Anaxarchos en Pyrrhon. In hoeverre hebben vorsten en veldheren zich laten leiden door filosofische inzichten? En in hoeverre hebben filosofen vuile handen gemaakt door zich met machthebbers te engageren?

Dijkhuis zag zich geconfronteerd met een bedroevend gebrek aan betrouwbare bronnen. Onze kennis van Sokrates is vrijwel geheel gebaseerd op fictionele teksten, de authenticiteit van Plato’s brieven is omstreden, Alexander de Grote werd al tijdens zijn leven een mythische figuur. Ploutarchos, Athenaios en Diogenes Laertios, geen van drieën briljante denkers, leveren weliswaar tal van vermakelijke anekdotes over, maar zij leefden vele eeuwen na de filosofen over wie ze schrijven. Dijkhuis heeft dit probleem getracht te omzeilen door een hybride boek te schrijven. Aan de ene kant schetst hij een fragmentarisch beeld van de politieke geschiedenis in de Griekse wereld van de zesde tot en met de derde eeuw voor Christus, gelardeerd met speculaties over de rol van filosofen daarin. Aan de andere kant geeft hij een overzicht van de ontwikkeling van de politieke filosofie, waarin vanzelfsprekend Plato en Aristoteles het best uit de verf komen, omdat hun werk nu eenmaal is overgeleverd. Doordat de bespreking van de wijsgerige opvattingen steeds gekoppeld is aan – doorgaans op drijfzand gebouwde – biografische gegevens, is het moeilijk een overzicht te krijgen, zeker waar Dijkhuis neigt tot wijdlopigheid.

Het is ook jammer dat het boek eindigt waar we eindelijk vaste grond onder de voeten zouden kunnen krijgen, namelijk bij de Romeinse filosofen. Van Cicero, een formidabel denker én politicus, kunnen we het leven van dag tot dag volgen. Over Seneca’s positie aan het hof van Nero zijn we goed ingelicht. Keizer Marcus Aurelius schreef een prachtig filosofisch dagboek, en in de vierde eeuw probeerde keizer Julianus, een intellectueel van klasse, het christendom terug te dringen. Dan heb ik het nog niet eens over het ongehoord invloedrijke De civitate Dei van Augustinus en de executie van de aristoteliaan Boëthius door koning Theoderik (begin zesde eeuw). Juist omdat al deze denkers volledig in de Griekse traditie staan, is hun goed gedocumenteerde optreden vele malen interessanter dan de in nevelen gehulde levens van Pythagoras, Damon en Hermias.

De Franse hedonist Michel Onfray is begonnen aan een Tegengeschiedenis van de filosofie, die uiteindelijk zes delen moet omvatten. Het eerste deel leest als een woedend en bij vlagen hilarisch schotschrift tegen alles wat platoons, christelijk of anderszins geborneerd moralistisch is, en pleit indringend voor de vrijheid om een vrolijk kunstwerk van je leven te maken. Met Onfray’s kritiek op metafysische luchtfietserij kan ik van harte instemmen, maar helaas wordt zijn betoog gehinderd door hetzelfde gebrek aan bronnen dat Dijkhuis parten speelt. Zo weidt hij bladzijden lang enthousiast uit over de atomist Leukippos en de hedonist Aristippos, hoewel we hoegenaamd niets van hen weten. Erger is dat hij uitsluitend Franse secundaire literatuur heeft gebruikt die niet altijd even recent is, zodat hij bijvoorbeeld met vuur een freudiaanse theorie over Lucretius gaat weerleggen die geen classicus ooit au sérieux heeft genomen. Verder maakt hij nogal wat slordigheidsfouten, bijvoorbeeld waar hij veronderstelt dat de zogenaamde Villa dei papiri in Herculaneum bewoond werd door de epicureeër Philodemos, omdat daar teksten van hem gevonden zijn. Tot overmaat van ramp is het boek vertaald door iemand die kennelijk geen idee had waar het over gaat, en heeft de uitgever het niet nodig geacht de tekst nog eens door een deskundige te laten bekijken. Dit alles levert proza op dat op veel plaatsen onbegrijpelijk is en hier en daar volslagen nonsens bevat. De vitiis (over ondeugden) wordt vertaald als ‘over de levenswijzen’, Lucretius zou rijmende ‘decasyllaben’ hebben geschreven (in plaats van niet-rijmende hexameters), dichters van subversieve elegieën worden ‘treurdichters’ genoemd, Petronius verschijnt als ‘Petrone’, Augustus en Augustinus worden met elkaar verward.

Dijkhuis en Onfray hebben gelijk als ze beweren dat de geschiedschrijving van de antieke wijsbegeerte wordt gedomineerd door bange zedenmeesters en platonisten met het hoofd in de wolken. Om dat beeld omver te werpen is echter zwaarder geschut nodig dan breed uitgesponnen anekdotes en slecht geïnformeerde tirades.

Hans Dijkhuis
De machtige filosoof: Een andere geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte
Boom, 464 blz., € 29,90

Michel Onfray
Tegengeschiedenis van de filosofie: Antieke wijsgeren
Vertaald door Anne van der Straaten
Mets & Schilt, 284 blz., € 25,-