Nietzsche, goddelijkheid en aftakeling

De filosoof met de hamer

Het leven van Friedrich Nietzsche werd getekend door teleurstelling en overmoed, ziekte en waanzin. Als kind werd hij ‘de kleine dominee’ genoemd, maar later keerde hij zich tegen het geloof, om God uiteindelijk dood te verklaren.

Der kranke Nietzsche, met ook zus Elisabeth, serie van Hans Olde, tussen juni en augustus 1899 © Wikimedia commons

In het najaar van 1888 reist Friedrich Nietzsche naar Turijn. De stad had hem tijdens een vorig verblijf gevoelens van ruimte, vrijheid en trots geschonken; hij genoot van het eten in de trattoria’s en van de beste koffie ter wereld die ze er schonken. Net als vorige keer verblijft hij op een kamer op de derde etage van de Via Carlo Alerto 6, tegenover het imposante Palazzo Carignano. Hij voelt zich, als hij door de schaduwrijke galerijen en over de glinsterende rivieroever loopt, in een jubelende stemming. ‘Ik ben de dankbaarste mens ter wereld’, denkt hij, ‘het is mijn grote oogsttijd. Alles gaat me makkelijk af.’

Hij is eenzaam in Turijn, niemand komt hem opzoeken. Koortsachtig werkt hij aan zijn nieuwe boek, De antichrist, een scheldkanonnade tegen het christendom, en als hij dat af heeft aan Ecce homo, zijn autobiografie waarin hij zich presenteert als tegenhanger van Christus, als een tweede Christus. Met hoofdstukken als ‘Waarom ik zo wijs ben’, ‘Waarom ik zo knap ben’ en ‘Waarom ik zulke goede boeken schrijf’ lijkt hij de spot te drijven met het genre, en met de ijdelheid die de autobiografie onvermijdelijk aankleeft.

Het laatste deel, ‘Waarom ik een noodlot ben’, begint met de beroemde zinnen: ‘Ik ken mijn lot. Eens zal de herinnering aan iets ontzaglijks met mijn naam verbonden worden, – aan een crisis zoals er nog nooit een op aarde is geweest, aan de diepste gewetensbotsing, aan een beslissing, teweeggebracht tegen alles wat er tot dan toe geloofd, geëist, geheiligd was. Ik ben geen mens, ik ben dynamiet.’

De passage spoort met de nieuwe toon die in zijn brieven is geslopen; ze worden steeds agressiever, strijdlustiger en dwingender. ‘Verwijzingen naar zijn goddelijkheid doken hier en daar op’, schrijft Sue Prideaux in haar recente, meeslepende Nietzsche-biografie. ‘Hij begon merkwaardige aanspraken te maken op grond van zijn status en macht.’ Hij leest zijn eigen boeken, vindt ze groots en wordt overweldigd door bewondering voor zijn eigen genialiteit. ‘Over twee maanden zal ik de voornaamste naam op aarde zijn’, laat hij zijn vriend Franz Overbeck weten. ‘Uiteindelijk zou ik veel, veel liever hoogleraar in Bazel zijn dan God; maar ik heb het niet gewaagd mijn privé-egoïsme zo ver door te drijven om ter wille daarvan de schepping van de wereld achterwege te laten’, schrijft hij op 5 januari 1889 aan zijn oud-collega Jacob Burckhardt. De brieven en kaarten die hij rond Kerst verstuurt, ondertekent hij met ‘Nietzsche Caesar’, ‘De gekruisigde’ en ‘Dionysos’.

Burckhardt gaat na ontvangst van zijn brief onmiddellijk naar Overbeck en die spoedt zich naar de psychiatrische kliniek van Bazel. Hij moet Nietzsche spoorslags gaan halen, is het advies.

Een paar dagen daarvoor heeft zich al de meest iconische gebeurtenis uit Nietzsche’s leven voorgedaan, al is het niet helemaal duidelijk wat er precies is gebeurd. De overlevering wil dat Nietzsche op de ochtend van 3 januari 1889 de deur uitgaat en op de Piazza Carlo Alberto ziet hoe een huurkoetsier zijn armzalige paard afranselt. Huilend werpt hij zich om de hals van het dier om het te beschermen – en stort in. ‘De geschiedenis van zijn denken eindigt in januari 1889’, noteert Rüdiger Safranski in Nietzsche: Een biografie van zijn denken uit 2000. ‘Pas daarna begint die andere geschiedenis, die van zijn werking en van de invloed die hij heeft uitgeoefend.’ En die tweede geschiedenis is misschien nog complexer en veelomvattender dan de eerste.

In ieder geval verleende de ‘finale in de waanzin’ het werk van Nietzsche volgens Safranski met terugwerkende kracht een duister aura van waarheid: ‘Daar was kennelijk iemand zo diep in het geheim van het zijn doorgedrongen dat hij zijn verstand erbij had verloren.’ Nietzsche had zich letterlijk waanzinnig gedacht en dat hij na de omhelzing van het paard nog ruim tien jaar zou leven maakte de tragiek des te groter.

En dan was het ook nog eens zo dat de filosoof die in zijn heldere jaren vaak maar zo’n honderd exemplaren van zijn boeken verkocht aan het eind van de negentiende eeuw een beroemdheid werd, een cultfiguur zelfs. De invloedrijke Deense literatuurcriticus Georg Brandes, die het eerder al opnam voor ‘gevaarlijke’ geesten als Kierkegaard, Ibsen, Strindberg, Baudelaire en Dostojevski, ging lezingen over hem geven. De jonge revolutionaire beeldenstormer Harry Graaf Kessler begon het denken van Nietzsche te propageren bij uitgeverijen, in salons en in kunstenaarsateliers. De nieuwe generatie jongeren zag in Nietzsche een vrije, waarlijk individualistische geest, die als alternatief voor god een filosofie bood waarin het leven zelf de uitdaging was, een kunstwerk dat je zelf moest vormgeven; daar waren geen hogere sferen voor nodig.

Nietzsche groeide naast Marx en Freud uit tot de denker met de grootste invloed in de twintigste eeuw. Over geen filosoof werd zo’n vloedgolf aan boeken geschreven. Hij inspireerde schrijvers en kunstenaars als Thomas Mann, Robert Musil, Rainer Maria Rilke, Richard Strauss en Edvard Munch. Van anarchisten tot fascisten, van existentialisten tot postmodernisten, van radicaal rechts tot radicaal links: alle denkrichtingen konden het nodige van hun gading in zijn werk vinden. Linkse denkers werden aangetrokken door zijn verzet tegen essentialisme en zijn nadruk op de plastische natuur van onze identiteit, door zijn antiburgerlijkheid en zijn afkeer van de almacht van de staat. Radicaal rechts kon juist uit de voeten met zijn afwijzing van gelijkheid en de democratische ideeën die daaruit voortvloeiden. Voor iedereen was er een eigen Nietzsche, zo leek het; altijd was en is er wel een reden om zijn werk uiterst actueel te vinden.

‘De slechtste lezers zijn zij die als plunderende soldaten te werk gaan. Ze pikken eruit wat ze kunnen gebruiken, maken wat overblijft vuil en verward en geven af op het geheel’

Die contradicties liggen ook besloten in Nietzsche’s stijl, die eerder metaforisch en literair dan helder en analytisch is. Zijn autobiografie leest als een naargeestige ziektegeschiedenis: hij werd gepijnigd door vreselijke hoofdpijnen, stekende ogen en een steeds verder verminderend zicht, slapeloosheid, verwoeste darmen, geelzucht – de lijst is onuitputtelijk, de ziekteaanvallen kwamen telkens terug, zo heftig dat hij geregeld weken niets anders kon dan op bed liggen, en als hij al kon werken dan slechts een paar uur per dag. De ontdekking van het aforisme was daarom een uitkomst, maar daarnaast incorporeerde hij ook dialogen, fabels, retorische vragen en epigrammen in zijn werk. De discursieve argumentatie liet hij los. ‘Ik benader diepe problemen als koude baden’, stelde hij ooit, ‘snel erin en er dan snel weer uit.’

Maar in Menselijk, al te menselijk (1878), het eerste boek waarin hij aforismen gebruikte, leek hij ook al te voorzien wat de gevaren zijn van zijn fragmentarische stijl. ‘De slechtste lezers zijn zij die als plunderende soldaten te werk gaan’, schreef hij daarin, ‘ze pikken eruit wat ze kunnen gebruiken, maken wat overblijft vuil en verward en geven af op het geheel.’

© Wikimedia commons
© Wikimedia commons

De man die zich later zo vurig tegen het christendom zou keren en zichzelf als ‘de antichrist’ zou betitelen, wordt als kind ingebakerd in religie. Friedrich Wilhelm Nietzsche wordt op 15 oktober 1844 geboren in Röcken, een dorp in Saksen, waar zijn vader, Karl Ludwig, dominee is. Zijn vader heeft zenuwkwalen en verlaat, halfblind en zonder spraakvermogen, vanaf 1848 zijn bed niet meer. Hij sterft als Nietzsche vier jaar oud is, aan ‘Gehirnverweichung’, hersenverweking, de algemene uitdrukking voor een variëteit aan hersenziekten. De tragedie wordt nog groter als zijn broertje Joseph een half jaar later ook nog doodgaat.

De familie moet de pastorie verlaten en trekt in bij Nietzsche’s grootmoeder en twee halftantes in Naumburg. Zijn grootste interesses zijn muziek en theologie, en vanwege zijn ernst en grote religieuze kennis noemen zijn klasgenoten hem ‘de kleine dominee’. Hij is een uitmuntende leerling en krijgt een beurs voor de prestigieuze kostschool Schulpforta, het Eton van Duitsland. Daarna gaat hij klassieke filologie studeren – theologie laat hij al snel vallen – eerst in Bonn, maar al snel in Leipzig.

De toekomst ziet er veelbelovend uit. Op zijn 24ste, hij is nog niet eens afgestudeerd, wordt hij als hoogleraar benoemd in Bazel. Hij raakt bevriend met Richard Wagner en diens vrouw Cosima en wordt een vaste bezoeker van Tribschen, Wagners indrukwekkende herenhuis bij het Vierwoudstrekenmeer. ‘Het Eiland der Gelukzaligen’, noemt hij het, en op een gegeven moment krijgt hij er zelfs een eigen studeerkamer, zijn ‘Denkstube’. Wagner is zijn geestelijke vader; op Cosima is hij verliefd.

In 1872 publiceert hij zijn eerste boek, De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek, waarin hij het neoklassieke beeld van de oude Grieken als oppervlakkig en naïef wegzet. Daarin was alleen oog voor de klassieke orde en niet voor de onderstroom van het dionysische lijden en de chaos. ‘De Grieken kenden en voelden de verschrikking en het afschuwwekkende van het bestaan’, schrijft hij. En juist in de tragedie is Apollo, de god van de beheersing, de intermediair voor Dionysos en weet hij het lijden te verdrijven door het te esthetiseren – precies zoals Wagner volgens Nietzsche doet in zijn opera’s.

Nietzsche legt in het boek ook al de kiem voor zijn kritiek op de moderniteit en haar trouwhartige verbond met de rationaliteit en de wetenschap. De zekerheid van de wetenschap is in zijn ogen een illusie die de mythe doodt, waardoor ‘we vervallen tot een seniele, onproductieve liefde voor het leven’. Want het is de mythe die de dissonantie van de menselijke ziel, de spanning tussen wat hij het apollinische en dionysische noemt, erkent.

Wagner is verrukt van het boek, maar publiekelijk wordt het onthaald op een ongemakkelijke stilte. ‘Het is net of ik een misdaad heb begaan’, merkt Nietzsche erover op. Later wijdt een collega-filoloog een vernietigend pamflet aan De geboorte van de tragedie, dat hij als slechte filologie en wagneriaanse opgeklopte lucht bestempelt. Het boek is, zonder enige wetenschappelijke verwijzingen en notenapparaat, ook ‘de zelfmoordbrief van een filoloog’, aldus Sue Prideaux. Het volgende semester schrijven slechts twee studenten zich in voor zijn colleges.

En dan komt er ook nog een einde aan de gelukzalige drie-eenheid in Tribschen. Wagner verhuist naar Bayreuth, om er zijn droom van een eigen operagebouw te verwezenlijken. Nietzsche vindt de hele onderneming een holle farce, die meer draait om geld, roem en het circus van de beau monde (‘heel het lanterfantende uitschot van Europa’) die er zijn tent komt opslaan, dan om culturele vernieuwing en het zuiverende vermogen van grootse muziek.

Hij werkt aan zijn Oneigentijdse beschouwingen, die in afleveringen het licht zien maar geen weerklank vinden, en wordt steeds meer geplaagd door ziekte en zijn oogaandoening. Hij voelt zich terneergeslagen, ‘want’, schrijft hij, ‘alleen als ik iets produceer, ben ik echt gezond en voel ik me goed. Al het overige is slechte entr’actmuziek’. Steeds vaker verzoekt hij de universiteit dan ook om verlof, tot hij in 1879 zijn ontslag aanvraagt.

Wat heeft hij bereikt, vraagt Nietzsche zich af. Een mislukt professoraat, twee boeken, geen invloed, een afgewezen huwelijksaanzoek aan Mathilde Trampedach – die hij toen overigens slechts drie dagen kende – het knellende besef dat hij zich van zijn ‘vader’ Wagner moet bevrijden. Hij besluit dat het anders moet, dat zijn geestelijke isolement zich moet gaan weerspiegelen in zijn uiterlijke bestaan. Hij wil geen gezelschap, zelfs geen secretaris. Zoals Prideaux schrijft: ‘Niets mocht de intensiteit van de subjectieve ervaring doen verwateren. Waanzin moest worden geriskeerd, als het de vuurproef van kennis was.’

Vasthouden aan de christelijke moraal zonder nog te geloven in de religie zelf, betekent dat je leven op hypocrisie en onwaarheid berust

Nadat hij zijn leerstoel opgeeft, heeft Nietzsche minder dan tien jaar geestelijke gezondheid voor zich. Zijn zwerversbestaan begint. Met ‘de klompvoet’ – een koffer met 104 kilo aan boeken – trekt hij van kuuroorden in de Alpen naar de Franse Rivièra en Italië en weer terug. En hij schrijft met een woeste intensiteit de boeken die ons nog steeds zo bezighouden: De vrolijke wetenschap (1882), waarin hij de dood van God aankondigt; Zo sprak Zarathoestra (1883-85), waarin hij zijn idee van de ‘eeuwige wederkeer’ ontvouwt en de ‘Übermensch’ opvoert; Voorbij goed en kwaad (1886) en De genealogie van de moraal (1887), met zijn verwerping van de traditionele moraal; hij werkt aan De wil tot macht, splitst het materiaal op, waaruit Afgodenschemering en De antichrist ontstaan; en vlak voordat zijn eigen godenschemering inzet rondt hij zijn autobiografie Ecce homo af.

Zijn denken cirkelt rond de dood van God. Rüdiger Safranski laat overtuigend zien dat die doodverklaring eind negentiende eeuw geen nieuwigheid meer is; voor intellectuelen is het eerder een open deur. De natuurwetenschappen bieden in toenemende mate een verklaringsmodel voor de wereld, het denken van Darwin maakt een zegetocht. ‘In plaats van God is nu de aap het thema’, schrijft Safranski. ‘Niet alleen voor de natuur, ook voor de maatschappij, de geschiedenis en de enkeling is God zijn bevoegdheid kwijtgeraakt.’

In de filosofie van Nietzsche gaat het dan ook niet zozeer om de dood van God, maar om de morele revolutie, om de Umwertung aller Werte, de ommunting van alle waarden die erdoor wordt uitgelokt. Nietzsche voorziet een groei van wetteloosheid en betekenisloosheid na Gods dood, een angstaanjagend gebrek aan geworteldheid, met als uiterste consequentie nihilisme. Zijn Übermensch is het antwoord daarop. Die belichaamt het ideaal van de mens die sterk genoeg is om zijn eigen waarden te creëren, sterk genoeg om te leven zonder de troost van de christelijke moraal. Het weinig opwekkende alternatief is ‘de laatste mens’, een wezen dat niet strevend is, geen ambitie heeft en zich overgeeft aan kleine pleziertjes en een obsessie met gezondheid. De Übermensch heeft de religie niet verloren, maar in zichzelf teruggevonden, terwijl de laatste mens geen religie meer kent en alleen het profane leven in al zijn armzaligheid heeft overgehouden.

Maar God mag dan wel dood zijn, de christelijke moraal is dat nog niet. Zijn aanval op het christendom ziet Nietzsche dan ook als noodzakelijk, omdat de christelijke neiging tot medelijden en de verheerlijking van slachtofferschap de levenswil verzwakt en een ‘slavenmoraal’ in de hand werkt. Vasthouden aan de christelijke moraal zonder nog te geloven in de religie zelf, betekent dat je leven op hypocrisie en onwaarheid berust. Het gevolg ervan is ressentiment, de wrokgevoelens van de machtelozen die de middelen ontberen om wraak te nemen.

Gelijkheid en de politieke manifestatie daarvan in democratie zijn voor Nietzsche eenzelfde ‘ziektesymptoom’. Gelijkheid staat voor zwakheid, degeneratie en de dorst naar wraak op de heersende elites, gemotiveerd door ressentiment. Hij waarschuwt dat de toenemend democratische staten in Europa tot bekrompenheid en massahysterie zullen vervallen. Het zijn allemaal gevaarlijke gedachten, die in de Nietzsche-literatuur telkens weer de vraag oproepen of de filosoof met de hamer hier nu beschrijvend of vóórschrijvend is, of hij het over een vergezicht of een schrikbeeld heeft.

Friedrich Nietzsche als soldaat in het Pruisische leger, 1864. Hij diende één jaar als vrijwilliger © Wikimedia commons

Eind december 1888, vlak voordat hij wegzinkt in de waanzin, schrijft Nietzsche in Ecce homo: ‘Als ik de schrilste tegenstelling met mezelf zoek, de onuitroeibare laagheid der instincten, dan vind ik altijd mijn moeder en zuster, – te moeten geloven dat ik met zulk canaille verwant ben zou lasterlijk zijn voor mijn goddelijkheid.’ Het zijn zinnen die zijn zuster Elisabeth voor het publiek achterhoudt, en dat niet wegens Nietzsche’s verwijzing naar zijn goddelijkheid.

Al eerder liet hij zich uit over de ‘Kettenkrankheit’ waar hij aan leed. Daarmee doelde hij op de emotionele band met zijn moeder en zijn twee jaar jongere zus die hem ketende, en waarvan hij zich moest losrukken. Moeder en zuster vormen een ‘volmaakte helse machine’ en hij betoont zich in Ecce homo trots dat hij het er zo goed vanaf heeft gebracht. Het is dan ook van een grote ironie dat juist zijn moeder en zus zich over hem ontfermen na zijn geestelijke ineenstorting. De ‘plunderende soldaat’, waar Nietzsche het over heeft in Menselijk, al te menselijk, dat wordt Elisabeth.

Zij is in 1886 haar echtgenoot Bernhard Förster, een rabiate antisemiet, gevolgd naar Paraguay, waar zij de ‘rein-Arische’ Duitse commune Nueva Germania stichten – een staaltje van ideologische verblinding (zo niet oplichterij) die op een mislukking uitloopt. Na de zelfmoord van haar man en Nietzsche’s val in de waanzin keert Elisabeth terug naar Duitsland om zich op de verzorging van haar broer en zijn filosofische nalatenschap te storten. Zeker na de dood van Nietzsche’s moeder, in 1897, krijgt zij de volledige zeggenschap over zijn werk in handen.

Elisabeth is een daadkrachtige, intelligente vrouw, maar van filosofie heeft ze geen kaas gegeten en ook met de waarheid neemt ze het niet zo nauw. Ze bedenkt niet alleen een lucratief publicatieschema voor Nietzsche’s boeken – mondjesmaat, want nu is er eindelijk honger naar – maar ze schrijft ook het ene na het andere boek vol verzinsels over haar broer en hun innige relatie. Uit de chaotische ‘Nachlass’ – het onaffe manuscript van De wil tot macht; talloze notitieboekjes waarin Nietzsche kriskras aantekeningen maakte – stelt ze haar versie van De wil tot macht samen, en ze weet het ook nog zo voor te stellen dat de nalatenschap de ‘ware’ Nietzsche bevat.

In concurrentie met Cosima Wagner, die in Bayreuth een succesvol Wagner-archief bestiert, verplaatst zij haar broer naar Weimar, waar ze in de villa Silberblick het Nietzsche-archief begint. Ze houdt er elke zaterdag salon, terwijl Nietzsche zich boven het gezelschap bevindt, ‘gescheiden slechts door een paar balken’. Speciale bezoekers vergunt Elisabeth een glimp van de wijsgeer, die, in de woorden van zijn vroege bewonderaar Harry Kessler, ‘een lege envelop, een levend lijk’ is. Na de Eerste Wereldoorlog komt het archief meer en meer in het partijkamp van de nazi’s terecht, terwijl Nietzsche een zelfverklaard ‘anti-anti-semiet’ was en hij het kleinzielige Duitse nationalisme verachtte. In een briefontwerp aan zijn zus van eind december 1887 schreef hij over haar echtgenoot en zijn aanhang: ‘Deze vervloekte anti-semietentronies mogen niet met hun tengels aan mijn ideaal zitten.’

Nietzsche sterft op 25 augustus 1900; Elisabeth overleeft hem nog 35 jaar. In die tijd laat ze stuitend misbruik maken van zijn werk en zijn machtsdenken toepassen op ‘ras’ en ‘volk’. ‘Iedereen in het archief, van de bediende tot de majoor, is een nazi’, noteert Kessler in 1932 ontzet in zijn dagboek. ‘Het is om te huilen!’

Na de besmetting door de nazi’s zouden gelukkig nog vele Nietzsches volgen, al zou het zeker in Duitsland nog even duren voordat er weer enigszins onbevangen naar zijn werk kon worden gekeken. ‘Nietzsche was een laboratorium van het denken’, stelt Safranski, ‘en hij is er nooit mee opgehouden zichzelf te interpreteren. Hij was een krachtcentrale voor de vervaardiging van interpretaties.’ Dat interpreteren gaat tot de dag van vandaag door, net als de polemiek over zijn betekenis, je zou haast van een eeuwige wederkeer spreken, al is die dan niet steeds hetzelfde. Maar wat wil je ook, met een filosoof die kernachtig over zichzelf zei: ‘Ik ben geen mens, ik ben dynamiet.’


Sue Prideaux, Ik ben dynamiet: Het leven van Nietzsche, vertaald door Peter Claessens, De Arbeiderspers, 455 blz., € 41,99;Rüdiger Safranski,_ Nietzsche: Een biografie van zijn denken, vertaald door Mark Wildschut, Atlas Contact, 384 blz., € 17,50