Witte angst in Zuid-Afrika

De fluistering van een schipbreukeling

J.M. Coetzee werd schrijver terwijl in Zuid-Afrika revolutie in de lucht hing. Een reis terug in de tijd naar een gevaarlijk land.

Het is 1986, het jaar waarin J.M. Coetzee zijn roman Foe publiceert. Ik woon in Troyeville, een tamelijk vervallen buurt in het centrum van Johannesburg. Ooit, zo heb ik me laten vertellen, scheurden hier gangsters door de straten, al schietende. De gangsters zijn er niet meer, of ze moeten de gedaante hebben aangenomen van de sloebers die een keer mijn autoradio stalen door nota bene de voorruit kapot te slaan. Deze «gangsters» laten zich overigens alleen ’s nachts gelden. Overdag is Troyeville een oase van rust.
Tegenover mijn huis is een lagere school. Als ik ’s middags wakker word na de vorige nacht avonddienst bij de krant te hebben gedraaid, hoor ik de kinderen spelen. Ik kijk bij het raam van mijn woonkamer naar buiten. Ik zie zwarte en witte jongens en meisjes rennen op een betonnen schoolplein met daaromheen een hoog hek. Achter het hek is een drukke weg. Daarachter is de stad, een netwerk van gebouwen en wegen en auto’s dat zich uitstrekt tot zo ver als het oog kan zien.
Als de avond valt en ik weer bijna weg moet, komt mijn buurman langs. In zijn hand heeft hij een formulier. Het is een aanvraag voor een paspoort. Hij verduidelijkt dat hij zich wil laten omzetten tot wit mens. Thans staat hij geclassificeerd als «bruin mens». Voor het omzetten heeft hij getuigschriften nodig waarin witte vrienden onder ede verklaren dat ze met hem omgaan, dat ze dingen samen doen zoals sporten of restaurants bezoeken. Dat doen we nooit, mijn buurman en ik. Wel komt hij bij mij over de vloer om samen naar sport op televisie te kijken. En ga ik nu en dan bij hem langs, bijvoorbeeld om een huissleutel voor een vriend achter te laten. Zou de rassenpolitie hiervan onder de indruk zijn?
Terugkijkend weet ik het niet meer. Het is heel goed mogelijk dat ik op het formulier heb gelogen en dat ik heb gezegd dat ik vaak met mijn buurman squash en dat men hem daarom wit dient te maken.
De laatste tijd ben ik vaak bij hem. Ik zoek namelijk iemand om tijdelijk in mijn huis te wonen terwijl ik in het buitenland ben. In Amerika ga ik studeren.
Het is 1989, het jaar waarin ik Zuid-Afrika voorgoed verlaat en een jaar voordat J.M. Coetzee Age of Iron publiceert.

Iedereen heeft zijn favoriete Coetzee. Voor mij is dat Foe, een ingenieuze deconstructie van Daniel Defoe’s Robinson Crusoe. Foe is de ultieme zelfbewuste roman, met huiveringwekkend mooie zinnen als: «Cruso rescued would be a great disappointment to the world.» En: «I am cast away. I am all alone.» Het is ook een politieke roman. De verteller, de schipbreukeling Susan Barton, probeert te begrijpen waarom de muiters haar overboord hebben gegooid na controle over het schip te hebben gekregen. Ze peinst: «Those whom we have abused we customarily grow to hate, and wish never to lay eyes on again.»
Waar las ik Foe voor het eerst? Niet op de Afrikaanstalige universiteit in Johannesburg waar ik Engelse letterkunde studeerde. Daar stond het oeuvre van Nadine Gordimer op de lijst moderne Zuid-Afrikaanse literatuur, samen met schrijvers als Alan Paton en Ahmed Essop. Het werk van veel echt radicale schrijvers was verboden, maar dat was niet de reden van Coetzees afwezigheid op de lijst. In the Heart of the Country (1977), Waiting for the Barbarians (1980) en The Life and Times of Michael K. (1983) waren toen al verschenen. De afwezigheid van Coetzee op mijn universiteit zou er eerder mee te maken kunnen hebben dat hij een vreemde eend in de bijt was; niet alleen vanwege zijn excentrieke karakter, maar ook door de unieke plaats die hij toen al in de verpolitiekte canon innam. Coetzee is namelijk geen realistische schrijver. Zijn verhalen zijn allegorisch, parodiërend, filosofisch. Wat dit betreft is zijn werk atypisch voor het grootste deel van de Zuid-Afrikaanse literatuur tijdens de apartheid.
Gordimer, bijvoorbeeld, is bij uitstek een realistische schrijver. Haar romans zijn een accurate reflectie van de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid. Tijdens de apartheid maakte juist dat haar werk en het werk van andere schrijvers zo belangrijk. Het land was immers in de greep van overheidscensuur en propaganda. Wie de kranten in die tijd las, kreeg het beeld van Zuid-Afrika als een welvarend westers land dat even een probleem met «terroristen» had. Auteurs als Gordimer hadden daarom ook als taak zich te gedragen als journalisten: om de werkelijkheid accuraat op te schrijven en te becommentariëren.
Coetzee was anders. Hij was vrijwel onzichtbaar. Zelden liet hij zich uit over de actuele situatie in het land. Politiek geëngageerd kun je zijn werk niet eens noemen. Te meer valt het te omschrijven als literair geëngageerd, zoals Foe. Coetzee worstelde al in de vroege jaren tachtig met zijn schrijverschap. Voor mij was juist deze postmoderne zelfbewustheid interessant, ook omdat zijn werk daardoor diepte gaf aan het discours over de politieke waanzin in het land. En hij was wel degelijk radicaal. Ergens stelt de Engelse literator Elizabeth Lowry dat de metaficties van Coetzee het gevolg zijn van zijn opvatting over de postkoloniale roman, namelijk dat literatuur die iets wil zeggen over de culturele arrogantie van de kolonisator allerminst het realisme als vehikel kan gebruiken. Immers, het realisme is niet ideologisch neutraal. Het is bij uitstek een conventie waarmee westerse schrijvers (sinds Daniel Defoe!) gestalte geven aan hun idee van de werkelijkheid. Dus, wie dat idee aan het wankelen wil brengen, moet een andere vorm kiezen dan het realisme. Representatie is niet voldoende in de postkoloniale literatuur. Er is iets meer nodig, iets complexers.
Dit ogenschijnlijk vrijblijvende spel met metafictie kreeg gestalte in de jaren tachtig in een gevaarlijk land. Revolutie zat in de lucht in Zuid-Afrika. Bommen explodeerden in stadscentra. Babyledematen lagen op het trottoir. Necklace-_moorden vonden plaats. De politie martelde en vermoordde kinderen. Sluipmoordenaars van de regering vergiftigden politici. En ondertussen schreef John Coetzee boeken waarin hij de problemen van tekstualiteit belichtte. Begrijpelijkerwijs kwam er kritiek, van onder anderen Nadine Gordimer, die betoogde dat Coetzee zich in zijn werk keerde tegen alle politieke en revolutionaire oplossingen.
De ironie is evenwel dat juist de waarheid centraal staat in boeken als _Foe
. Je moet wel blind zijn om niet de revolutionaire lijn in deze fenomenale tekst te herkennen. Terug in Engeland legt schipbreukeling Susan tegen over (De)foe uit dat Friday geen tong heeft. Maar juist zíjn verhaal is belangrijk, niet dat van de boerse Cruso. Wie geen verhaal heeft, kan nooit bestaan. De schrijver is de onderdrukker. Friday kan geen woorden vormen, vervolgt Susan, daarom is hij weerloos. Iedere dag weer wordt hij opnieuw gecreëerd conform de wil van de schrijver. Maar wat is eigenlijk de waarheid van Friday zelf?
Tijdens de apartheid was de grote stilte van de onderdrukten oorverdovend. De censuur en propaganda waren allesbepalend. Alleen een fluistering was hoorbaar dankzij schrijvers. Maar dat was genoeg, dat was meer dan genoeg, te oordelen aan Foe, waarin het allemaal draait om de fluistering van een schipbreukeling en slaaf. Vrij zijn, zegt Susan, is een verhaal vertellen. Aldus vindt ze Friday in het huis van Foe, in het donker, liggend op een bed. Dan hoort ze zachte geluiden: vogels, de zee, de wind. Ze legt haar oor tegen zijn mond. En uit zijn mond, waar ze geen adem kon voelen, komen de geluiden van het eiland.

Het is 1995, het jaar waarin ik Zuid-Afrika bezoek en vier jaar voordat J.M. Coetzee Disgrace publiceert. «Welkom terug, meneer!» zegt de politieman op de luchthaven die mijn paspoort stempelt. Er heerst, begrijp ik al gauw, een nieuwe religie: die van de «Regenboognatie». De stemming in het openbare leven is ongekend optimistisch. Ik rijd terug naar Troyeville, naar mijn huis in Appoloniastraat, op de heuvel naast het schooltje. Het ziet er precies uit als toen ik wegging. Een gedachteflits: zou mijn buurman inmiddels een «wit mens» zijn? Is hij het nieuwe Zuid-Afrika «wit» binnengegaan? Heeft dat zijn leven veranderd? Onbeantwoorde vragen. Hij woont er niet meer.
In een euforische stemming, overmand door verlangen naar het verleden doorkruis ik de stad, op zoek naar mijn favoriete plekken. En ze zijn er nog allemaal: Rockystraat in Yeoville, de cafés en discotheken van Hillbrow, de jazzclub in Melville, de boeken verkopers bij het Markettheater. Overal zie ik blije mensen. Ik ben dronken van het nieuwe Zuid-Afrika.
Dat is van korte duur. Enkele jaren later, als de hoorzittingen van de commissie van de waarheid en verzoening zijn begonnen, blijkt hoe broos de droom is. De gruwelijke verhalen en de navrante confrontaties tussen slachtoffer en dader laten zien dat er van een verenigd land geen sprake kan zijn. De schande die je voelt over wat er is gebeurd, is overweldigend.
In de jaren daarna bepalen schuld en straf het publieke debat. Nu staat John Maxwell Coetzee, een man van Afrikaans- en Engelstalige komaf, er middenin. Als zijn creatie, David Lurie, terugkeert naar de stad waar hij ooit professor in de linguïstiek was, is hij een ander mens. De aanval op de boerderij van zijn dochter door zwarte mannen en haar verkrachting markeerden een keerpunt. Als Michael in The Life and Times of Michael K. en als Friday in Foe valt hij terug op de meest basale bestaansvorm denkbaar. Voor hem geen Byron meer en zeker geen meisje als Melanie, tegenover wier vader hij stelt: «I am sunk into a state of disgrace from which it will not be easy to lift myself.»
De geschiedenis weegt zwaar. Herinnering brengt pijn, maar ook soelaas. Op mijn eiland aan het einde van de wereld stond ik vaak ’s nachts naar de slapende stad te kijken. Het was stil. De lichtjes van de wolkenkrabbers schitterden. Een stad met miljoenen levens. Een stad vol gefluisterde verhalen. Dat waren momenten van vrijheid.
Het is 2003, het jaar waarin ik terugdenk aan die tijd en waarin J.M. Coetzee de Nobelprijs voor de literatuur wint. Eindelijk heeft hij het eiland verlaten. Hij woont nu in Australië. Als ik aan John Coetzee denk, aan zijn unieke talent, aan hoe pijnlijk beschaafd hij in zijn zachte stem voor de televisiecamera uitlegt dat hij niet in staat is tot het geven van een antwoord, dan moet ik steeds denken aan de eerste alinea’s van Foe: «Castaway. I am cast away.»