De fluitende neger

Ik ging googelen op ‘Hofland’ en 'neger’.
Dat zit zo. Schrijfster Annemarie Oster kwam in de problemen door een column die ze twee weken geleden in de Volkskrant schreef. Ik lees Oster altijd graag, ook al vind ik het soms irritant dat ze zichzelf - en haar vrouwelijke leeftijdgenoten - zo ostentatief naar beneden aan het schrijven is. Maar goed, het is een stijlmiddel. Overigens heeft Oster ook een even schrijnend als venijnig grappig boek geschreven over de luwte waarin vrouwen zich tijdenlang kunnen koesteren onder de veelzeggende titel Sjans! Het probleem dat ze zich nu op de hals gehaald heeft, ligt in het verlengde van dit eeuwenoude onderwerp dat ook echt 'haar’ onderwerp is. Ik ben nu op een leeftijd aanbeland, schreef ze, dat er zelfs geen neger meer naar me omkijkt.
Ik heb hier hartelijk om gelachen, en moest onmiddellijk denken aan een essay van Hofland. Een van mijn lievelingsessays van hem, al heb ik het nooit meer teruggelezen en kan het best dat het in mijn herinnering nog mooier is geworden dan het al was. Ik heb er hem een keer naar gevraagd, ik geloof zelfs dat ik vroeg of hij niet nog eens zoiets zou kunnen schrijven, desnoods gewoon precies hetzelfde, maar zo werkt het natuurlijk niet in de essayistiek.
Ik heb mezelf ook wel eens bezondigd aan het woord 'neger’. Dat was nog wel in een schrijfklasje, onder leiding van een juf die voortdurend voor de klas haar strakke spijkerbroek aan het ophijsen was waardoor het niet over het hoofd te zien was dat haar gulp openstond. Niet echt een halszaak voor een vrouw, maar toch een beetje gênant. Al hijsende vroeg ze of ik mijn verhaal aan de anderen wilde voorlezen, want er zat zoveel vaart in. Ik kan het verhaal niet meer terugvinden, ik denk dat we nu even zijn aanbeland in het tijdperk dat er nog op typemachines werd gewerkt, maar ik kan me het vagelijk herinneren. En bovendien ben ik ook altijd nogal thema-vast geweest. Mezelf en mijn thematiek een beetje kennende denk ik dat het over een stel ging dat een paar dagen in New York op pad was, dat de man een broodje warm vlees had gekocht bij een karretje op straat en vervolgens last van z'n maag kreeg, hierover ook tijdens de helikoptervlucht die ze samen boven de stad maakten nogal hardnekkig bleef klagen en dat de vrouw steeds heviger begon weg te dromen bij de aanblik van de neger die de helikopter bestuurde.
Neger, inderdaad. Ieder adjectief laat ik nu weg, om het niet nog erger te maken.
Er viel een onheilspellende stilte toen ik uitgelezen was.
Tot het vervelendste meisje van de klas, hennahaar, zeurstem, mintgroene trui, niet-kunnende-schrijven bovendien, haar keel schraapte en zei: 'Ik ben geschokt. Neger.’
De anderen waren het er al snel over eens dat het inderdaad niet kon. Het verhaal werd stilletjes afgevoerd.
Na de les kwam een jongen naar me toe. Of eigenlijk een man. Oké, het was een neger. De enige neger in de groep. Tijdens de discussie over mijn verhaal had hij er het zwijgen toe gedaan. Hij zei sowieso eigenlijk nooit wat, en had ook nooit zijn huiswerk gedaan. Maar nu sprak hij me dus aan. Of hij me naar huis mocht brengen. Hij was niet alleen de enige neger in de groep, hij was ook de enige die met de auto naar dit schrijfklasje kwam. Zelf woonde hij vlakbij, maar hij wist dat ik in een heel andere stad woonde.
Of het voor hem niet om was, vroeg ik nog.
Het hele begrip 'om’ kwam niet in zijn vocabulaire voor.
Hoflands essay ging over de onmisbaarheid van negers in het bestaan van vrouwen. Van negers die vrouwen nafluiten op straat welteverstaan.
En dus zat ik even later in een auto, een heel snelle grote auto, met zachte witleren bekleding, en een dashboard met een duizelingwekkende hoeveelheid glimmende knoppen. Nog even later bevond ik me op de snelweg, liet ik me meevoeren over de snelweg, in die vreemde auto, met die vreemde man achter het stuur. Ik moest denken aan de rijlessen die ik op Curaçao had gehad, van meneer Roosje, hoe lekker die rook, en hoe sexy ik het vond dat hij met één hand stuurde en de andere arm zo'n beetje uit het raam liet hangen. Maar we waren hier niet op Curaçao, ik had net een baby gekregen, die moest zo gevoederd worden, er werd thuis op me gewacht.
Toen we bij een tankstation stopten en ik alleen in de auto achterbleef, sloeg de vervreemding onverbiddelijk toe. Wat als ik nu zou verongelukken? Niemand zou begrijpen wat ik deed, in deze auto. Toen ik hem terug zag komen lopen, begon ik van de zenuwen bijna keihard te lachen. Hij was best groot. Hij had chocola voor me meegenomen. En zei opeens iets. Hij zei dat hij altijd zijn armen om me heen wilde slaan als hij mijn verhalen las.