De fnv staat er gezond voor

Twee maanden geleden kapittelde FNV-voorzitter De Waal het kabinet over de wijze waarop de sociale zekerheid werd uitgeleverd aan de markt. De FNV was eens in de praktijken van arbodiensten gedoken. Deze diensten registreren sinds de privatisering van de Ziektewet het ziekteverzuim, begeleiden werknemer en werkgever en adviseren over preventie. Wat bleek? Om in de concurrentieslag overeind te blijven, laten de arbodiensten hun oren te veel hangen naar de werkgever. En dus komen de belangen van werknemers onder druk. Reden, aldus De Waal, om de zaak nog eens te heroverwegen.

Afgelopen week zette diezelfde FNV haar handtekening onder een contract met de werkgeversorganisaties, waarin de uitvoering van de sociale zekerheid aan de markt wordt overgelaten.
Vanwaar deze ommezwaai? Tussen die twee momenten bepaalde het kabinet zijn standpunt. Daarin staat dat marktpartijen heel goed de uitbetaling van uitkeringen voor hun rekening kunnen nemen benevens de bemiddeling van mensen die op zoek zijn naar een baan. Maar ook dat de beoordeling of iemand recht heeft op een uitkering en in hoeverre iemand arbeidsongeschikt is niet in commerciële handen mag komen. Als dat wel gebeurt, wordt het oordeel over het recht op uitkering te zeer afhankelijk van de commerciële belangen van de verzekeraar en diens opdrachtgever, de werkgever. En die zijn allebei gebaat bij zo weinig mogelijk uitkeringen. Die zogeheten claimbeoordeling moest volgens het kabinet dus in een onafhankelijk instituut worden ondergebracht. Als dat geregeld is, zo meende het kabinet, kan de werkgever, die de premies betaalt, opdrachtgever van de verzekeraar worden. Daarmee was de rol van werknemers in de sociale zekerheid uitgespeeld. Dat plaatste de vakbeweging voor een dilemma: of kiezen voor een onafhankelijke claimbeoordeling, maar daarmee de eigen rol opgeven; of kiezen voor volledige marktwerking in ruil voor een plek aan de onderhandelingstafel. De FNV-onderhandelaars kozen voor het laatste. Met de werkgevers kwamen zij overeen dat werknemers partij zijn bij het afsluiten van contracten tussen bedrijven en verzekeraars. In ruil daarvoor krijgen de verzekeraars de claimbeoordeling. Om te voorkomen dat die beoordelingen onder druk komen, moeten ze worden ondergebracht in een apart dochterbedrijf dat geen winst mag maken. Ook de privacygevoelige gegevens van werknemers mogen niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt. Een ‘historisch compromis’, meende de Volkskrant. Veel beter ook dan het kabinetsplan, dat met het apare keuringsinstituut weer een rare knip in de uitvoering legde. De één-loketbenadering van de sociale partners is, in combinatie met marktwerking, immers een veel betere garantie dat de reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten slaagt.
Toegegeven, de constructie die het kabinet kiest verdient geen schoonheidsprijs. Die riekt naar het achteraf zo veel mogelijk repareren van de ongewenste gevolgen van te ver doorgeschoten marktwerking. De oplossing van werkgevers en werknemers heeft in elk geval de charme van de eenvoud.
Die opvatting wordt niet gesteund door de praktijk. Die laat zien dat er geen concurrentie ontstaat, maar een verdeling van de markt tussen drie of vier grote conglomeraten van verzekeraars en de oude uitvoeringsorganisaties als GAK en Cadans. Het centrale adagium daar is het voorkomen van uitkeringen. De werkgever draagt daaraan zijn steentje bij door strengere selectie aan de poort, de commerciële uitvoerders van de verzekeringen door scherpe keuring. Officieel zijn die keuringen strikt gescheiden van de commerciële activiteiten. Maar ze ontsnappen daarmee niet aan de veranderde bedrijfscultuur. In de woorden van een GAK-medewerker: 'Keur je iemand voor vijftien procent af, dan is er niemand die ernaar kijkt. Keur je iemand volledig af, dan wordt die beslissing twee keer tegen het licht gehouden. Dat zijn de ongeschreven wetten. Als je geen moeilijkheden wilt, moet je weinig afkeuren.’
Is dat een wonder? Nee, het past in het gedeelde belang van werkgever en verzekeraar om de schade zo veel mogelijk te beperken. Tegen die logica wil de vakbeweging een dam opwerpen door mee te praten over het verzekeringscontract. Dat zal nog wel lukken zolang het gaat om werknemers met een behoorlijke arbeidsmarktpositie. Voor hen wil de vakbeweging zich blijven profileren als zaakwaarnemer. De zwakkeren hebben van deze keuze weinig te verwachten. Een historisch compromis. Inderdaad. De vakbeweging heeft haar marktsegment bepaald.