De fortuinzoekers

Weinig mensen ontkomen aan de fascinerende werking van geld. Maar zo totaal geobsedeerd als de Portugese oplichter Artur Alves Reis en zijn Nederlandse handlangers zie je ze niet veel. Reconstructie van een vrijwel perfecte valsemunterij.
VALSEMUNTERIJ op grote schaal is normaal gesproken voorbehouden aan staten. Door een vijandelijk land te overvoeren met eigen bankbiljetten wordt de vijandelijke economie totaal ontwricht. In 1928 bracht Stalin valse Duitse marken en dollarbiljetten op de markt via een in Russische handen geraakte bank in Berlijn. Ook Hitler zag veel in dit strijdmiddel: aan zijn monetaire genie Friedrich Walter Bernhard Kruger gaf hij in de oorlog opdracht tot Operatie Bernhard, gericht op het op de markt brengen van honderdvijftig miljoen valse Britse ponden en een even illuster bedrag aan US-dollars.

Ook in de hedendaagse internationale verhoudingen is het spookbeeld van deze vorm van pecuniaire guerrilla niet verdwenen: drie jaar geleden luidde Vladimir Zjirinovski nog de alarmklok over een Amerikaans komplot ter liquidatie van de roebel door middel van stelselmatige toevoer van artificiele exemplaren door de CIA.
Het meest ambitieuze en voor zover bekend ook meest geslaagde staaltje werd echter geleverd door een kleine particulier uit Lissabon. Bijgestaan door een aantal vertrouwelingen organiseerde Artur Virgilio Alves Reis, zoon van een boekhouder annex begrafenisondernemer, midden jaren twintig een surrealistische coup d'etat op de nog jonge Portugese republiek en haar kolonien.
Alves Reis was een vervalser pur sang. Zijn kracht zat hem niet zozeer in zijn technische kunnen, maar in de intensiteit waarmee hij zijn creaties voor echt wist te verslijten. Dit talent verried zich meteen bij zijn eerste grote vervalsing in 1916. Hij was twintig jaar oud, de Grote Oorlog woedde en Alves Reis dreigde als soldaat te worden opgeroepen. Om dit te voorkomen huwde hij haastig en solliciteerde hij naar een overheidsbetrekking in de kolonie Angola. Ter ondersteuning van zijn sollicitatie voegde hij een diploma van de Polytechnic School of Engineering in Oxford bij, met graden in onder meer geologie, natuurkunde, metallurgie, wiskunde, paleologie, elektrische werktuigkunde, chemie en toegepaste mechanica. Het getuigschrift was met de typemachine en de lijmkwast in elkaar gezet, maar niettemin goedgekeurd door een bevriende notaris, die het royaal van stempels had voorzien.
In november 1916 vertrok Alves Reis met vrouw naar Angola, om ambtenaar publieke werken te worden in Luanda. Hij had een zeer bescheiden klerkenbaantje, maar als enige met een Oxford-graad in heel Angola steeg zijn ster alras. Toen bekend werd dat hij zich onder meer had gespecialiseerd in het technisch ingenieurschap kreeg hij een bijbaan ter reparatie van de locomotieven van de Angolese Spoorwegen. Die stonden te verroesten omdat niemand wist hoe ze werkten. Niet gehinderd door welke technische vooropleiding dan ook stortte Alves Reis zich op zijn nieuwe taak. Hij maakte er nog wat van ook. Het leverde hem een promotie tot hoofdingenieur van de Angolese spoorwegen op. Als zakenman verdiende hij een aardig centje bij door oude tractoren op te kopen, te laten opknappen en weer als nieuw van de hand te doen. Ook een handeltje in jute zakken (die eigenlijk van verzwaard papier waren) bleek lucratief. Al in 1918 kon hij in zijn geboortestad een huis met twaalf kamers kopen.
In Angola werd hij zakelijk leider van de nationale spoorwegmaatschappij, de Ambacca. Het was een volkomen failliete boedel, ware het niet dat de bedrijfskas net was gespekt met een subsidie van 100.000 dollar uit het moederland ter bestrijding van opgelopen tekorten. Met een deel van die bedrijfsbuffer besloot Alves Reis een gokje op de aandelenmarkt te wagen. Hij verwierf een meerderheidsbelang in de Zuid-Angolese Mijnbouw Maatschappij en kocht zich in bij diverse andere ondernemingen.
De mijnbouw in Angola bevond zich toentertijd in een zo mogelijk nog deplorabelere staat dan de spoorwegen, maar zijn positie als grootaandeelhouder bracht Alves Reis in contact met tal van interessante zakenpartners. In 1924 ontmoette hij Jose Bandeira, vertegenwoordiger van een Nederlandse investeerdersgroep die wel wat zag in toekomstige exploitatie van de Angolese olievelden. Bandeira was de broer van de Portugese gezant in Den Haag en had goede connecties met de Nederlandse upper ten. Hij organiseerde feestjes voor prins Hendrik en was de amant van de Haagse toneeldiva Fie Carelsen. Bandeira bracht Alves Reis in Den Haag in contact met twee illustere zakenlieden die een cruciale rol zouden vervullen in de toekomstige valsemunterij. Het waren Adolf Gustav Hennies en Karel Marang, beiden even bedreven in de kunst van het bedrog als Alves Reis zelf.
HENNIES WAS houder van een Zwitsers paspoort dat zei dat zijn vader een Zwitser was en zijn moeder Braziliaans. Eigenlijk heette hij Johann Georg Adolf Doring en was hij geboren in Friedrichsbruck bij Kassel. In 1909 was hij zijn vrouw en kinderen ontvlucht en werd hij vertegenwoordiger voor Singer naaimachines in Brazilie, levend op een vals paspoort. Tijdens de Eerste Wereldoorlog opereerde Hennies als spion voor de Duitse Abwehr in Den Haag. Zijn geliefde was Annaliese Angold, de eerste vrouwelijke spion in het leger van de Kaiser.
De Nederlander Karel Marang leefde ook zo'n schemerbestaan. Ook hij had tijdens de oorlog goed verdiend aan de Duitsers, onder meer profiterend van valse diplomatieke paspoorten voor Liberia en Perzie. Eveneens had hij een schijntitel weten te kopen, zodat hij voluit Karel Marang van IJsselvere heette. Deze naam opende vele deuren voor hem. Zo was Marang door prins Hendrik benoemd tot erelid van het Rode Kruis en droeg hij een hoge onderscheiding van de Portugese regering. Alves Reis omschreef hem als ‘een typische Nederlandse handelaar, eerder slim dan intelligent, maar zeer bedreven in zakendeals’.
Kort na zijn ontmoeting met Hennies en Marang werd Alves Reis gearresteerd vanwege onrechtmatig gebruik van bedrijfsreserve van Ambacca en het uitschrijven van ongedekte cheques. Hij bracht bijna acht weken door in een cel in Oporto. Daar werd zijn meesterplan geboren. Alves Reis was geobsedeerd geraakt door de machtspositie van de semi-private Bank van Portugal, die van de overheid het monopolie had gekregen op het uitgeven van nieuw geld. Vanuit zijn gevangenis bestelde Alves Reis bij vrienden alle mogelijke verslagen van en over de Portugese bank, zoekend naar een manier om de instelling te misbruiken.
Portugal had, net zoals vele andere landen, al lang de gouden standaard opgegeven. Bij iedere economische crisis werd er domweg meer geld bijgedrukt, zoals bijvoorbeeld ook in Weimar-Duitsland te doen gebruikelijk. Tussen 1918 en 1923 vond er een verzesvoudiging plaats van de hoeveelheid in circulatie gebrachte escudo’s. De grote attractie van de Portugese Bank was in de ogen van Alves Reis dat de bank oude biljetten niet vernietigde, maar simpelweg waste, streek en weer in circulatie bracht. Tevens ontbrak een deugdelijk controlesysteem op dubbele nummers. Dit prikkelde Alves Reis’ fantasie. Hij rekende uit dat hij makkelijk driehonderd miljoen aan valse escudo’s in omloop zou kunnen brengen zonder dat het iemand zou opvallen. De vraag was alleen: wie kon die biljetten drukken?
VOOR DAT DOEL benaderde Alves Reis na zijn vrijlating wederom Hennies, Bandeiras en Marang. Via gekochte kranteartikelen (geen ongebruikelijke praktijk in Portugal) had Alves Reis inmiddels een rehabilitatieprogramma voor zichzelf opgezet, waarin hij als het slachtoffer van een komplot werd afgeschilderd. Hennies en Marang vielen daar blijkbaar ook voor. Zij toonden zich zeer geinteresseerd toen Alves Reis hen vertelde dat hij door de Bank van Portugal was belast met een geheim project ter redding van de Angolese economie. In ruil voor een lening van een miljoen Britse ponden aan diverse Angolese maatschappijen mochten investeerders namens de bank in het geheim voor een even hoog bedrag aan escudo’s laten drukken en in Angola investeren. Portugal en Angola gebruikten weliswaar dezelfde escudo-biljetten, maar de biljetten voor Afrikaans gebruik kregen een stempel met 'Angola’ erop. Angolese escudo’s waren in Portugal geen wettig betaalmiddel.
Hennies en Marang waren enthousiast. Wellicht werden zij financieel gesteund door de Duitse regering. Duitsland was sinds Versailles beroofd van zijn Afrikaanse kolonien en zocht verwoed naar nieuwe kansen op uitbreiding van de Heimat. Overname van de failliete doch in potentie lucratieve Portugese boedel in Afrika zou daarvoor ideaal zijn.
Het was Marang die de drukorder uiteindelijk regelde. Gewapend met een vals contract van de hand van Alves Reis klopte hij eerst aan bij Enschede en Zonen in Haarlem, de oudste gelddrukker van de wereld. Daar verwees men Marang door naar de Londense gelddrukker Waterlow & Sons. Die had uiteindelijk al eerder Portugees geld gedrukt. De directeur van het bedrijf, sir William Waterlow, was vertrouwd met geheime drukorders van regeringen. Waterlow voerde op dat moment een felle concurrentieslag met branchegenoten, en was zo blij met deze nieuwe opdracht dat niet eens de moeite werd genomen om de contracten van Alves Reis aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het mooiste van alles was dat Waterlow nog drukplaten had liggen van diverse escudo- biljetten, iets wat Alves Reis en Marang niet wisten. In feite werd er dus echt geld gefabriceerd.
Het rookgordijn dat Alves Reis en Marang wisten op te trekken, was zo verblindend dat Sir William zelfs de goede raad van zijn vertegenwoordiger in Lissabon in de wind sloeg. Die waarschuwde zijn hoofdkantoor dat er iets mis moest zijn met de deal. Het was immers niet de Bank van Portugal, maar de Banco Ultramarino die zich normaal gesproken ontfermde over de produktie van nieuw geld voor de overzeese Portugese gebiedsdelen. Waterlow reageerde geprikkeld op die waarschuwing: 'Uw telegram toont aan dat u uw positie niet waardeert’, telegrafeerde hij naar de man. Een brief van Waterlow aan president Camacho Rodrigues van de Bank van Portugal waarin hij de afspraken met Marang bevestigde, kwam wonderwel nooit aan.
In grote leren tassen kreeg Marang in 1925 de eerste miljoenen versgedrukte escudo’s mee - zonder het ongewenste stempel 'Angola’. De bende had Waterlow op het laatste moment laten weten dat dit toch niet nodig was. Aanvankelijk bracht Marang de koffers met miljoenen escudo’s zelf naar Portugal, gebruik makend van zijn valse diplomatieke paspoorten, die hem vrije doorgang bezorgden. Later werd dit koerierswerk overgelaten aan de Venezolaanse gezant in Lissabon.
In recordtempo wisselden assistenten van Alves Reis in Portugal de verse bankbiljetten van vijfhonderd escudo om in buitenlandse valuta en investeerden ze het geld in onroerend goed en bedrijven. Ook richtten zij een nieuwe bank op: de Bank van Angola & Metropole. Tijdens een bijeenkomst in Parijs, bijgewoond door Fie Carelsen, onthulde Alves Reis zijn handlangers het doel van die bank: het verwerven van een meerderheidsaandeel in de Bank van Portugal. Als ze de centrale bank eenmaal onder controle hadden, zou niemand meer achter de fraude kunnen komen.
DE GEHEIME financiele injecties deden de Portugese economie zonder meer goed. Doordat er meer geld circuleerde, waren leningen makkelijker te krijgen, kwamen er meer banen, werd er meer gebouwd en schoot de verkoop in de winkels omhoog. In feite had het land het nog nooit zo goed gehad. Ondertussen ging de Bank van Angola & Metropole onverdroten voort met de aankoop van aandelen in de Bank van Portugal. Het krankzinnige schema van Alves Reis leek te werken.
Een kink in de kabel was dat de acquisitie-ijver de attentie trok van andere banken. Die lanceerden een keiharde aanval in de bevriende pers tegen de nieuwe concurrent. De krant O Seculo opende de aanval met een serie verhalen waarin de bank van Alves Reis werd afgeschilderd als een creatie van duistere investeerders uit Nederland en Duitsland, die uit zouden zijn op de overname van de Portugese bezittingen in Afrika. Tegelijkertijd kregen Jose Bandeira en zijn broer Antonio, Portugees gezant in Den Haag, via diplomatieke kanalen te horen dat Gustav Hennies een geheim agent van de Duitsers was.
Paniek brak uit. Haastig werden alle vervalste contracten in de kluis van Fie Carelsen ondergebracht. Pal daarop vielen beambten van de Bank van Portugal en de politie de Bank van Angola & Metropole binnen. Meesterbedrieger Alves Reis, gearresteerd bij terugkomst uit Angola, wist de rechter aan wie hij werd voorgeleid zo te bepraten dat deze op zijn hand kwam. Zo beval de rechter de onmiddellijke aanhouding van president Innocencio Camacho Rodrigues van de Bank van Portugal en diens vice-president Mota Gomes. Die twee wisten niet wat hen overkwam. 'Wij staan oog in oog met een groots opgezet plan van sociale subversie met veel vertakkingen, met als doel, communistisch geinspireerd, de Bank van Portugal te vernietigen’, verklaarde het duo. In Den Haag werd Karel Marang gearresteerd.
NAAR SCHATTING van deskundigen hadden Alves Reis en de zijnen zo'n 105 miljoen escudo’s (zo'n 1.050.000 pond, een gigantisch bedrag in die tijd) wederrechtelijk in de Portugese economie gepompt. Dit bericht leidde tot felle reacties. In mei 1926 lanceerde generaal Gomes da Costa in Braga een militaire machtsovername. Een regering met dictatoriale volmachten trad aan, met de econoom Antonio de Oliveira Salazar uit Coimbra als minister van Financien, later als premier en fascistisch dictator. Salazar maakte het terugdringen van de inflatie tegen welke sociale prijs dan ook tot zijn eerste prioriteit.
Vele Portugezen waren liever voortgegaan in de keynesiaanse lijn van Alves Reis. Een bekend mopje uit de Salazar- tijd wilde dat de dictator aan een vriend vroeg wat hij toch moest doen om de economie uit het slop te halen. Geen probleem, zei de vriend: 'We lossen het op voor tien escudo. Dat kost een ritje met de taxi om Alves Reis uit zijn cel te halen en jou in zijn plaats zetten.’
Ook in Nederland werd de zaak nauwlettend gevolgd. Fie Carelsen verscheen dramatisch in het zwart op het proces tegen Marang in Den Haag. De expert van het Openbaar Ministerie noemde de affaire 'het werk van een genie’. Marang kreeg elf maanden. Hij begon daarna een nieuw leven in Parijs, waar hij zijn makker Hennies ook trof.
Hennies werd nooit voor zijn deelname aan de valsemunterij bestraft, hoewel zijn ex-minnares Annaliese Angold hem wel bij de Duitse politie aangaf. Toen waren de nazi’s echter al aan de macht, en die stelden dat Hennies 'zo veel voor de Heimat had betekend’ dat hij niet kon worden gearresteerd. Toch stierf hij in behoeftige omstandigheden, fantaserend over een perfect roulettesysteem om het casino van Monte Carlo te laten springen.
Alves Reis verbleef tot 1945 in de gevangenis, alwaar hij zich tot de Evangelische Kerk bekeerde. Zijn autobiografie Geheimen van mijn bekentenissen was opgedragen 'aan alle fortuinzoekers van de wereld’. Het was vooral een getuigenis van nieuwverworven vroomheid, die onmiddellijk ophield toen hij vrijkwam. In een mum van tijd was Alves Reis samen met zijn echtgenote weer betrokken bij een groot financieel schandaal, ditmaal in Brazilie. 'Alleen in de gevangenis kan ik als een goed mens leven’, klaagde hij. Hij stierf in 1955 als een berooid man.