De Franse Multatuli

In zijn roman Batouala toont René Maran zijn frustratie over het Franse koloniale bestuur. Als koloniaal ambtenaar zag hij hoe een groots ‘beschavingsoffensief’ het hart van Afrika veranderde in een hel.

René Marans aanklacht Batouala verscheen honderd jaar geleden © Photographie de presse / Agence Meurisse / BnF

Terwijl in Nederland de discussie over het gebrek aan culturele diversiteit binnen de canon voortduurt, herdenkt Frankrijk dit jaar het verschijnen, precies honderd jaar geleden, van Batouala. Aan deze roman werd in 1921 de Prix Goncourt toegekend. Voor het eerst won daarmee een zwarte schrijver de meest prestigieuze literaire prijs van Frankrijk: de uit Frans-Guyana afkomstige René Maran (1887-1960).

Maran vond de inspiratie voor zijn roman over een Afrikaans dorpshoofd, Batouala genaamd, tijdens zijn verblijf in Oubangui-Shari, een van de vier districten van Frans-Equatoriaal Afrika (tegenwoordig de Centraal-Afrikaanse Republiek), waar hij in de jaren 1909-1923 werkzaam was als koloniaal ambtenaar. Door het verhaal vrijwel geheel te presenteren vanuit het gezichtspunt van Batouala slaagt Maran erin om het dagelijks leven in een dorp, diep in de jungle van Afrika, van binnenuit te beschrijven. Dit geldt niet alleen voor de amoureuze verwikkelingen tussen Batouala en zijn lievelingsvrouw, Yassigui’ndja, maar ook voor de impact van het kolonialisme op het bestaan van de gekoloniseerden.

De aanleg van rubberplantages vernietigt grote delen van het regenwoud en verdrijft de inheemse bevolking uit haar dorpen. Omdat er onvoldoende arbeidskrachten zijn om wegen en bruggen aan te leggen in de kolonie en het moederland extra soldaten nodig heeft – de roman speelt in 1916 – houdt het Franse leger, gesteund door inheemse milities, regelmatig razzia’s in het gebied. Door de invoering van dwangarbeid op grote schaal ontbreekt het de dorpelingen aan mankracht om de gewassen te oogsten en het vee te verzorgen, met hongersnood tot gevolg. Batouala denkt: ‘De Fransen rusten niet voordat ze onze meest dierbare gebruiken hebben afgeschaft en ons die van hen hebben opgedrongen. Voortaan heerst er in het land van de zwarten een sombere droefenis. Het is nu eenmaal eigen aan witte mensen dat waar zij zich settelen de levensvreugde verdwijnt.’

In zijn voorwoord geeft René Maran uiting aan zijn frustratie over een koloniaal systeem waarvan hijzelf – een zwart staatsburger en évolué, dat wil zeggen, ‘verfranst’ in de zin dat hij onberispelijk Frans sprak en de normen en waarden van de Republiek als de zijne beschouwde – als bestuursambtenaar deel uitmaakte, maar dat de gekoloniseerden in Equatoriaal Afrika onderwierp aan een onmenselijk regime. Deze double bind wordt treffend geïllustreerd door het portret dat hij in datzelfde voorwoord van zichzelf schetst: ‘Op maanverlichte avonden, uitgestrekt op mijn ligstoel, luisterde ik vanaf mijn voorgalerij naar de gesprekken van die arme stakkers. De grappen die ze maakten bewezen dat ze berustten in hun leed. Doordat wij hun land exploiteerbaar maken, creperen zij, als vliegen, met duizenden tegelijk van de honger.’ Maran ziet zichzelf nadrukkelijk als deel van een Frans ‘wij’ en richt zich in zijn requisitoir tot de (witte) intelligentsia in het moederland:

‘Beschaving, beschaving, trots der Europeanen, maar uw heerschappij is op lijken gebouwd. Wat u ook nastreeft, wat u ook doet, het is een en al leugen. Uw geweld is sterker dan het recht. Geen fakkel der beschaving, maar een vuur dat alles verzengt waarmee het in aanraking komt.’

Maran was nadrukkelijk geen antikolonialist. Maar hij behoorde wel tot de eerste auteurs die, in het voetspoor van Joseph Conrads Heart of Darkness (1899), schreven vanuit het besef dat de kolonisatie van Afrika in niets leek op het beeld van een avontuurlijke jongensdroom, zoals dat door de verschillende Europese mogendheden, Frankrijk incluis, via brochures van de overheid, de populaire pers en kinderboeken, werd verspreid. Naarmate Centraal-Afrika, dankzij de aanleg van spoorlijnen en wegen, voor een grotere groep reizigers en reporters meer toegankelijk werd, ontdekten steeds meer Europeanen dat de werkelijkheid van het ‘slapende’ continent weerbarstiger was dan hun door de koloniale pers en propaganda tot op dat moment was voorgehouden.

Zo verging het ook Maran. In de formulering van zijn aanklacht tegen het Franse koloniale bestuur, die hij aan zijn roman vooraf liet gaan, klinkt duidelijk de echo door van de beroemde speech uit 1886 van de toenmalige minister van Koloniën, Jules Ferry, waarmee deze een sceptisch parlement probeerde te enthousiasmeren voor de kolonisatie van Equatoriaal Afrika: ‘Frankrijk ziet het als haar morele plicht om de inferieure rassen te beschaven.’

Als koloniaal ambtenaar was Maran er getuige van hoe dit grootse avontuur dat ooit bedoeld was als een beschavingsoffensief het hart van Afrika had veranderd in een hel. Dat maakte dat er qua perceptie en bejegening een groot verschil bestond tussen de zwarten die rond 1920 in Frankrijk woonden en de gekoloniseerden op het Afrikaanse continent. Terwijl de bewoners van Frans-Equatoriaal Afrika werden uitgehongerd, mishandeld en opgejaagd in naam van de vooruitgang heerste er in het moederland juist grote waardering en bewondering voor zwarte medeburgers die afkomstig waren uit de koloniën in Afrika of de Cariben.

Batouala verscheen in 1921: zo kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog leefde er bij de Franse bevolking nog sterk het besef dat de recente overwinning op de Duitsers mede te danken was aan het aandeel van de koloniale troepen aan de strijd, in het bijzonder die uit Afrika beneden de Sahara. Dit leidde tot een ware cultus rond de Senegalese tirailleurs. Vermaard om hun krijgskunst en hun moed oogstten deze zwarte soldaten veel succes bij de Franse vrouwen, met een flink aantal huwelijken tot gevolg. Daarnaast vormden de tirailleurs ook een dankbare bron van inspiratie voor schrijvers van kinderboeken en bedenkers van publiciteitscampagnes. Het bekendste voorbeeld is de breed lachende, zwarte militair, die decennialang het embleem vormde voor het cacaopoeder van het merk Banania. Naar de huidige maatstaven gemeten betreft het hier een curieuze mengeling van rassenvooroordeel en heldenverering. Immers, warme chocolademelk was een typische kinderdrank en daarmee appelleerde de reclame niet alleen aan de donkere huidskleur van de Senegalese tirailleurs maar ook aan hun vermeende kinderlijkheid. Het korte zinnetje dat de chocolademelksoldaat door zijn bedenker in de mond was gelegd, ‘Y’a bon…’ (‘mmm – jammie!’), versterkte dat idee. Een beter voorbeeld van simplistisch taalgebruik dat in het Frans met petit nègre wordt aangeduid, is moeilijk te vinden.

‘Doordat wij hun land exploiteer­baar maken, creperen zij, als vliegen, met duizenden tegelijk van de honger’

Dit Franse enthousiasme voor alles wat Afrikaans was, versterkte ook de reeds bestaande belangstelling voor Afrikaanse cultuur. Deze trend inspireerde Marans uitgever ertoe om aan de oorspronkelijke titel van diens boek de aanbeveling toe te voegen dat het hier een ‘authentiek Afrikaanse roman’ betrof: Batouala, véritable roman nègre. Ook de juryleden van de Prix Goncourt 1921 zullen zeker gevoelig zijn geweest voor het ‘zwarte’ aspect van Marans roman. Hiermee bekroonden zij een werk dat niet alleen naadloos aansloot bij de geest van de tijd, maar dat ook kon worden gezien als de literaire pendant van een artistieke avant-garde, van Picasso tot de surrealisten, die haar inspiratie vond in artefacten afkomstig van het Afrikaanse continent.

In 1919 vond bij Galerie Devambez in Parijs een spraakmakende tentoonstelling plaats van niet-westerse kunst onder de titel L’art nègre et l’art océanien, waarmee de rage van alles wat, zij het soms slechts uit de verte, aanspraak kon maken op het predicaat Afrikaans een hoogtepunt bereikte. Dit gold zowel voor de revue nègre van de immens populaire danseres Josephine Baker als voor de optredens van Amerikaanse jazzmusici in Parijs, onder wie John Mitchell en Sidney Bechet. Le bal nègre (later herdoopt in Bal Blomet), een danstent-annex-café waar oorspronkelijk vooral veel Antillianen kwamen, werd in de jaren twintig de hotspot voor jong en trendy Parijs. Echter, juist omdat de term nègre, die in deze tijd nog niet als denigrerend gold, van toepassing was op de meest uiteenlopende uitingen van kunst en cultuur is het zinvol om de vraag te stellen óf en in hoeverre Marans ‘authentiek Afrikaanse roman’ ook werkelijk vernieuwend was in literaire zin.

Maran maakt vooral indruk door zijn beschrijvingen van de Afrikaanse fauna en flora. De beelden die hij gebruikt om de atmosfeer van het regenwoud op te roepen zijn poëtisch en opvallend klankrijk. Om de roep van allerlei tropische vogels en hoenders weer te geven of de geluiden en geuren van de jungle na een zware regenbui creëerde hij zo nodig neologismen of greep hij terug op in onbruik geraakte woorden uit het Oud- of Middelfrans. De dialogen en overpeinzingen van zijn personages zijn doorspekt met woorden en uitdrukkingen die hij, al dan niet verfranst, ontleende aan de Bemba-taal, die in zijn district door de inheemse bevolking werd gesproken. Even mooi als omineus is het terugkerende beeld van de aasgieren, die onvermoeibaar rondcirkelen boven Batouala’s dorp. Nadat een van hen plotsklaps op een prooi is gedoken, beschrijft Maran hoe deze reusachtige vogel vervolgens weer omhoog stijgt, ‘met grote, trage vleugelslagen alsof hij door de lucht pagaaide’.

Ook seksualiteit en seksuele verlangens zijn in Batouala nadrukkelijk aanwezig. Daarmee ademt deze twintigste-eeuwse koloniale roman een volstrekt andere sfeer dan de exotische literatuur uit het fin de siècle, waarin het doorgaans draait om liefdesrelaties tussen westerlingen en inheemse vrouwen, zoals in Puccini’s Madama Butterfly (1904) of het destijds zeer populaire oeuvre van de schrijver Pierre Loti (1850-1923). Vergeleken met de broeierige erotiek die zo kenmerkend is voor dit genre zijn de seksscènes in Batouala opmerkelijk cru en expliciet. Dat geldt in het bijzonder voor de beschrijving van een ritueel besnijdenisfeest, waarbij het bloed van de bladzijden spat en de door dans en alcohol opgezweepte menigte volledig in extase raakt wanneer het mooiste meisje, door middel van een reusachtige fallus, publiekelijk wordt verkracht.

Juist door zijn rauwheid beantwoordt deze scène de vraag wat westerse schrijvers en kunstenaars in deze naoorlogse periode zo aantrok in Afrikaanse kunst, of beter, wat ze erin dáchten te vinden. Vitalisme, oerdriften, onbewuste verlangens: alles wat in het Victoriaanse tijdperk zorgvuldig toegedekt was gebleven, kwam na afloop van een tot dan toe ongekende explosie van oorlogs-geweld massaal tot ontlading. Tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat de ongebreidelde overgave aan de meest primaire levensdriften, zoals die in Batouala beschreven wordt, een sterk masculiene en daarmee onmiskenbaar misogyne inslag heeft.

Albert Harlingue / Roger Viollet agence Photographie / ANP © Franse koloniale macht in de Sanga-Logone-missie, Bangui, Oubangui-Chari, 1903

Terwijl literair Parijs enthousiast reageerde op de toekenning van de Prix Goncourt aan een zwarte schrijver dachten Marans superieuren in Afrika en voor het ministerie van Koloniën daar anders over. In haar zojuist verschenen studie Francophone African Narratives and the Anglo-American Book Market wijdt Vivan I. Steemers een buitengewoon informatief hoofdstuk aan de internationale receptiegeschiedenis van Batouala. Voor wat Frankrijk zelf betreft laat zij zien hoe het koloniale ambtenarenapparaat, zeker na de bekroning van het boek en daarbij geholpen door de rechtse pers, alles in het werk stelde om Maran te dwarsbomen. Zo riep het ministerie van Koloniën, amper een jaar na het succes van Batouala, een jaarlijkse literaire prijs in het leven voor de beste koloniale roman. Een ‘anti-Goncourt’, zoals Steemers het noemt, waarmee in 1923 een, speciaal voor die gelegenheid geschreven, ‘anti-Batouala’ werd bekroond. De titelheld van deze roman, Koffi genaamd, was weliswaar zwart, maar daarmee hield de overeenkomst op. Zijn bedenker, een witte koloniale ambtenaar, liet geen kans onbenut om bij monde van zijn personage de loftrompet te steken over het Franse, koloniale bewind in Afrika. Gabriel Angoulvant, de voormalige gouverneur-generaal van Frans-Equatoriaal Afrika, die met harde hand uitvoering had gegeven aan de zogenaamde pacificatie van onder meer Ivoorkust, schreef er een voorwoord bij.

Het ministerie richtte zijn pijlen ook op Maran persoonlijk. Zo kwam er in de kolonie een lastercampagne op gang, waarbij het gerucht werd verspreid dat de auteur medeverantwoordelijk zou zijn voor de moord op een Afrikaan uit zijn district. Pogingen om zijn onschuld te bewijzen liepen op niets uit, zodat hij zich genoodzaakt zag in 1924 zijn positie als koloniaal ambtenaar op te geven. Hij vestigde zich definitief in Frankrijk waar hij de rest van zijn leven moest sappelen om als freelance journalist zijn brood te verdienen.

Als winnaar van de Prix Goncourt verwierf Maran ook een aanzienlijke mate van bekendheid in het buitenland, in de eerste plaats in de Verenigde Staten. Zelf afkomstig uit het Caribisch gebied was hij niet alleen goed ingevoerd in de Franstalige literaire wereld, maar onderhield hij ook intensief contact met verschillende vertegenwoordigers van de New Negro Movement in de VS. Deze beweging ontstond na het einde van de Eerste Wereldoorlog en stelde zich ten doel het zelfbewustzijn van de zwarte gemeenschap te vergroten, onder meer door het stimuleren van Afro-Amerikaanse kunstenaars.

Maran keerde nooit meer terug naar Afrika, maar bleef wel als journalist actief als luis in de pels van het koloniale bestuur

Aangezien er in Nederland tijdens het Interbellum nog veel Frans werd gelezen, kreeg Maran als Goncourt-winnaar ook alle aandacht in de vaderlandse pers. Waren de reacties op de bekroning van het werk van een zwarte schrijver overwegend positief, over de inhoud ervan liepen de meningen uiteen. Dichter-criticus Jan Greshoff oordeelde in het tijdschrift Nederland uitgesproken negatief over de literaire kwaliteiten van het boek, waarbij hij zich tevens afvroeg of een roman geschreven door een ‘verwesterde zwarte’ nog wel aanspraak kon maken op de kwalificatie ‘authentiek’.

Gresshofs collega-criticus Henri Borel was daarentegen zeer lovend over de literaire kwaliteiten van Batouala. Daarnaast prees hij de jury van de Goncourt om haar moed. Hij beschouwde de bekroning van Maran zeker ook als een strategische keuze die bijdroeg aan de emancipatie van zwarte schrijvers in Frankrijk, dat daarmee gunstig afstak bij de VS. Ten slotte maakt Borel als enige van de door Steemers geciteerde critici een vergelijking tussen het Franse koloniale bewind in Afrika en de situatie in Nederlands-Indië. Vergeleken met het mensonterende koloniale bewind van de Fransen in Afrika, zoals dat door Maran – ‘de Franse Multatuli’ in de woorden van Borel – aan de kaak wordt gesteld, vervult dat van Nederland hem met trots, want ‘verlicht’ en ‘superieur’ aan het Franse.

Hoewel niemand vandaag de dag deze mening nog zou willen onderschrijven, had Borel op één punt wel degelijk gelijk: Frankrijk was op dat moment binnen Europa de enige koloniale mogendheid die nog herendiensten kende, een vorm van dwangarbeid waartegen het verzet, geleid vanuit de Volkerenbond in Genève, in de loop van de jaren twintig steeds feller werd.

Het is een gelukkige greep van Steemers om ook de receptie van Batouala in Nederlands-Indië bij haar onderzoek te betrekken. Weken de reacties in de Indische pers op de Goncourt in 1921 niet noemenswaardig af van die in het moederland, de verschijning van de Nederlandse vertaling ervan, in 1928, leidde daarentegen tot een regelrechte rel. Op grond van de suggestieve titel, Batouala, ruwe liefde, werden de exemplaren van het boek door de Indische posterijen geweigerd vanwege hun vermeende immoraliteit en aan de uitgever in Amsterdam geretourneerd. Hierop volgde een golf van protest van onder anderen schrijver-journalist A.M. de Jong, die voor deze gelegenheid een nieuwe inleiding bij de roman van Maran had geschreven. De sdap stelde kritische vragen aan het ministerie van Koloniën, en de Amsterdamse hoogleraar Franse letterkunde, Johannes Tielrooy, liet zich door de kwestie Batouala inspireren tot een spotdicht op het postwezen als bewaker van de goede zeden in de kolonie.

Het feit dat Batouala in datzelfde jaar ook in de Franse koloniën in Afrika verboden werd, maakt de veronderstelling dat de censuur in Nederlands-Indië wel degelijk door politieke overwegingen was ingegeven extra aannemelijk. Overal in Europa, zeker in links-progressieve kring, nam in de loop van de jaren twintig de kritiek op het kolonialisme toe, terwijl in de koloniën het onafhankelijkheidsstreven van de nationalisten steeds meer aanhang kreeg onder de inheemse bevolking. Ook al vonden de meeste recensenten in Nederlands-Indië Multatuli, literair gezien, een betere schrijver dan Maran, politiek gezien had men meer te duchten van een zwarte stem, zelfs als die nogal gematigd was, dan van een witte.

Maran publiceerde in de loop van zijn leven nog een tiental andere romans en verhalen, maar met geen ervan wist hij het succes van zijn debuut te evenaren. Hij keerde nooit meer terug naar Afrika, maar bleef wel als journalist actief als luis in de pels van het koloniale bestuur. Zo schreef hij in de jaren 1925-1927 voor de progressieve krant Le journal du peuple een reeks artikelen over de aanleg van de Congo-Océan, een spoorweg die de binnenlanden van de Franse Congo met de Atlantische kust moest verbinden. Het traject liep door een ontoegankelijk gebied waar nauwelijks mensen woonden. Om die reden werden van heinde en verre dwangarbeiders aangevoerd, van wie velen al aan ondervoeding en tropische ziektes bezweken nog voordat ze hun eindbestemming hadden bereikt. Op de bouwplaats zelf ontbraken elementaire voorzieningen, zoals voedsel, huisvesting en het gereedschap dat nodig was om tunnels te graven en het terrein te egaliseren. Onderworpen aan een onmenselijk regime in een heet en vochtig klimaat stierven de zwarte, ongeschoolde arbeiders bij bosjes tegelijk. Uiteindelijk kostte de aanleg van dit koloniale prestige-object het leven aan zo’n twintigduizend Afrikanen.

Maran was de eerste die deze humanitaire ramp in de openbaarheid bracht. Maar pas nadat André Gide als de invloedrijkste intellectueel van zijn tijd er in zijn reisverslag Voyage au Congo (1927) ruchtbaarheid aan had gegeven, trok het drama van de Congo-Océan de aandacht van de politiek. Zelfs de gouverneur-generaal van Frans-Equatoriaal Afrika werd teruggeroepen naar Parijs om zich te verantwoorden tegenover het parlement. Toch rolden er geen koppen, mogelijk omdat in tegenstelling tot Maran, Gide, wiens reis naar de Congo door de Franse overheid was gefinancierd, niet het koloniale bestuur aanwees als hoofdschuldige, maar de particuliere ondernemingen waaraan het werk was uitbesteed.

Hoewel het werk van Maran sinds zijn dood in 1960 wat in de vergetelheid is geraakt, kan de voorbeeldfunctie die hij voor andere zwarte schrijvers vervulde, niet worden overschat. Zo vormde de tekst van zijn autobiografische roman Un homme pareil aux autres (1947) het uitgangspunt voor een van de bekendste hoofdstukken uit Frantz Fanons klassieker Zwarte huid, witte maskers (1952): ‘de gekleurde man en de witte vrouw’. Maar ook andere internationaal bekende schrijvers als Alain Mabanckou, Aimé Césaire en Léopold Senghor zijn schatplichtig aan zijn werk.

De tragiek van Marans positie als zwarte, geëngageerde intellectueel die tot in zijn diepste wezen geloofde in de beschavende en verheffende kracht van de Franse cultuur komt wellicht het best tot uitdrukking in het gedicht ‘Hoquet’ van de eveneens uit Frans-Guyana afkomstige schrijver Léon-Gontran Damas (1912-1978). Een van de strofen van het gedicht gaat over een jongen die droomt van een banjo, maar die van zijn ambitieuze moeder viool moet studeren:

Nee, meneer
u moet toch weten dat we bij ons allergisch zijn voor
de ban
de jo
de gi
de taar
creolen (métisses) doen dat niet
Dat laten we maar beter aan de zwarten (nègres)

De titel van het gedicht, ‘Hoquet’, betekent letterlijk ‘hik’, maar in wezen gaat het om wat er schuurt, wanneer je, zoals René Maran zijn leven lang probeerde, datgene wil samenbrengen wat in de ogen van de anderen onverenigbaar is.

Vivan Steemers, Francophone African Narratives and the Anglo-American Book Market: Ferment on the Fringes (Lexington Books, 2021). De meest recente uitgaven van Batouala verschenen in Frankrijk bij Albin Michel (2012) en bij Heinemann in de Verenigde Staten (1988, vertaling Barbara Beck)