De Franse uitzondering

De verkiezing van Nicolas Sarkozy tot president van Frankrijk betekent een bevestiging van de Franse uitzonderingspositie in de wereld. Een verkiezingszege van Ségolène Royal of François Bayrou zou hetzelfde effect hebben gehad.

Het Franse uitzonderingsstreven wordt in Nederland doorgaans afgedaan als een grappig maar improductief ressentiment, gevoed door zelfkazende boeren, boulevardfilosofen en pretentieuze filmregisseurs. Een achterhaald idee dat enerzijds de Franse integratie in de wereldeconomie en anderzijds de politieke integratie van Frankrijk in de Europese Unie belemmert.

Niets is minder waar. De ‘exception Française’ is een uitvloeisel van de meer dan tweehonderdjarige Republikeinse traditie van het land en berust op de gedachte dat de natie zijn lot in eigen hand heeft. Elk van de deelnemers in deze presidentsrace, tot en met de meest marginale kandidaat, vertegenwoordigt een autonome opvatting van politiek die in veel westerse landen ongekend is.

Zelfs voor Sarkozy, die als partijleider en minister jarenlang pleitte voor liberalisering en privatisering als antwoord op de Franse economische problemen, is politiek geen vorm van management of bestuurskunde binnen de marges van de zogenaamde vrije markt. In de aanloop naar deze verkiezing liet Sarkozy zelfs duidelijk weten dat hij op die radicale overtuiging was teruggekomen. Zowel voor hem als voor Royal, Bayrou en de minder succesvolle kandidaten is politiek een gemeenschappelijke wilsuiting, een project dat de samenleving van de toekomst vorm moet geven. Ook de vertegenwoordigers van de extremen van het Franse politieke spectrum, van de overjarige racist Jean-Marie Le Pen tot de jeugdige communist Olivier Besancenot, delen dit begrip van politiek en brengen het in praktijk.

De Franse uitzondering is weliswaar voornamelijk een retorisch devies, maar als voldoende mensen in een devies geloven heeft dat reële gevolgen voor politiek en samenleving. En dat laatste is in Frankrijk het geval. Wie hieraan twijfelt, moet maar eens een kijkje nemen in een gemiddelde Franse schoolklas. Franse scholieren organiseren tot op zekere hoogte hun eigen klas, kiezen klassenvertegenwoordigers die serieus overleg houden met het onderwijzend personeel en beheren vaak een eigen budget waarvan ze autonoom activiteiten organiseren. Ze zijn, kortom, geen stuurloze kids van Angelsaksische snit maar Republikeinse burgers in de dop. Het is een voorbeeld waarvan je als Nederlandse ouder kunt watertanden.

De exception berust op drie kernbegrippen: (1) een sterke centrale overheid, (2) een vurig lokaalpatriottisme (dat gepaard gaat met veel decentrale conflicten ) en (3) een Republikeinse beschavingsmissie waarvoor Frankrijk de rest van Europa als hefboom wil inschakelen. Daarnaast kent het een reeks ondergeschikte thema’s die niet zelden in de loop der jaren van inhoud zijn veranderd. Het ideaal van francophonie bijvoorbeeld was ooit exclusief geënt op Frankrijk zelf, maar is tegenwoordig juist multicultureel van aard en dient als het ware als paraplu waaronder alle Franssprekende volken kunnen schuilen tegen de culturele gelijkschakeling van de wereldmarkt. Een ander voorbeeld is de Franse houding tegenover het verenigd Europa. Nog in 1992, ten tijde van het Maastrichtverdrag, waren veel Fransen afkerig van de Europese Unie omdat die de vorm aannam van een politiek stuurloze vrijhandelszone. Tegenwoordig richt de afkeer zich vooral tegen de globalisering en beschouwen de Fransen de Europese Unie eerder als een bolwerk daartegen dan asl een verlengstuk ervan.

De drie belangrijkste kandidaten benadrukten elk in hun campagne verschillende aspecten van de Franse uitzondering. Sarkozy staat voor het unitaire en autoritaire republicanisme dat geen afwijkend normbesef van jongeren, migranten of subculturen gedoogt en het staatsbelang zwaarder laat wegen dan het particulier belang. Sarkozy is goede maatjes met de leiding van Frankrijks grote wapenhandelaren (Lagardère, Dassault), van de grote industriële en serviceverlenende bedrijven als Aerospatiale (de Franse poot van Airbus) en France Télécom en niet te vergeten van de machtige Franse mediaconglomeraten die als haviken over hun exclusieve culturele markt waken. Hij kan het zich niet veroorloven te breken met de rechtse traditie van dirigisme, het ‘kapitalisme zonder kapitaal’ waaraan Frankrijk enerzijds zoveel grote infrastructuurprojecten, anderzijds het behoud van het ‘nationale karakter’ van vel van zijn grote bedrijven dankt.

Ségolène Royal staat in de eerste plaats voor het verzet tegen social dumping, dat wil zeggen tegen de wegbezuiniging van arbeidsvoorwaarden, sociale arrangementen en min of meer dure protectionistische maatregelen die de cohesie van de samenleving in stand houden. Dat is in Frankrijk geen uniek links standpunt; het wordt gedeeld door zowel de oerconservatieve plattelandsbevolking als de grootstedelijke culturele elite. François Bayrou tenslotte staat voor het behoud van de Franse plattelandsidylle, de verbondenheid met de bodem en met de tradities en waarden van de kleine grondbezitters en hun robuuste eigendoms- en gemeenschapsbesef.

Het is veelzeggend dat zowel Royal als Sarkozy in de eindronde afhankelijk waren van de aanhang van deze katholieke centrist die de Franse uitzondering niet alleen programmatisch uitdraagt, maar met zijn stugge boerenkop en rurale levensstijl ook nog eens belichaamt. Evengoed is het veelzeggend dat zelfs voor Bayrou, de meest chauvinistische van de drie, Europa dient als verlengstuk van het Franse streven naar cultureel en politiek zelfbehoud. ‘Zonder de politieke eenheid en democratie van Europa wordt de gang van de wereld een noodlot waarop de volkern van ons continent geen invloed meer hebben. Telkens wanneer de toekomst van de wereld veiliggesteld moet worden, ontdekken we weer “de noodzaak van Europa”,’ aldus Bayrous’ programma.

Franse politici die een meer dan marginale rol willen spelen moeten vroeg of laat concessies doen aan de door en door individualistische middenklasse van winkeliers, eigenerfde boeren, employees, tussenhandelaren en culturele producenten die de Franse uitzondering al meer dan twee eeuwen afdwingt. Het was die eigenzinnige middenklasse die de revoluties van de negentiende eeuw ontketende en de daaruit voortkomende regimes vervolgens even eigengereid weer omverwierp. En het was wederom die middenklasse die in 2005 de door haar eigen politieke elite ontworpen Europese grondwet de nek omdraaide. Zij zal ook Sarkozy de nek omdraaien als hij Frankrijk wil gelijkschakelen met de wereldeconomie, de Europese Unie, de Amerikaanse buitenlandse politiek of een homogene consumptiecultuur.

In 2000 schreef de Franse hoogleraar Sophie Meunier, werkzaam aan Princeton University, in een artikel in Foreign Affairs dat de Franse uitzondering een voorbeeld zou kunnen zijn voor andere landen die zich niet door de globalisering willen laten overspoelen en willen vasthouden aan reële politieke soevereiniteit. Een voorwaarde daarvoor was volgens haar dat de Franse regering een constructief beleid zou ontwikkelen dat aansloot bij de alternatieve wensen en opvattingen van de anti-globaliseringsbeweging, zij het uiteraard zonder sommige excessieve aspecten daarvan. Een presidentschap van Ségolene Royal zou ongetwijfeld betere vooruitzichten hebben geboden op een dergelijk beleid, maar ook Sarkozy zal vroeg of laat zijn geloofsbrieven moeten tonen door een plak onbesproeide Rocquefort te proeven bij de onthaaste eco-boer José Bové.