Blog (2)

De Fransen pikken het wentelen in slachtofferschap van de rechtse kandidaten niet

In de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen blogt De Groene-correspondent Marijn Kruk vanuit Frankrijk over de laatste politieke ontwikkelingen. Vandaag: de affaires rond Le Pen en François Fillon.

In Frankrijk zijn ze onderwerp van milde spot : de zogeheten ‘kleine kandidaten’ (les petits candidats). De trotskiste Nathalie Arthaud, de soevereinist Nicolas Dupond-Aignan, de herder Jean Lassale, zes zijn er in totaal. Weliswaar slaagden ze erin om de benodigde vijfhonderd handtekeningen van gekozen volksvertegenwoordigers te verzamelen, maar geen van allen maakt serieuze kans op het presidentschap. Op Dupond-Aignan na bungelen ze tussen de nul en een half procent van de stemmen. In de campagne komen ze er eigenlijk niet aan te pas, maar op dinsdagavond veranderde dat. Tijdens een vier uur durend televisiedebat stonden ze op gelijke voet met de ‘grote kandidaten’ (Le Pen, Fillon, Macron, Hamon en Mélenchon).

Het zou hun jour de gloire worden, zoals dagblad Le Figaro het in de aanloop naar het debat omschreef. Een moment van schittering voordat ze weer voor vijf jaar in de vergetelheid zullen verdwijnen. Iedereen had gelijke spreektijd en zo werd de kijker getrakteerd op een overkill aan anti-Europese en antikapitalistische boutades. De nationalistische Marine Le Pen werd qua radicaliteit aan alle kanten voorbij gestreefd door petits candidats die allemaal namens ‘het volk’ zeiden te spreken.

Voor de kijker was het debat in veel opzichten onbevredigend. Maar één ding was overduidelijk: de affaires rond de twee grote kandidaten ter rechterzijde, Le Pen en de conservatief-liberaal François Fillon, hebben diepe sporen achtergelaten bij de Franse kiezer. Een goed voorbereide uithaal van de eveneens trotskistische Philippe Poitou (‘arbeideristische immuniteit bestaat niet!’) was na afloop van het debat direct trending op Twitter en ook de dag na het debat werd er overal naar verwezen. Touché!

Voor wie het vergeten was: het Front National van Le Pen wordt ervan verdacht geld van het Europees Parlement oneigenlijk te hebben besteed. Le Pen weigert vóór het einde van de verkiezingen voor de onderzoeksrechter te verschijnen en beroept zich op haar parlementaire immuniteit. Fillon is in staat van beschuldiging gesteld omdat hij ervan wordt verdacht zijn vrouw als parlementair medewerker in dienst te hebben gehad zonder dat daar daadwerkelijke arbeid tegenover stond. Op die manier zou het gezin Fillon bijna een miljoen euro hebben opgestreken. Ook waren er berichten over niet-gedeclareerde rekeningen en dure giften, zoals horloges en maatpakken ter waarde van veertigduizend euro.

Zowel Le Pen als Fillon wentelen zich in slachtofferschap. Maar de Franse kiezer lijkt het niet te pikken. Vooral niet van Fillon, die campagne voert op een platform van morele integriteit. Dat bleek wel uit de duikeling die hij maakte in peilingen. Toen de flegmatieke Fillon in november verrassend de voorverkiezingen binnen zijn partij (Les Républicains) won, was hij direct huizenhoog favoriet. Inmiddels vecht hij voor zijn politieke leven.

Waarom deze affaires plotseling zo’n issue zijn geworden is een raadsel. Nog niet zo heel lang geleden zouden de meeste kiezers er immers hun schouders erover hebben opgehaald. Ze zouden ze ondergaan zoals een Parijzenaar een staking van de metrotrein RER A of B ondergaat. Torenhoge slagersrekeningen, luxe-appartementen, gesjoemel met de partijkas, giften van miljardairsvriendjes uit het bedrijfsleven, stapelen van salarissen, het was misschien niet netjes, maar het waren de privileges die nu eenmaal bij het politieke bedrijf hoorden.

Het was de wereld van de boven-ons-gestelden, een overblijfsel van de hiërarchische wereld van het Ancien Régime, zoals knap door de historica Fanny Cosandey beschreven in het recent bij Gallimard verschenen standaardwerk Le rang. Zo nu en dan kwam het tot een veroordeling maar tot de morele verontwaardiging die we met Fillon meemaken leidde het eerder nooit. Er komen nog net geen hooivorken aan te pas, maar het scheelt niet veel. Campagnebezoekjes die Fillon aflegt in het land worden steevast verstoord door groepjes boze burgers.

Alles wijst erop dat hij er zelf ook door verrast werd. ‘Iedereen doet dit’, luidde zijn aanvankelijke verweer, tot hij later schoorvoetend toegaf dat hij wellicht ‘fouten’ had gemaakt. Kennelijk zijn de tijden veranderd. De maat is vol. Niet ondenkbaar is dat het iets te maken heeft met de desacralisering van het presidentschap. Die trend werd in 2007 in gang gezet door Nicolas Sarkozy die zijn tumultueuze privé-leven (zijn scheiding van Cécila, zijn liaison met Carla Bruni) breed uitmat in de media. Zijn opvolger Hollande wilde aanvankelijk vooral een ‘normale’ president zijn. Als hij zich in Frankrijk verplaatste, deed hij dat per trein; in Parijs liet hij zijn chauffeur nadrukkelijk stoppen voor het rode licht. Nu politici kennelijk normale mensen zijn geworden, zullen we ze ook zo afrekenen, lijkt bij het publiek de achterliggende logica te zijn.

Fillon lijkt niet meer te redden, al blijft hij tegen de klippen op campagne voeren, hopend op een wonder. ‘Mijn instinct zegt me dat dit nog wel eens goed zou kunnen eindigen’, tekende dagblad Le Parisien eerder deze week op uit zijn mond. Een wonder mag niet worden uitgesloten. Peilingen hebben er wat Fillon betreft vaker naast gezeten. Tegelijk is de vraag gerechtvaardigd wat zijn instinct nog waard is.